Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2943

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
23-002850-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen. Bewijsoverwegingen ten aanzien van criminele herkomst van het geld en ten aanzien van (voorwaardelijk) opzet. Afwijzing voorwaardelijke verzoeken. Overschrijding redelijke termijn. Oplegging van een gevangenisstraf van drie jaren, alsmede verbeurdverklaring van een geldbedrag van 1.189.900 euro en van een aantal goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002850-07

datum uitspraak: 27 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 april 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-501648-06 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. [naam P.I.].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 maart 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 13 december 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer 1.189.000 (zegge: 1 miljoen hondernegenentachtig duizend) euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds gelet op de in hoger beroep gevoerde, bespreking vergende, verweren en de daarop genomen beslissingen.

Bespreking van een aantal voorwaardelijke verzoeken van de raadsman

De verdachte heeft betoogd dat het geld, dat op 13 december 2006 op Schiphol in de dubbele bodems van de door verdachte meegevoerde koffer is aangetroffen, bestemd was voor legale handel, die hij dreef in het kader van het uitoefenen van zijn bedrijf. Met betrekking tot de herkomst van het geld en de bestemming ervan, de werkzaamheden van de verdachte en zijn reisdoelen heeft de verdediging verwezen naar overgelegde documenten en de verklaringen van getuigen. Een deel van deze documenten zijn eerder door de verdediging ter voeging in het dossier aangeboden, waaronder de bijlagen van een klaagschrift van de verdachte ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak. De raadsman heeft ter terechtzitting het hof verzocht, indien het hof niet op voorhand wil instemmen met de authenticiteit of de betrouwbaarheid van deze documenten en verklaringen, een aantal getuigen te dezer zake te horen.

De advocaat-generaal heeft gesteld dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.

Het hof wijst de verzoeken af, gelet op het navolgende.

I. Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek tot horen als getuigen van een medewerker van het bedrijf [bedrijf 1], [getuige 1], een verkoper genaamd [getuige 2] en een medewerker van het bedrijf [bedrijf 2].

De verdediging heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan, voor het geval het hof het hierna gestelde niet als waar zou aannemen, een medewerker van de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2], [getuige 1] en [getuige 2] te horen over hun zakelijke contacten met de verdachte.

Als onderdeel van bijlage V bij voormeld klaagschrift is een aantal facturen gevoegd van autoleverancier [bedrijf 1], gedateerd 20 april 2006, betreffende de verkoop van vrachtwagens aan de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 maart 2007 verklaard, dat hij op naam van [getuige 1] trucks bij [bedrijf1] heeft gekocht.

De verdediging heeft gesteld dat deze vrachtwagens in Nigeria zijn ingeklaard door een vriend van de verdachte, [getuige 1] voormeld.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 voorts overgelegd:

- bescheiden betreffende de verkoop van een vrachtwagen door [bedrijf 3], gevestigd te Stuttgart (Duitsland) aan de verdachte op 9 maart 2006, en

- een overzicht van de omzet (“Umsatzübersicht”) van de [bank], betreffende de rekeninghouder [bedrijf 3], betreffende betalingen door [naam getuige 1] Nigeria Limited en [getuige 2] in de periode van 5 april 2006 tot met 9 mei 2006.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte vrachtauto’s kocht bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3], rechtstreeks en door tussenkomst van een verkoper, genaamd [getuige 2].

Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 verklaard dat hij bij het bedrijf [bedrijf 2] een vrachtwagen, airco’s, ventilatoren, een generator en een vrieskist heeft gekocht, welke goederen naar Nigeria zijn verscheept.

Het hof wil aannemen dat de verdachte in Nigeria een bedrijf uitoefent dat zich (onder meer) bezig houdt met de aankoop van vrachtwagens en andere goederen in Europa en de invoer ervan in Nigeria.

Het verband met het vervoer van geld door de verdachte op 13 december 2006 is daarmee echter niet aangetoond.

Nu het hof de authenticiteit en betrouwbaarheid van de documenten die verband houden met deze werkzaamheden van de verdachte op zich niet in twijfel trekt, acht het hof geen noodzaak aanwezig tot het horen van voormelde getuigen, waarbij het hof overigens aantekent dat zulks niet afdoet aan de voor het bewijsthema voorhanden bewijsmiddelen.

II. Ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek tot horen als getuigen van personen, betrokken bij het incheckproces in Nigeria op 10 december 2006.

