Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2837

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
31-10-2011
Zaaknummer
23-000072-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BL5702, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Lijnzaad". Koffers met cocaine en koerier bereiken Schiphol, toch geen bewijs voor binnen het grondgebied van Nederland brengen in de betekenis van artikel 2, onder A, van de Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000072-10

datum uitspraak: 28 oktober 2011

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 24 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-800688-09 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1989],

adres: [adres], [plaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7, 9 en 10 december 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 19 mei, 10 oktober en 14 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

zij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 8.833,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2:

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2009 t/m 12 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Almere, in elk geval in Nederland en/of Natal (Brazilië) en/of Sao Paulo (Brazilië), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers is/zijn en/of heeft/hebben zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen:

- een ticket gekocht en/of gekregen en/of gegeven en/of geregeld van Nederland naar Brazilië en/of van Brazilië naar Nederland en/of

- geld ontvangen en/of gegeven ten behoeve van de aanschaf van een paspoort en/of een koffer en/of

- een of meer koffer(s) en/of (laptop)tas ontvangen en/of gegeven en/of laten geven en/of afgegeven en/of aangeschaft en/of

- naar en/of van de luchthaven Schiphol gebracht en/of opgehaald en/of

- verblijf in het hotel in Brazilië betaald (gekregen) en/of

- zakgeld ontvangen en/of gegeven en/of laten geven voor het verblijf in Brazilië en/of

- een mobiele telefoon en/of simkaart aangeschaft en/of laten aanschaffen in Brazilië en/of

- (telefonisch) instructies ontvangen en/of gekregen en/of gegeven en/of laten geven en/of

- (telefonisch) contacten onderhouden met een of meer mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot ten aanzien van het bewijs tot andere overwegingen en beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Onder feit 1 is aan de verdachte ten laste gelegd dat zij tezamen met een ander of anderen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Uit de stukken in het dossier en op grond van het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de verdachte en haar reisgenote, [medeverdachte 1], nadat zij in Brazilië in de aan hen aangeboden koffers en/of laptoptassen (hierna te noemen: “koffers”, aangezien de laptoptassen eveneens in koffers zijn vervoerd) de aanwezigheid van cocaïne vaststelden, die koffers niettemin met het oog op het transport naar Nederland op de luchthaven in Brazilië als bagage hebben afgegeven, terwijl vast is komen te staan dat zowel de verdachte als die koffers het grondgebied van Nederland hebben bereikt.

Daarmee is evenwel niet gegeven dat de in die koffers geborgen cocaïne door haar en haar reisgenote binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Vast is komen te staan dat de verdachte, samen met [medeverdachte 1], voor vertrek naar Nederland vanuit Brazilië contact heeft opgenomen met haar moeder in Nederland en haar vervolgens heeft uitgelegd wat er aldaar gaande was. De moeder van de verdachte heeft hierop -gelijk de verdachte wist- (samen met een tante van de verdachte) de Koninklijke Marechaussee (KMar) benaderd en ingelicht over de ontstane situatie.

De verdachte en haar reisgenote [medeverdachte 1] hebben ieder voor zich verklaard -kort gezegd- dat zij niettemin hebben besloten de koffers (waarin die cocaïne was geborgen) als bagage aan te bieden met het oog op het vervoer daarvan met (eind)bestemming Nederland, omdat er naar hun inzicht geen gelegenheid was om zich op een veilige manier nog in Brazilië van de cocaïne te ontdoen.

Vaststaat dat zij zich vervolgens gedurende de vlucht van Brazilië naar Nederland, na een tussenlanding op het Spaanse eiland Gran Canaria (Las Palmas) bij bemanningsleden van de KLM hebben gemeld en hebben aangegeven dat hun als ruimbagage aanwezige koffers drugs bevatten en dat zij zich gedwongen hebben gevoeld deze koffers mee naar Nederland te nemen. Door de gezagvoerder is deze informatie vervolgens doorgegeven aan de KMar. Het vliegtuig is doorgevlogen naar Nederland en is geland te Schiphol, alwaar de koffers met daarin de cocaïne in beslag zijn genomen.

