Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2079

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.085.165/01 GDW en 200.086.352/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster heeft in haar klaagschrift in eerste aanleg een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ingediend. Deze klacht valt in 12 klachtonderdelen uiteen. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer en verklaart de klacht in al zijn 12 onderdelen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 18 oktober 2011,

in de zaak onder nummer 200.085.165/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

APPELLANT,

tegen

[klaagster],

wonende te [ ],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: [H],

en tevens in de zaak onder nummer 200.086.352/01 GDW van:

[klaagster],

wonende te [ ],

APPELLANTE,

gemachtigde: [H],

tegen

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van de eerste appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 7 april 2011 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 22 maart 2011, verzonden op 29 maart 2011 aan de gerechtsdeurwaarder en de eerste geïntimeerde, verder te noemen klaagster. Klaagster heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie ontvangen op 11 mei 2011.

1.2. Van de zijde van klaagster is bij een op 25 april 2011 ter griffie ingekomen verzoekschrift eveneens hoger beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van de kamer. De gerechtsdeurwaarder heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie ontvangen op 9 juni 2011.

1.3. Bij de beslissing van 22 maart 2011 heeft de kamer het verzet van klaagster tegen de eerdere beschikking van de voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter) van 15 juni 2010, waarbij de voorzitter de klacht van klaagster tegen de gerechtsdeurwaarder, als kennelijk niet-ontvankelijk heeft afgewezen, gegrond verklaard en de klacht van klaagster alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd.

1.4. De zaken zijn gezamenlijk behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 september 2011. Klaagster, haar gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Zij hebben allen het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. Het hof heeft tevens acht geslagen op de brief met bijlagen van 26 juni 2011 van klaagster.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar wat de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster heeft in haar klaagschrift in eerste aanleg een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ingediend. Deze klacht valt in de hierna volgende klachtonderdelen uiteen. De gerechtsdeurwaarder heeft:

1. te weinig bij de notaris (als derdebeslagene) geïncasseerd;

2. geen rente geïncasseerd over het bij de notaris beslagen bedrag;

3. zich onvoldoende ingespannen om te bewerkstelligen dat de notaris de derdenverklaring tijdig zou afleggen;

4. kosten van beslaglegging op een onroerende zaak niet verhaald op de wederpartij;

5. een bedrag van € 3.907,75 aan proceskosten niet in zijn eindafrekening aan klaagster meegenomen;

6. geen rente vergoed over een bedrag van € 1.729,55;

7. beslag gelegd op een onroerende zaak ([adres 1]) die niet aan de wederpartij toebehoorde, maar aan een ander, en de kosten hiervan wel aan klaagster in rekening gebracht;

8. ten onrechte kosten berekend voor het onder 7. bedoelde beslag, terwijl dat beslag niet is ingeschreven;

9. geen rente geïncasseerd over een bedrag van € 9.016,-, als proceskosten toegewezen door het gerechtshof Arnhem;

10. ten onrechte een bedrag van € 6.750,- tweemaal aan klaagster in mindering gebracht op de afrekening;

11. onduidelijke rekeningen opgesteld;

12. klaagster slecht geïnformeerd over de voortgang van de zaak.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van klaagster voor een deel erkend, maar voor een groot deel betwist en gemotiveerd weersproken. Een en ander zal hierna bij de beoordeling aan de orde komen.

6. De beoordeling

6.1. Allereerst wordt vastgesteld dat [H], de zoon van klaagster, zelf geen rechtstreeks belang heeft in deze tuchtprocedure. Voor zover de klacht door hem is ingediend, is hij daarin niet-ontvankelijk. Ter zitting heeft hij echter verklaard als gemachtigde van zijn moeder op te treden. Het hof beschouwt klaagster wel als rechtstreeks belanghebbende. In zoverre is de klacht dan ook ontvankelijk.