De raadsman heeft voorts het voorwaardelijk verzoek gedaan om alle personen, die in Nigeria betrokken waren bij het incheckproces te horen, indien het hof de verklaringen van de verdachte over zijn reis en het feit dat zijn zakenpartner [hierna: getuige 5] niet met hem naar Nederland is gereisd aan de bewezenverklaring ten grondslag legt.

Het hof zal de verklaringen van de verdachte, voor zover deze zien op het incheckproces en het verdere verloop van de reis van de verdachte naar Nederland (tot het moment van aankomst op Schiphol) en op het niet met hem meereizen naar Nederland door [hierna: getuige 5] niet ten grondslag leggen aan de bewezenverklaring. Gelet daarop gaat de voorwaarde niet in vervulling en behoeft het verzoek geen verdere bespreking, waarbij het hof evenals hiervoor overigens aantekent dat zulks niet afdoet aan de voor het bewijsthema voorhanden bewijsmiddelen.

III. Ten aanzien van [getuige 3]

De raadsman heeft vervolgens het voorwaardelijk verzoek gedaan om de echtgenote van de verdachte, [getuige 3], als getuige te horen indien het hof de verklaringen van de verdachte dat hij haar in Frankrijk heeft bezocht niet geloofwaardig acht.

Het hof wil aannemen dat de verdachte in Frankrijk [getuige 3] heeft bezocht. Dat zo zijnde, zal het hof daarnaar geen nader onderzoek instellen. Gelet daarop gaat de voorwaarde niet in vervulling en behoeft het verzoek geen verdere bespreking, waarbij het hof overigens wederom aantekent dat zulks niet afdoet aan de voor het bewijsthema voorhanden bewijsmiddelen.

IV. Ten aanzien van [getuige 4] en de broer van de verdachte

De raadsman heeft bepleit dat het noodzakelijk is [getuige 4] en de broer van de verdachte te horen indien het hof twijfelt aan de verklaring van de verdachte dat verdachte geld onder zich had, dat deels afkomstig was van zijn broer en van [getuige 4].

Het hof stelt voorop dat de verdachte over de hoeveelheid geld die hij Nederland heeft binnengebracht en de samenstelling daarvan wisselend heeft verklaard.

Zo heeft hij op 13 december 2006 om 15:18 uur verklaard dat hij ongeveer 1.000.000 euro heeft binnengebracht (bijlage 5 van het dossier). Een bedrag van 300.000 euro zou van hem zelf zijn, 700.000 euro van zijn zakenpartner [hierna: getuige 5]. Het door hem ingebrachte bedrag van 300.000 euro bestond voor 130.000 euro uit een lening van de bank, 50.000 euro had hij geleend van zijn broer, 60.000 euro had hij geleend van een vrouw genaamd [betrokkene 1] die in Lagos woont en uit de opbrengst van de verkoop van oude trucks had hij nog eens 60.000 euro verkregen, aldus de verdachte in dat verhoor.

Om 16:45 uur heeft de verdachte verklaard dat het om circa 950.000 euro zou gaan (bijlage 3 dossier). Op 20 december 2006 heeft de verdachte verklaard dat het om 1,2 miljoen euro zou gaan (bijlage 6 dossier).

Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij ruim 1.000.000 euro bij zich had. Ten aanzien van de herkomst van het geld stelt hij dan dat hij een deel van de bank gehaald had. 30% van het geld zou van hem zelf zijn, 700.000 euro zou van [hierna: getuige 5] zijn. Voorts zou 50.000 euro van zijn broer zijn, 60.000 euro zou afkomstig zijn van de opbrengst van de verkoop van een truck en 60.000 euro zou van een vrouw zijn. De raadsman heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 gesteld dat de vrouw, genaamd [betrokkene 1] en de vrouw, genaamd [getuige 4] één en dezelfde persoon zouden zijn.

De verdachte heeft op geen enkele wijze onderbouwd, dat hij geld heeft geleend van zijn broer, en dat geld meegenomen heeft naar Nederland. Voorts zijn geen concrete gegevens van deze broer aan het hof verstrekt. Reeds om die reden wordt het verzoek van de verdachte om zijn broer op dit onderdeel van de tenlastelegging te horen als niet noodzakelijk van de hand gewezen.