Het hof is gelet op de vorenweergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat weliswaar de cocaïne het grondgebied van Nederland heeft bereikt, doch dat geen sprake is van het binnen het grondgebied van Nederland brengen door de verdachte in de zin van artikel 2, onder A, van de Opiumwet.

Immers, direct na het opstijgen van het vliegtuig in Gran Canaria (Spanje) en derhalve ruimschoots voordat het vliegtuig met de daarin vervoerde koffers het grondgebied van Nederland had bereikt, hebben de verdachte en haar reisgenote [medeverdachte 1] zich eigener beweging en in de vorenweergegeven zin gemeld bij de bemanning. Het is louter door de wijze van het vervoer van de koffers -uit handen gegeven als ruimbagage in het vliegtuig en daardoor aan de fysieke invloedssfeer van de verdachte en haar reisgenote onttrokken- dat zij zich niet feitelijk van de koffer met cocaïne meer kon(den) ontdoen, met gevolg dat zij niet meer kon(den) verhinderen dat niet alleen zijzelf, maar ook die cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou worden gebracht. Gelet daarop, en bezien in het licht van hun eerdere gedragingen voorafgaand aan de vlucht naar Nederland (erop neerkomend dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1] de moeder van de verdachte hadden ingelicht over de ontstane situatie, en vervolgens verkerend in de wetenschap dat door die moeder c.s. de Kmar van hun aankomst was verwittigd) dient de melding door de verdachte en haar medeverdachte aan de bemanning van het vliegtuig van het onderhavige cocaïnetransport op één lijn te worden gesteld met het zich tijdig (te weten: voordat het grondgebied van Nederland werd bereikt) ontdoen van de verboden inhoud van de door ieder van hen ter vervoer aangeboden koffers. Door zich te melden bij de bemanning als hiervoor weergegeven hebben de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] op dat moment afstand gedaan van de cocaïne in hun bagage door hun zeggenschap daarover ten overstaan van de autoriteiten volkomen prijs te geven. Deze onthulling, voorafgaand aan de voltooiing van het delict, dient in het onderhavige geval op één lijn te worden gesteld met het niet verrichten van de strafbare gedraging.

Aan het voorgaande doet in het onderhavige geval niet af, dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte 1] ieder hun koffers als ruimbagage hebben afgegeven en zij als passagiers aan boord van het vliegtuig zijn gegaan, met gevolg dat ieder van hen zich daardoor zelf in de onmogelijkheid heeft gebracht zich feitelijk van (de cocaïne in) die koffers te ontdoen. Immers, die handelingen leveren, gelet op de omschrijving en de betekenis van het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet omschreven delict op zichzelf nog niet de voltooiing van dat delict van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in Nederland op.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. De door de raadsman op het ontbreken van de strafbaarheid van de verdachte toegespitste verweren behoeven derhalve geen beoordeling en beslissing.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 2:

zij in de periode van 1 april 2009 t/m 12 mei 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Almere en Natal (Brazilië) en Sao Paulo (Brazilië), tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, en haar mededaders wisten of ernstig redenen hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit

immers is/heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s):

- een ticket gekregen of gegeven van Nederland naar Brazilië en van Brazilië naar Nederland en

- koffer(s) en/of (laptop)tas ontvangen en/of gegeven en

- naar de luchthaven Schiphol gebracht en

- verblijf in het hotel in Brazilië betaald (gekregen) en

- zakgeld ontvangen of gegeven voor het verblijf in Brazilië en

- een mobiele telefoon en/of simkaart aangeschaft of laten aanschaffen in Brazilië en

- (telefonisch) contacten onderhouden met mededaders.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Onder feit 2 is aan de verdachte het medeplegen van voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne ten laste gelegd. Dit verwijt betreft gedragingen, verricht gedurende de periode voorafgaand aan de terugreis van Brazilië naar Nederland.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt nu zij hierop in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Het hof overweegt hiertoe, dat de verdachte met de door haar verrichte handelingen zoals daarvan blijkt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, te weten het ontvangen van een door een ander betaald vliegticket, het met het oog op vertrek gebracht worden naar een luchthaven, het met het oog op het verblijf ontvangen van zakgeld, het in Nederland ontvangen van een koffer en het in Brazilië telefonisch contact onderhouden met één of meer mededaders, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zich daarmee schuldig zou maken aan het voorbereiden of bevorderen van de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland. Daarbij acht het hof van belang dat uit die bewijsmiddelen volgt, dat de verdachte door een voor haar onbekende man in een uitgaansgelegenheid een volledig betaalde vakantie naar Brazilië kreeg aangeboden om -in de woorden van de verdachte- “de partner te spelen” van iemand die aldaar documenten moest ophalen. Naast de vakantie stond hier ook nog een financiële beloning tegenover.

