Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2957

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
200.083.337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsmacht. Pluraliteit van verweerders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.083.337

(zaaknummer rechtbank 293769)

arrest van de tweede civiele kamer van 25 oktober 2011

inzake

1. de vennootschap naar Duits recht Gebhard Medien GmbH,

gevestigd te Düsseldorf, Duitsland,

2. de stichting naar Duits recht Kurt und Felicitas Vössing Stiftung,

gevestigd te Gütersloh, Duitsland,

3. [A],

wonende te [woonplaats],

4. [B],

wonende te [woonplaats]

5. [C],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A. al Mansouri,

tegen:

de naamloze vennootschap naar Belgisch recht ECI België N.V.,

gevestigd te Antwerpen, België,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ECI België,

advocaat: mr. J. Staab.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 januari 2011 dat de rechtbank Utrecht heeft gewezen tussen enerzijds appellanten als eisers in conventie, tevens verweerders in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak, tevens verweerders in het bevoegdheidsincident, en anderzijds ECI België als (mede-) gedaagde in conventie, tevens (mede-)eiseres in voorwaardelijke reconventie in de hoofdzaak, tevens eiseres in het bevoegdheidsincident. Van dit vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 23 februari 2011,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak kort samengevat om het volgende. Appellanten hebben ieder afzonderlijk jarenlang elk kwartaal betalingen ontvangen van ECI Holding B.V., gevestigd te Vianen (hierna: ECI Holding). Appellanten sub 1, 4 en 5 hebben daarnaast jarenlang elk kwartaal betalingen van ECI België ontvangen. De betalingen zijn, zo voeren appellanten aan, provisies voor de ledenlijsten die appellanten aan ECI Holding en ECI België ter beschikking hebben gesteld. Appellanten zijn, naar zij stellen, eigenaar van de leveringsrechten met betrekking tot het leveren van media aan de op deze lijsten vermelde leden van de boekenclubs ECI Holding en ECI België. Volgens appellanten werd voor iedere ledenlijst per kwartaal de provisie berekend over de omzet die door de beide vennootschappen met de betrokken leden op de respectieve ledenlijsten werd bereikt. Vast staat dat de ledenlijsten met Nederlandse leden en de ledenlijsten met Belgische leden aparte lijsten vormden en dat ECI Holding en ECI België de Nederlandse respectievelijk Belgische lijsten onafhankelijk van elkaar met appellanten hebben afgerekend. Vanaf medio 2009 hebben ECI Holding en ECI België geen provisie meer betaald, omdat volgens hen geen overeenkomsten met appellanten bestaan op grond waarvan zij appellanten provisie verschuldigd zouden zijn. Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij (ieder afzonderlijk) met ECI Holding en ECI België mondeling een ‘pacht’overeenkomst naar Duits recht hebben gesloten, die hen recht op provisie (de ‘pachtsom’) geeft.

3.2 Appellanten hebben zowel ECI Holding als ECI België gedagvaard en in eerste aanleg onder meer gevorderd de hoofdelijke veroordeling van ECI Holding en ECI België tot betaling van -kort gezegd- de niet betaalde provisie vanaf het 2e dan wel 3e kwartaal van 2009 tot en met het 2e kwartaal van 2010. ECI België heeft in het incident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart ter zake de behandeling van de tegen haar gerichte vorderingen.

3.3 Appellanten hebben voor de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ter zake van de vorderingen tegen ECI België een beroep gedaan op artikel 6 sub 1 van de hier toepasselijke EEX-verordening. Uit deze bepaling volgt dat in geval van pluraliteit van verweerders de eiser de vorderingen tegen alle verweerders (met woonplaats in een EEX-staat) kan aanbrengen bij de rechter van de woonplaats van één hunner. Voorwaarde daarvoor is dat er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Beslissingen kunnen niet reeds tegenstrijdig worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil. Voor tegenstrijdigheid is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.