Ten aanzien van het verzoek [getuige 4] te horen overweegt en beslist het hof als volgt.

De verdachte heeft bij de Kon. Marechaussee aanvankelijk verklaard dat hem een bedrag van

60.000 euro ter hand was gesteld (om op reis mee te nemen) door een vrouw, genaamd [betrokkene 1] uit Lagos. Later heeft hij zijn verklaring gewijzigd in die zin dat de naam van de desbetreffende vrouw [getuige 4] zou zijn geweest en dat zij uit Ifo, Ogun State, afkomstig zou zijn, terwijl het bedrag 50% hoger zou zijn geweest, namelijk 90.000 euro. Het hof constateert dat de verdachte zowel wisselend heeft verklaard over de naam en de woonplaats van degene die hem geld zou hebben geleend als over de hoogte van het bedrag dat door hem van de vrouw zou zijn geleend, derhalve over de essentialia van de overeenkomst van geldlening. Dat [betrokkene1] en [getuige 4] een en dezelfde persoon zou zijn, zoals eerst op de inhoudelijke zitting in hoger beroep aangevoerd, is niet onderbouwd en wordt door het hof onaannemelijk geacht, reeds omdat de verdachte twee verschillende woonplaatsen van deze vrouw heeft opgegeven. Het hof constateert ten overvloede dat de overeenkomst van geldlening is voorzien van een handtekening op naam van de verdachte [verdachte] die in het geheel geen overeenkomst vertoont met de handtekening op de paspoorten van de verdachte en evenmin met de handtekeningen die door hem onder de in deze zaak afgelegde verklaringen zijn geplaatst, alsmede dat het valutateken van het in de overeenkomst genoemde bedrag een bedrag in Engelse ponden en in letters een bedrag in euro's betreft.

Voorts constateert het hof dat niet is gesteld dat de desbetreffende koffer met de dubbele bodems, waarin het geld was verpakt, door de vrouw [betrokkene 1] uit Lagos, dan wel [getuige 4] uit Ifo, zou zijn ingepakt, en evenmin is gesteld, of anderszins aannemelijk geworden, dat deze vrouw, hoe zij ook moge zijn genaamd, daarbij aanwezig is geweest. Evenmin is gesteld dat deze vrouw wetenschap zou bezitten aangaande de vraag of het mede van haar afkomstige geld in de koffer is verstopt.

Gelet op het al hetgeen hiervoor is overwogen ontbreekt de noodzaak tot het horen van deze vrouw als getuige. Ook dit verzoek wordt mitsdien afgewezen.

V. Ten aanzien van [getuige 5]

De raadsman heeft betoogd dat, indien het hof tegenstrijdigheden aanwezig acht tussen de verklaring van de verdachte enerzijds en [getuige 5] anderzijds, dan wel indien het hof de verklaring van [getuige 5] innerlijk tegenstrijdig acht, het noodzakelijk is haar te horen en hij heeft zulks verzocht.

Het hof zal dit verzoek afwijzen, reeds omdat het hof van oordeel is dat onaannemelijk is dat [getuige 5] binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen. Het hof komt hiertoe, nu al op 25 januari 2008 door het hof is beslist dat [getuige 5] als getuige diende te worden gehoord. Vanaf dat moment tot heden, ruim drie en een half jaar later, zijn er diverse pogingen gedaan om [getuige 5], die woonachtig zou zijn in Nigeria, te horen. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om [getuige 5] naar Nederland af te laten reizen. De raadsman heeft op 19 maart 2009 ter zitting van het hof laten weten dat de getuige [getuige 5] niet in staat was om naar Nederland af te reizen om gezondheidsredenen, en dat zij bovendien bang was om naar Nederland te komen, omdat zij vreesde dat zij bij binnenkomst in Nederland gearresteerd zou worden. Vervolgens is opnieuw door het hof opdracht gegeven deze getuige te horen. Uit een proces-verbaal van 21 juni 2011 van de rechter-commissaris werkzaam in de rechtbank te Haarlem, die met de opdracht [getuige 5] te horen was belast, blijkt dat over een periode van maanden diverse pogingen in het werk zijn gesteld om recente adresgegevens van [getuige 5] te achterhalen. De rechter-commissaris is daarin niet geslaagd. Uit datzelfde proces-verbaal blijkt dat de Nigeriaanse autoriteiten er niet in zijn geslaagd om in contact te treden met de getuige [getuige 5], op vier verschillende adressen in Nigeria waar zij mogelijk zou verblijven. Wel heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat hij op 10 en 11 mei 2011 telefonisch contact heeft weten te leggen met [getuige 5]. Zij heeft toen echter laten weten dat haar gezondheidstoestand het niet toeliet om af te reizen naar Abuja (Nigeria) vanuit Lagos (Nigeria). De poging deze getuige in Nigeria te horen, bij wege van rogatoire commissie, is derhalve evenmin geslaagd en recente adresgegevens van [getuige 5] zijn tot op heden niet bekend.