6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft op verzoek van de advocaat van klaagster op 8 februari 2008 een executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris. Er zou bij die notaris een depot gesteld zijn van € 40.000,-. Het beslag is gelegd op de vorderingen die de wederpartij van klaagster, [X], op de notaris had. De notaris diende een buitengerechtelijke verklaring af te leggen of er vorderingen onder het beslag vielen. Anders dan waarvan klaagster uitgaat, bepaalt art. 476a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder Rv., niet dat deze verklaring binnen vier weken moet worden afgelegd, maar ná vier weken (“zodra vier weken zijn verstreken”). Als na vier weken geen verklaring wordt afgelegd, dient de gerechtsdeurwaarder de derde in gebreke te stellen en de derde alsnog een termijn te gunnen om de verklaring af te leggen. Klaagster heeft gelijk dat de gerechtsdeurwaarder niet onmiddellijk na het verstrijken van de termijn, op 10 maart 2008, de notaris (schriftelijk) in gebreke heeft gesteld. Daar staat tegenover dat er door de gerechtsdeurwaarder wel op 4 maart 2008 en 10 maart 2008 telefonisch bij de notaris is gerappelleerd en dat de buitengerechtelijke verklaring op 15 april 2008 werd ontvangen. De notaris heeft daarin verklaard niets aan [X] verschuldigd te zijn, met andere woorden: het beslag had geen doel getroffen. Het is vervolgens aan de beslaglegger om de buitengerechtelijke verklaring inhoudelijk te beoordelen. Als de opdracht tot beslaglegging rechtstreeks aan de gerechtsdeurwaarder is gegeven, dient de gerechtsdeurwaarder de verklaring te beoordelen. Als er, zoals in dit geval, een gemachtigde is ingeschakeld die de gerechtsdeurwaarder de opdracht tot beslaglegging heeft gegeven, dient de gerechtsdeurwaarder de verklaring aan die gemachtigde door te sturen om de verklaring door deze gemachtigde te laten beoordelen. Dat is hier ook gebeurd. De gerechtsdeurwaarder heeft de buitengerechtelijke verklaring op de dag van ontvangst ervan, 15 april 2008, direct doorgezonden naar de advocaat van klaagster, mr. A.J. de Bie. Uit de overgelegde stukken blijkt dat deze zich niet met de inhoud van de verklaring kon verenigen en mr. De Bie heeft dat standpunt in een brief van 17 april 2008 aan de notaris meegedeeld.

6.3. Uiteindelijk is door de notaris een bedrag van € 39.165,84 afgedragen van het depot van € 40.000,-. De notaris heeft daarbij aangegeven een bedrag van € 834,16 met de vordering van [X] op hem te hebben verrekend. Of dit correct is of dat de notaris hier een fout heeft gemaakt staat niet ter beoordeling van het hof, dat in deze zaak over het handelen van de gerechtsdeurwaarder oordeelt. Indien klaagster het niet met de afdracht eens was, was dat een kwestie tussen haar als beslaglegster en de notaris als derdenbeslagene, die – uiteindelijk – door de executierechter dient te worden beslist, als partijen er zelf niet uitkomen. De gerechtsdeurwaarder staat daarbuiten. De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn daarom ongegrond.

6.4. Klaagster en de gerechtsdeurwaarder hebben de afrekeningen van 29 juli 2008 in het geding gebracht, die betrekking hadden op de executie van het vonnis van de rechtbank (dossier [Y]) en het arrest van het hof Arnhem (dossier [Z]). Tevens zijn van beide zijden de onderliggende stukken overgelegd. Daaruit blijkt dat de gerechtsdeurwaarder onder meer in elk dossier beslag heeft gelegd op de onroerende zaak [adres 2]. Op elk van beide afrekeningen is daarom eenmaal een proces-verbaal “beslag onroerend goed” opgevoerd. Uit de afrekeningen blijkt tevens dat de kosten van de beslagleggingen zijn geïncasseerd door de gerechtsdeurwaarder. Dat geschiedde door middel van voldoening door de wederpartij van klaagster, [X], via de opbrengst van de verkoop van de woning (€ 197.491,62) en de gelegde beslagen (waaronder de afdracht door de notaris van € 39.165,84). Klachtonderdeel 4 is daarom ongegrond.

6.5. Ingevolge artikel 7 van de Administratieverordening gerechtsdeurwaarders dient een gerechtsdeurwaarder bij zijn afrekening duidelijk te maken op welke wijze hij zijn eigen kosten met het uit te keren bedrag verrekent. Dat heeft de gerechtsdeurwaarder gedaan in zijn afrekeningen aan mr. De Bie. Aan de rechterzijde heeft de gerechtsdeurwaarder eerst aangegeven welke kosten hij heeft gemaakt en welke kosten hij voor zijn opdrachtgever bij de wederpartij heeft geïncasseerd. Daaronder worden deze kosten nogmaals vermeld, met een uitsplitsing van de verschuldigde btw en afgetrokken van wat de gerechtsdeurwaarder aan de opdrachtgever zal afdragen. Als dat laatste niet zou gebeuren, zou de opdrachtgever immers niet alleen de hem toekomende hoofdsom en rente, maar ook nog eens de aan de gerechtsdeurwaarder toekomende kosten ontvangen. Klachtonderdeel 11 is dus ongegrond.