De rechtbank Utrecht is, gelet op artikel 60 lid 1 EEX-verordening, de rechter van de ‘woonplaats’ van één van de verweerders in de hoofdzaak, ECI Holding, aangezien ECI Holding haar statutaire zetel in Vianen heeft. De vraag is nu of sprake is van een samenhang als hiervoor bedoeld tussen de vorderingen tegen ECI Holding en die tegen ECI België. De rechtbank heeft die samenhang niet aanwezig geacht en zich daarom inzake het geschil tussen appellanten en ECI België onbevoegd verklaard. Appellanten richten hun hoger beroep tegen deze beslissing. Zij handhaven in hoger beroep hun standpunt dat tussen de tegen ECI België gerichte vorderingen (van appellanten sub 1, 4 en 5) en de tegen ECI Holding gerichte vorderingen (van deze appellanten) een zodanig nauwe band bestaat, dat sprake is van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 6 sub 1 EEX-verordening. De vijf grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4 Het hof stelt voorop dat appellanten niet zijn opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat van hoofdelijke aansprakelijkheid sprake zou zijn, zodat het hof van hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan uitgaan.

3.5 Appellanten stellen dat de provisiebetalingen die ECI Holding en ECI België aan hen hebben gedaan, voortvloeien uit één en dezelfde koopovereenkomst die zij, appellanten, hebben gesloten met onder andere Vepaco S.A., een van de oorspronkelijke eigenaren van de leveringsrechten. Volgens appellanten werden de leveringsrechten voor zowel de Belgische als de Nederlandse klanten van ECI Holding en ECI België als één pakket gekocht op basis van mondelinge koopovereenkomsten. Naar het oordeel van het hof valt uit deze stelling, zo zij juist is, niet af te leiden dat de door ECI Holding en ECI België aan appellanten gedane betalingen zijn verricht uit hoofde van één en dezelfde (‘pacht’)overeenkomst, die gelijkelijk voor ECI Holding en ECI België zou gelden (in welk geval gevaar voor onverenigbare beslissingen kan bestaan). Ook de bij memorie van grieven overgelegde producties geven geen aanleiding tot een dergelijke conclusie. Omtrent die producties overweegt het hof als volgt.

3.6 Uit productie 2, de factuur van 23 september 1993 van Vepaco S.A. aan Heyer (appellante sub 5), volgt slechts dat Vepaco S.A. aan Heyer de leveringsrechten heeft verkocht met betrekking tot 2000 Belgische en Nederlandse leden van ‘ECI’ en dat bij brief van 10 september 1993 ‘Die Modalitäten betreffend Übertragung der Belieferungsrechte (…) mit dem ECI abgestimmt worden (sind)’. Onduidelijk is wie in de geciteerde zinsnede met ‘ECI’ wordt bedoeld. Uit productie 3, de factuur van [datum] van [E] aan Firma Georg Gebhard, volgt slechts dat deze [E] aan Firma Georg Gebhard 1000 ‘ungekündigte Stamm-Mitgliedschaften des ECI, Vianen/Holland’ heeft verkocht. Uit de facturen blijkt niet dat de door ECI Holding en ECI België aan appellanten sub 5 en 1 gedane betalingen zijn verricht uit hoofde van één en dezelfde (‘pacht’)overeenkomst die gelijkelijk voor ECI Holding en ECI België zou gelden. Dat in de factuur van Vepaco S.A. geen onderscheid wordt gemaakt tussen Belgische en Nederlandse klantleden, maakt dat niet anders.

Ook uit de brief van ‘ECI’ aan Bertelsmann AG van 4 februari 1987 (productie 5) valt niet af te leiden dat ECI Holding en ECI België hun betalingen aan (de desbetreffende drie) appellanten hebben verricht uit hoofde van één en dezelfde (‘pacht’)overeenkomst die gelijkelijk voor ECI Holding en ECI België zou gelden. In deze brief doet [D] namens de directie van ‘ECI’ aan Bertelsmann AG een voorstel voor een nieuwe berekeningswijze van de ‘pachtsom’. Anders dan appellanten aanvoeren, is deze brief niet gericht aan M. [B] (appellant sub 4) in persoon, maar aan ‘Bertelsmann AG., [B]’. Naar ECI Holding en ECI België bij conclusie van antwoord in conventie onder nr. 15 onweersproken hebben gesteld, was deze [B] in het verleden lid van de raad van bestuur van Bertelsmann. Appellanten hebben niet duidelijk gemaakt waarom deze brief, hoewel gericht aan Bertelsmann AG, van betekenis zou zijn voor de vraag in welke verhouding zijzelf tot ECI Holding en ECI België staan.