Dit alles overziende en in aanmerking nemend dat het feit waarvan de verdachte wordt verdacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2006 – waarbij het tijdsverloop tot heden reeds het karakter draagt van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van strafzaken -, komt het hof tot het hiervoor al verwoorde oordeel dat redelijkerwijs niet te verwachten is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen worden gehoord. Dat oordeel wordt niet anders indien een dergelijk verhoor per telefoon zou geschieden zoals de raadsman heeft voorgesteld, nu dit laatste ook via een rechtshulpverzoek aan Nigeria zou moeten geschieden, terwijl de ervaring leert dat met de behandeling van een dergelijk verzoek een aanzienlijk tijdsverloop is gemoeid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 13 december 2006, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een geldbedrag van ongeveer 1.189.000 (zegge: 1 miljoen hondernegenentachtig duizend) euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich tenminste willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het geldbedrag van 1.189.900 euro dat hij voorhanden had - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf en dat het niet anders kan zijn dan dat het geld daadwerkelijk een criminele herkomst heeft, gelet op het navolgende.

1. De verdachte is woonachtig in Nigeria en heeft getracht een groot geldbedrag, te weten 1.189.900 euro via Schiphol uit te voeren naar Ghana. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit geldbedrag is aangetroffen in een koffer die de verdachte als ruimbagage heeft aangeboden toen hij Nederland op 13 december 2006 per vliegtuig wilde verlaten. Het geld lag verpakt in geordende stapels euro-bankbiljetten en bedekt met lagen carbonpapier, in de dubbele bodem van de beide kofferdeksels. Het hof is van oordeel dat de verdachte 1.189.900 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat vorenbedoeld geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. De verdachte is zonder mededeling daarvan te doen aan de bevoegde autoriteiten welbewust overgegaan tot het vervoeren van dit grote geldbedrag, verborgen in de dubbele bodems van een koffer.

2. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij een bedrag van 200.000 euro van het aangetroffen geldbedrag voorhanden heeft gehad zonder dat hij daarvan wist. De verdachte heeft aangevoerd dat hij er niet bij aanwezig was toen het geld door [getuige 5] en haar broer in de koffer werd gepakt en dat hij niet wist dat [getuige 5] er 200.000 euro extra in had gestopt. Het hof is van oordeel dat de verdachte door welbewust over te gaan tot het vervoer van een zeer groot geldbedrag, zonder bij het inpakken van de koffer door [getuige 5] en haar broer aanwezig te zijn en zonder voorafgaande aan de reis de inhoud van die koffer te controleren, zich mede willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat aan het aanzienlijke bedrag in papiergeld, dat naar hem, volgens zijn eigen verklaring, was medegedeeld in de dubbele bodems van de koffer zou worden verborgen nog een aantal andere bankbiljetten zou worden toegevoegd door [getuige 5] en/of haar broer, zoals naar verdachte heeft verklaard daadwerkelijk zou zijn geschied.

3. Het dossier bevat geen directe bewijsstukken op grond waarvan de criminele herkomst van dit geldbedrag is komen vast te staan, anders dan de verklaring van de verdachte en een schriftelijke verklaring van [getuige 5] die beide inhouden dat – kort gezegd- het geldbedrag door hen op de zwarte markt in Nigeria is gewisseld – anders dan door verdachte aanvankelijk is verklaard dat hij het geld bij een bankkantoor zou hebben gewisseld - en de verklaring van de verdachte dat dit bedrag niet is gemeld bij de uitvoer uit Nigeria, hetgeen (zoals hierna wordt toegelicht) illegaal is. De verdachte heeft het vervoeren van meergenoemd bedrag evenmin gemeld bij de douane in Nederland. Los daarvan bestaat op grond van de hoogte van het bedrag en de wijze waarop het werd vervoerd, zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, het vermoeden dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is geweest.