Het hof overweegt, dat het in de rede had gelegen dat de verdachte na het krijgen van een dergelijk aanbod vergaand had doorgevraagd over het doel van de reis en de aard van documenten om zich ervan te vergewissen dat het niet om strafbare handelingen ging. Dit temeer, omdat achtereenvolgens de verdachte heeft verklaard dat zij in het begin ook al een slecht gevoel had over de reis, zij door haar moeder was gewaarschuwd voor de reis en zij de mogelijkheid dat het om drugs zou gaan onder ogen heeft gezien. Nu de verdachte, zoals zij ook heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep, heeft nagelaten nader en meer vergaand onderzoek te doen naar de aard en het doel van de reis, als ook naar de betekenis van de van haar verwachte bijdrage daaraan, heeft zij door het verrichten van de hiervoor genoemde handelingen, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het daarbij ging om voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Aan dit oordeel doet niet af dat de verdachte op een later moment ervoor heeft gekozen te handelen als hiervoor is weergegeven onder het kopje vrijspraak.

Het onder feit 2 ten laste gelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden te hebben, waarvan zij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder feit 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 85 dagen met aftrek van voorarrest. Voor het onder 1 ten laste gelegde is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 95 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de in beslag genomen computer (laptop) verbeurd zal worden verklaard.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een cocaïnetransport vanuit Brazilië naar Nederland.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof waaraan gebruikers gemakkelijk verslaafd raken met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien, zoals het begaan van strafbare feiten die gepleegd worden om aan geld te komen voor de aanschaf van cocaïne. Voorts gaat de (groot)handel in cocaïne veelal gepaard met ook andere vormen van criminaliteit. De grensoverschrijdende handel in verdovende middelen leidt bovendien, reeds gelet op de geldbedragen die daarmee gemoeid zijn, zowel in de invoer- als in de uitvoerlanden tot maatschappelijke problemen.

De verdachte heeft kennelijk gehandeld uit persoonlijk winstbejag zonder zich iets gelegen te laten liggen aan deze gevolgen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 september 2011 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Namens de verdachte is bepleit dat bestraffing van de verdachte als onrechtvaardig kan worden ervaren. De verdachte verdient, gelet op de door haar gegeven opening van zaken, geen straf (maar respect), aldus de raadsman.

Het hof kan de raadsman hierin niet volgen. De ernst van het bewezen geachte misdrijf is zeer aanzienlijk, gelijk het hof hiervoor heeft overwogen. Het is op goede gronden dat namens de verdachte aandacht is gevraagd voor de gevolgen van de door haar op zeker moment gemaakte keuze voor het inlichten van de autoriteiten over haar eigen gedragingen en nadien over gedragingen van haar medeverdachten. Het hof heeft onder ogen gezien dat daardoor het resultaat van het onder de noemer “Lijnzaad” gehouden opsporingsonderzoek zal zijn versterkt. Echter, met de gevolgen van het aldus terugkeren op eigen schreden en het in enige mate geven van opening van zaken is de ernst van het ten laste van de verdachte bewezen geachte misdrijf geenszins verbleekt.

Het hof acht in beginsel, alles afwegende, een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Nu het opleggen van die straf – gelet op de in voorarrest doorgebrachte tijd – zou betekenen dat de verdachte nog enige dagen in detentie moet verblijven, hetgeen het hof op grond van hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte niet wenselijk acht, zal het hof die gevangenisstraf in dagen opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de periode welke reeds in voorarrest is doorgebracht.

Ten aanzien van het beslag

Het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 95 (vijfennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

26. 1.00 STK Laptop computer PACKARD BELL QUA-K1 101655950136

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. R. Veldhuisen en mr. R.P.P. Hoekstra, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 oktober 2011. Mr. R.M. Steinhaus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.