Ook de brief van 8 mei 2002 aan appellant sub 4, [B], inzake de pachtafrekening over 2001 (productie 4) is zonder betekenis, reeds omdat deze brief is ondertekend met uitsluitend ‘ECI bv’. Met ‘ECI bv’ is blijkens het onderschrift op pagina 1 van de brief kennelijk ‘ECI voor boeken en platen bv’ te Vianen bedoeld.

Appellanten stellen op pagina 5 onder randnummer 9 van hun memorie van grieven dat zij (ieder afzonderlijk) een overeenkomst hebben gesloten met ‘de rechtsvoorganger’ van ECI Holding en ECI België en dat zij thans aanspraak maken op nakoming daarvan, maar zij geven niet aan wie die rechtsvoorganger was. Daarom gaat het hof aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Overigens valt op dat appellanten, ter adstructie van de gestelde contractuele verhouding met ECI Holding en ECI België, in eerste aanleg een voorbeeldovereenkomst in het geding hebben gebracht, waarin als contractspartij van de rechthebbende op een ledenlijst, uitsluitend ‘ECI voor Boeken en Platen B.V., Vianen’ staat vermeld (productie 5, p. 4-6, bij de inleidende dagvaarding). Blijkens de inleidende dagvaarding onder randnummer 1.1 was dit de vroegere handelsnaam van ECI Holding.

3.7 Appellanten voeren voorts aan dat de vorderingen jegens ECI Holding en ECI België op hetzelfde feitencomplex en dezelfde stellingen zijn gebaseerd en dat laatstgenoemden tegen die vorderingen dezelfde (materiële) verweren hebben aangevoerd. Appellanten hebben tot dusver echter onvoldoende toegelicht wanneer, hoe en onder welke omstandigheden de door hen gestelde ‘pacht’overeenkomsten met ECI Holding en ECI België in concreto tot stand gekomen zouden zijn. Als gevolg daarvan is hun stelling dat de vorderingen jegens ECI Holding en ECI België op hetzelfde feitencomplex berusten, niet controleerbaar. Dat van eenzelfde feitenconstellatie sprake is, valt uit de hiervoor onder 3.6 besproken producties in elk geval niet af te leiden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag of tussen appellanten en ECI Holding en ECI België een overeenkomst bestaat, voor elk van beide vennootschappen afzonderlijk aan de hand van de feiten en omstandigheden zal moeten worden onderzocht. Dat de beide vennootschappen tegen de vorderingen dezelfde verweren hebben aangevoerd, maakt dat niet anders.

3.8 Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen de vorderingen op ECI Holding en ECI België een dermate nauwe band bestaat, dat -kort gezegd- gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat. Het hof passeert het bewijsaanbod van appellanten, omdat appellanten geen -voldoende concrete- stellingen hebben betrokken die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De conclusie moet derhalve luiden dat de Nederlandse rechter met betrekking tot de vorderingen tegen ECI België geen bevoegdheid aan artikel 6 onder 1 EEX-verordening kan ontlenen. De grieven I tot en met IV falen. Aangezien de bevoegdheid ten aanzien van deze vorderingen evenmin kan worden gebaseerd op enige andere bepaling van de EEX-verordening, dient de Nederlandse rechter zich ten aanzien van de vorderingen tegen ECI België onbevoegd te verklaren. Het vonnis van de rechtbank in het bevoegdheidsincident zal dan ook worden bekrachtigd.

3.9 Het voorgaande leidt ertoe dat ook grief V betreffende de kostenveroordeling faalt. Appellanten zullen als de in het ongelijk gestelde partij ook in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2011;

veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ECI België begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor griffierecht;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.M. Wattendorff en P.M.M. Mostermans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.