4. De stellingen van de verdachte die kort gezegd inhouden dat het geld dat hij bij zich had deels geleend was, deels gespaard en deels geïnvesteerd door zijn zakenpartner [getuige 5] en dat dit geldbedrag bedoeld was voor de aankoop van vrachtauto’s in Nederland, en dus wel een legale herkomst had, zijn onderzocht. De legale herkomst is niet aannemelijk geworden gelet op het navolgende.

5. De verdachte heeft wisselend verklaard over de hoogte, over de herkomst en over de bestemming van het geld.

6. Over de omvang van het geldbedrag heeft de verdachte bij zijn inverzekeringstelling op 13 december 2006 verklaard dat er ongeveer 950.000,- euro in zijn koffer zat (bijlage 3 dossier). Later diezelfde dag heeft hij verklaard dat het zou gaan om ongeveer 1 miljoen euro (bijlage 5 dossier). Op 20 december 2006 heeft de verdachte verklaard dat het zou gaan om 1,2 miljoen euro (bijlage 6 dossier).

7. Over de herkomst heeft de verdachte verklaard dat hij 30 % van het geld, zijnde 300.000 euro, heeft ingebracht en het gedeelte van [getuige 5] zou 700.000 euro bedragen. Met betrekking tot zijn eigen deel heeft de verdachte verklaard zoals reeds eerder vermeld. Voor de gestelde opname bij de bank van 130.000 euro is geen enkel bewijsstuk overgelegd, terwijl de verdachte op 20 december 2006 heeft verklaard wel bankafschriften te ontvangen (bijlage 6 dossier). Ten aanzien van de overeenkomst van geldlening van 60.000 euro van [betrokkene 1] dan wel [getuige 4] is weliswaar een stuk overgelegd, maar gelet op hetgeen het hof omtrent deze lening onder IV reeds heeft overwogen gaat het hof ervan uit dat niet aannemelijk is geworden dat een deel van het onder de verdachte aangetroffen bedrag van deze lening afkomstig is. Hetzelfde geldt voor de 50.000 euro die de verdachte in het kader van een lening van zijn broer zou hebben ontvangen en naar Nederland zou hebben meegenomen.

8. Met betrekking tot het gedeelte dat door [getuige 5] zou zijn ingebracht heeft de verdachte schriftelijke verklaringen van [getuige 5] overgelegd. In haar verklaring gedateerd 21 december 2006 staat dat zij 130 miljoen Naira (ongeveer 850.000 euro) aan de verdachte heeft gegeven voor de aankoop van een trailer. In de verklaring van 8 januari 2007 staat vermeld dat zij een bedrag van 700.000 euro in de koffer van de verdachte heeft gestopt. In de verklaring van 29 mei 2009 is vermeld dat zij een bedrag van 700.000 euro heeft geïnvesteerd, en dat zij daar later nog een bedrag van 200.000 euro aan heeft toegevoegd, zodat het totaal 900.000 euro zou belopen. Van het door haar beweerdelijk ingebrachte geld is geen relevant bewijsstuk, zoals een bankafschrift, overgelegd.

9. Over de bestemming van het geld heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard.

De verdachte heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om 20 vrachtauto’s te kopen. Op 13 december 2006 heeft de verdachte verklaard dat hij geen idee had wie de leverancier zou zijn van de trucks, [getuige 5] zou dat weten (proces-verbaal van verhoor, bijlage 5 dossier). Op 15 december 2006 heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij meerdere keren in Nederland auto’s heeft gekocht. Op 22 februari 2007 heeft de verdachte verklaard dat hij op internet had gekeken, dat hij Holland niet kende maar dat een zekere [betrokkene 2] hem zou rondleiden door Nederland. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij wel wist wie de leverancier was maar dat hij het te duur vond. [Betrokkene 2] zou met [getuige 5] naar een goedkopere leverancier gaan. “We zouden gaan rondrijden”, aldus de verdachte. Even later verklaart de verdachte dat [betrokkene 2] hem naar Rotterdam zou brengen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 verklaard dat hij in Nederland op internet op zoek zou gaan naar leveranciers. In Nederland wilde hij een auto huren en langs de door hem uitgezochte leveranciers gaan rijden.