6.6. In de zaak met dossiernummer [Z] (het arrest van het hof) heeft de gerechtsdeurwaarder op 14 februari 2008 het door de wederpartij verschuldigde bedrag van € 9.016,- ontvangen. Op dat moment was ook de zaak met dossiernummer [Y] (het vonnis van de rechtbank) bij de gerechtsdeurwaarder in behandeling. Dat was eveneens een zaak van klaagster, bij de gerechtsdeurwaarder aanhangig gemaakt door dezelfde opdrachtgever, mr. De Bie. De gerechtsdeurwaarder heeft in eerste aanleg bij de kamer betoogd dat hij in die andere zaak kosten had gemaakt, die niet waren voorgeschoten door zijn opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder heeft op 1 maart 2008 een tussentijdse afdracht van € 6.750,- gedaan, waarna voor klager een positief saldo resteerde van minder dan € 500,-. Dat is in hoger beroep niet betwist door klager, zodat het hof daarvan ook uitgaat. In dossier [Y] werd op 11 juli 2008 door de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 39.165,84 via de notaris ontvangen. Op 15 juli 2008 werd daarvan een bedrag van € 30.000,- tussentijds aan zijn opdrachtgever afgedragen. Vervolgens werd de eindafrekening in beide dossiers opgemaakt en op 29 juli 2008 werd het restant verschuldigde van € 1.729,55 respectievelijk € 7.767,10 afgedragen. (In de afrekening van dossier [Y] was overigens een bedrag van € 39.420,23 aan gereserveerde rente voor klaagster opgenomen). Op deze wijze heeft de gerechtsdeurwaarder de bepalingen van de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders niet geschonden en klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.

6.7. Het is juist dat de gerechtsdeurwaarder ook beslag heeft gelegd op de onroerende zaak [adres 1]. Uit de door klaagster zelf overgelegde stukken bij haar brief van 26 juni 2011 blijkt dat het beslag is gelegd op 23 januari 2008 en dat het vervolgens op 28 januari 2008 is doorgehaald. Klachtonderdeel 8 is dus ongegrond.

Uit de hiervoor besproken twee afrekeningen blijkt dat de gerechtsdeurwaarder behalve de twee beslagen op de onroerende zaak [adres 2] geen kosten voor nog een ander beslag op een onroerende zaak aan klaagster heeft berekend. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder dat hij die kosten voor eigen rekening heeft genomen en niet aan klaagster heeft berekend, is dus juist en klachtonderdeel 7 is daarom ook ongegrond.

6.8. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat een van zijn medewerkers een fout heeft gemaakt bij het in zijn systeem invoeren van het door de wederpartij aan klaagster verschuldigde. Daarom heeft hij op een bepaald moment de zaak afgerekend, omdat hij dacht dat alles was voldaan door de wederpartij, terwijl feitelijk nog niet alles was geïncasseerd. Er was namelijk nog een aan klaagster in de procedure bij de rechtbank in reconventie toegewezen bedrag aan proceskosten van € 3.907,75 verschuldigd.

Door de indiening van de onderhavige klacht en de onderbouwing door klaagster daarvan, is deze fout ook aan de gerechtsdeurwaarder duidelijk geworden. Na overleg met zijn opdrachtgever, de advocaat van klaagster, mr. De Bie, heeft de gerechtsdeurwaarder de wederpartij alsnog tot betaling aangeschreven. Vervolgens heeft de gerechtsdeurwaarder na het opnieuw nemen van executiemaatregelen het verschuldigde voor klaagster geïncasseerd en afgedragen. Het is vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie dat het enkele maken van een fout of een vergissing nog niet betekent dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Of een vergissing of fout tuchtrechtelijk laakbaar is, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld in het geval van grove onzorgvuldigheden of bij handelen tegen beter weten in. Naar het oordeel van het hof doen dergelijke bijzondere omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voor. Klachtonderdeel 5 is daarom ongegrond.

6.9. Wat in 6.8. is overwogen geldt ook voor klachtonderdeel 10. De gerechtsdeurwaarder heeft ook deze fout erkend, maar daarbij heeft de gerechtsdeurwaarder aangetoond dat de gemaakte fout een gevolg is van de inlichtingen van zijn opdrachtgever, de gemachtigde van klaagster. Ook hier is het desbetreffende bedrag van € 6.750,- alsnog door de gerechtsdeurwaarder voor klaagster geïncasseerd en afgedragen.