In dit verband is voorts van belang dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om twintig vrachtauto’s à circa 40.000 euro te kopen. Bij de Koninklijke Marechaussee heeft de verdachte verklaard dat dit bedrag inclusief kosten van vervrachting was. De geschatte totale aankoopsom bedroeg derhalve ongeveer 800.000 euro. Tegenover opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee heeft de verdachte verklaard dat hij vrachtwagens in Nederland wilde kopen, maar dat hij niet wist wie de leverancier was, aangezien zijn zakenpartner [getuige 5], die wel wist wie de leverancier was, niet in staat was samen met de verdachte naar Nederland te komen (proces-verbaal PL278B/06-088717 van 13 december 2006, bijlage 5). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 verklaard dat, toen bleek dat [getuige 5] niet op korte termijn naar Nederland zou komen, hij zonder zaken te doen wilde terugkeren naar Nigeria en dat hij toen is aangehouden. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij ongeveer 2.000 euro heeft betaald voor het vliegticket ( genoemd proces-verbaal opgenomen als bijlage 5).

De verklaring van de verdachte dat het geld bestemd was voor de aanschaf van vrachtauto’s acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het volgende.

De verdachte is met een zeer grote som contant geld gaan reizen, verborgen in een koffer die is aangeboden als ruimbagage. Dit is een zeer riskante wijze van vervoer met een reëel risico van diefstal of verlies. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat – indien, zoals gesteld voor de aanschaf van vrachtauto’s een bedrag van (ongeveer) 800.000 euro was vereist – onder voormelde riskante omstandigheden een aanmerkelijk hoger bedrag zou worden getransporteerd, ook in het geval dat de verdachte ervan uitging dat de koffer (ongeveer) 1.000.000 euro bevatte.

De raadsman en de verdachte hebben aangevoerd dat girale betaling van de aan te schaffen vrachtauto’s onmogelijk dan wel zeer lastig was. De raadsman heeft aangevoerd dat er geen contact bestaat tussen de centrale banken van Nigeria en Nederland en de verdachte stelt dat het omslachtig en tijdrovend is een groot bedrag over te maken van Nigeria naar het buitenland, omdat per overboeking niet meer dan het equivalent van 5.000 US dollars kan worden overgemaakt. De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem, heeft op 10 mei 2011 de getuige [getuige 6], deputy director Legal services van de Central Bank of Nigeria gehoord. De getuige heeft verklaard dat alle Nigeriaanse banken geld kunnen overmaken naar West-Europese landen, dat bij de import en export van deviezen geen andere restricties gelden dan een aangifteplicht boven een waarde van 5.000 US dollars of een vergelijkbare waarde en dat er contacten kunnen bestaan tussen buitenlandse en Nigeriaanse banken buiten de centrale banken om. Op grond van deze verklaring acht het hof niet aannemelijk geworden dat een girale betaling onmogelijk dan wel om praktische redenen onwenselijk zou zijn geweest.

Voorts is onwaarschijnlijk dat de verdachte, eenmaal in Nederland aangekomen zonder [getuige 5], in onwetendheid is gebleven wie de leverancier van de vrachtauto’s was – waarover de verdachte ook zoals hiervoor uiteengezet zeer wisselend heeft verklaard- en na drie dagen onverrichter zaken zou zijn teruggekeerd naar Nigeria, gelet op de geïnvesteerde tijd en de gemaakte reiskosten en - wederom – de riskante wijze van transport gedurende zowel de heenreis van Nigeria naar Nederland als de terugreis via Ghana naar Nigeria van een zeer grote contante som geld.

10. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 verklaard dat het geld voor zijn vertrek naar Nederland op de zwarte markt in Nigeria is gewisseld van Nigeriaanse naira in euro en dat dat het door hem ingebrachte geld (omgerekend) 300.000 euro bedroeg. Tegenover opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee heeft de verdachte verklaard dat hij ongeveer 4.500.000 naira, dat is ongeveer 40.000 euro, aan schuld heeft en dat hij maandelijks ongeveer 3.500.000 naira, dat is ongeveer 28.000 euro, aan inkomsten heeft (proces-verbaal PL278B/06-088717 van 13 december 2006, bijlage 5).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij bij aankomst op Schiphol op 10 december 2010 naar de douane is gegaan om te melden dat hij het geld bij zich had, maar weer is vertrokken, toen hij niemand aantrof. Tegenover opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee heeft hij verklaard dat hij het geld niet heeft gemeld, omdat de douane hem niet stopte (proces-verbaal van 20 december 2006, bijlage 6).

De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem, heeft op 10 mei 2011 de getuige [getuige 6], deputy director Legal services van de Central Bank of Nigeria gehoord. De getuige heeft verklaard dat een bedrag boven 5.000 US dollars of vergelijkbare waarde dient te worden aangegeven voordat men uit Nigeria vertrekt, dat er een parallelmarkt voor wisseltransacties bestaat en dat alle wisseltransacties op de parallelmarkt illegaal zijn.

Indien wordt uitgegaan van voormelde mededeling van de verdachte betreffende zijn inkomen en schulden volgt dat de koers van 1 euro ongeveer 112,5-125 naira was toen het geld werd gewisseld. Dat betekent dat de verdachte minimaal, uitgaande van het aandeel van de verdachte in het geld in de koffer, een tegenwaarde van 300.000 euro, ongeveer 33.750.000 tot 37.500.000 naira, heeft gewisseld. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2011 verklaard dat de grootste coupure 1.000 naira is. Door de wisseltransactie heeft de verdachte een groot beslag op de illegale wisselmarkt gelegd. Dit is een – illegale- handeling geweest, die wederom een groot risico van diefstal of verlies met zich brengt. De verdachte heeft daarna een bedrag van meer dan 1 miljoen euro, verstopt in de dubbele bodems van een koffer naar Nederland vervoerd. Het hof gaat ervan uit dat de verklaring van de verdachte van 20 december 2006, inhoudende dat hij het geld niet heeft gemeld, omdat de douane hem niet stopte de waarheid behelst en hij dus niet de intentie had melding te doen. Voormelde verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij geen gelegenheid had aangifte te doen, acht het hof niet geloofwaardig. Immers, indien de verdachte wel aangifte had willen doen, had het voor de hand gelegen dat hij – zo de douanepost al onbemand was geweest - had gewacht op de terugkeer van een douanebeambe, nu de verdachte in dat geval het belang van het doen van aangifte had beseft en had gewacht op de terugkeer van een douanebeambte. Uit de omstandigheid dat de verdachte het geld op een illegale wijze heeft gewisseld, het verborgen in de dubbele bodems van een koffer buiten Nigeria heeft gebracht en het bij aankomst in Nederland niet heeft gemeld, leidt het hof af dat de verdachte, zoals hiervoor overwogen, ook in Nigeria de valuta-export niet aan de autoriteiten heeft gemeld.

11. Slotsom.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij op Schiphol in het bezit was van een bedrag van 1.189.900 euro aan contanten, verstopt in de dubbele bodems van een koffer. In aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte dit geld naar Schiphol heeft vervoerd, als hiervoor uiteengezet, kan het niet anders zijn dan dat het geld –onmiddellijk of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte minstgenomen het voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van geld met deze herkomst heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op: witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, met verbeurdverklaring van in beslag genomen geld en voorwerpen en onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregelen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van ongeveer 1.189.000 euro. Door een zo groot bedrag aan crimineel verkregen geld aan het zicht van de overheid te trachten te onttrekken, heeft hij een bijdrage trachten te leveren aan het geven van een legale status aan geld dat afkomstig is van criminaliteit opdat het geld in het officiële financiële en economische verkeer terecht zou komen, hetgeen unfair is ten opzichte van integere deelnemers aan het financiële en economische verkeer. .Daarnaast werkt het witwassen van crimineel geld het voortbestaan van verschillende vormen van criminaliteit in de hand. Het hof acht, gele top de ernst van het feit en de omvang van het bedrag, een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek in beginsel passend.

In de fase van hoger beroep heeft de strafvervolging van de verdachte niet plaatsgehad binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep is ingesteld op 11 april 2007 en het hof wijst 4 jaren en ruim 6 maanden later arrest. In deze termijnoverschrijding ziet het hof aanleiding in plaats van een in beginsel passend geachte gevangenisstraf van 42 maanden een gevangenisstraf van drie jaren op te leggen.

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven bankbiljetten begaan. Voorts is het ten laste gelegde en bewezen verklaarde met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven andere voorwerpen begaan of voorbereid. Deze bankbiljetten en andere voorwerpen behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom, mede gelet op het navolgende, worden verbeurd verklaard.

Niet ten laste gelegd is het voorhanden hebben door de verdachte van een – het ten laste gelegde te boven gaande - extra-bedrag van in totaal 1.860 euro, dat de verdachte eveneens bij zich had. Nu het verband met het bewezenverklaarde feit ten aanzien van een bedrag van 960 euro niet vaststaat, zal het hof de teruggave daarvan aan de verdachte bevelen. Het overige bedrag van 900 euro bevond zich eveneens in een dubbele bodem van de koffer die de verdachte met zich voerde, zodat ook dit bedrag verbeurdverklaard zal worden, nu het bewezen verklaarde ook met betrekking tot deze in beslag genomen en nog niet teruggegeven bankbiljetten is begaan.

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven koffer met dubbele bodem. Deze zal als voorwerp met behulp waarvan het feit is begaan verbeurd worden verklaard.

Eveneens verbeurd dienen te worden verklaard de navolgende aan verdachte toebehorende voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan, te weten:

- 1 vliegticket, KLM 107443274282632,

- 1 vliegticket, AIR IVOIRE .

- 2 vliegtickets, VIRGIN NIGERIA,

- 1 ticketvoucher, ROYAL AFRICA TR,

- 2 claimtags, KLM,

Aan de verdachte dienen te worden teruggegeven:

- 19 bankbiljetten van 50 euro (Subtotaal Euro 950)

- 2 bankbiljetten van 5 euro, (Subtotaal Euro 10)

[Totaal terug te geven aan verdachte een bedrag van Euro 960]

- 1 koffer, LOUIS VUITTON,

- 1 toilettas,

- 1 map,

- 2 enveloppen, kleur bruin,

- 1 enveloppe

- 1 eau de toilette, BULGARI,

- 1 eau de toilette, ISSEY MIYAKE,

- 1 eau de parfum, BULGARI,

- 1 eau de parfum, ISSEY MIYAKE,

- 1 eau de parfum, KENZO,

- 1 déodorant, CHRISTIAN DIOR,

- 1 eau de parfum, GIORGIO ARMANI,

- 1 vaporisateur ISSEY MIYAKI,

- 1 eau de parfum, DIOR,

- 1 telefoontoestel, kleur zilver, NOKIA, -

- 1 telefoontoestel, NOKIA 6310,

- 1 telefoontoestel, NOKIA 8800

- 20 simkaarten,

- kleding

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen is gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1306 bankbiljetten van 500 euro (subtotaal Euro 653.000),

- 119 bankbiljetten van 200 euro (subtotaal Euro 23.800),

- 1219 bankbiljetten van 100 euro (subtotaal Euro 121.900),

- 7744 bankbiljetten van 50 euro (subtotaal Euro 387.200),

- 200 bankbiljetten van 20 euro (subtotaal Euro 4.000),

[Totaal verbeurd verklaard een bedrag van Euro 1.189.900]

- 1 koffer met dubbele bodem, SAMSONITE,

- 1 vliegticket, KLM 107443274282632,

- 1 vliegticket, AIR IVOIRE,

- 2 vliegtickets, VIRGIN NIGERIA,

- 1 ticketvoucher, ROYAL AFRICA TR,

- 2 claimtags, KLM.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 19 bankbiljetten van 50 euro (Subtotaal Euro 950),

- 2 bankbiljetten van 5 euro, (Subtotaal Euro 10),

[ Totaal terug te geven aan verdachte een bedrag van Euro 960]

- 1 map,

- 2 enveloppen, kleur bruin,

- 1 enveloppe

- 1 koffer, LOUIS VUITTON,

- 1 toilettas,

- 1 eau de toilette, BULGARI,

- 1 eau de toilette, ISSEY MIYAKE,

- 1 eau de parfum, BULGARI,

- 1 eau de parfum, ISSEY MIYAKE,

- 1 eau de parfum, KENZO,

- 1 déodorant, CHRISTIAN DIOR,

- 1 eau de parfum, GIORGIO ARMANI,

- 1 vaporisateur ISSEY MIYAKI,

- 1 eau de parfum, DIOR,

- 1 telefoontoestel, kleur zilver, NOKIA,

- 1 telefoontoestel, NOKIA 6310,

- 1 telefoontoestel, NOKIA 8800,

- 20 simkaarten,

- kleding.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 oktober 2011.