6.10. In zijn arrest van 23 oktober 2007 heeft het gerechtshof Arnhem de wederpartij van klaagster, [X], veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 9.016,- aan proceskosten. Het hof heeft daarbij niet bepaald dat [X] daarover ook rente verschuldigd was. Het was de gerechtsdeurwaarder daarom ook niet toegestaan om bij de executie van dat arrest aan [X] rente in rekening te brengen. Klachtonderdeel 9 is dus ook ongegrond.

6.11. Zoals hiervoor is overwogen, is de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder gegeven door de gemachtigde van klaagster, mr. De Bie. Dat is dan ook degene, aan wie de gerechtsdeurwaarder verantwoording dient af te leggen over de voortgang van de zaak. Dat heeft hij gedaan en niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder daarbij in gebreke is gebleven. Dat de gerechtsdeurwaarder daarnaast – kennelijk fatsoenshalve – ook nog afzonderlijk heeft gereageerd op berichten, die klaagster rechtstreeks aan hem verzond, maakt niet dat hij ook klaagster telkens diende te informeren over de voortgang van de zaak. Ook klachtonderdeel 12 is daarom ongegrond.

6.12. De beschikking van de kamer kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer;

- verklaart de klacht in al zijn 12 onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, M.W.E Koopmann en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 oktober 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 22 maart 2011 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet met nummer 471.2010 ingesteld door:

[ ] w/v van [ ] en [ ],

wonende te [ ],

klagers,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 15 juni 2010 (zaaknummer 203.2010) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klagers tegen beklaagde ingediende klacht. Bij brief van 22 juni 2010 is klagers een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 27 juni 2010 hebben klagers tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011, alwaar partijen zijn verschenen. Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 22 maart 2010.

2. De gronden van het verzet

In verzet hebben klagers samengevat aangevoerd dat zij het niet eens zijn met de beslissing van de voorzitter, omdat deze ten onrechte heeft geoordeeld dat de klacht niet-ontvankelijk is.

3. De ontvankelijkheid van het verzet.

Klagers hebben het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4. De inleidende klacht

4.1 Een door klaagster ingeschakelde advocaat heeft de gerechtsdeurwaarder de executie opgedragen van een vonnis van 31 augustus 2005 en een arrest van 23 oktober 2007. Klaagster heeft op 25 augustus 2006 een perceel grond geleverd aan haar tegenpartij. Deze heeft op dezelfde dag ten laste van klaagster conservatoir beslag gelegd voor een bedrag van € 210.000,00 onder de figurerende notaris. Op 8 februari 2010 bevond zich nog een bedrag van € 40.000 in depot bij die notaris. In opdracht van klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder op 8 februari 2010 op dit bedrag beslag gelegd. De notaris heeft bij de afdracht van dit bedrag aan de gerechtdeurwaarder € 834,16 ingehouden voor zijn kosten. Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarder – kort samengevat en in hoofdzaak – dat deze:

1. te weinig bij de notaris als derde beslagene heeft geïncasseerd. De gerechtsdeurwaarder had de inhouding door de notaris niet mogen accepteren;

2. geen rente heeft geïncasseerd bij de notaris over het onder het beslag gebracht bedrag;

3. zich onvoldoende heeft ingespannen te bewerkstelligen dat de notaris de derdenverklaring tijdig zou afleggen;

4. de kosten van beslaglegging op een onroerende zaak niet heeft verhaald bij de tegenpartij;

5. een bedrag van € 3.907,75 aan proceskosten niet in zijn eindafrekening heeft meegenomen;

6. over een bedrag van € 1.729,55 geen rente heeft vergoed;

7. op een verkeerd object beslag heeft gelegd. De kosten daarvan zijn klaagster ten onrechte in rekening gebracht;

8. in navolging hiervan ten onrechte kosten heeft berekend terwijl dit beslag op de Zandkampen 6 niet is ingeschreven;

9. over een bedrag van € 9.097 geen rente heeft geïncasseerd;

10. ten onrechte op zijn afrekening tweemaal een bedrag van € 6.750 in mindering heeft gebracht;

11. onduidelijke rekeningen heeft opgesteld;

12. slecht heeft geïnformeerd over de voortgang van de zaak.

5. De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder niet in strijd heeft gehandeld met de tuchtrechtelijke norm. De voorzitter is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 De Kamer acht klagers ontvankelijk in hun klacht. Zij hebben daarbij voldoende belang, klaagster als indirect opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder en klager als de zoon en belangenbehartiger van zijn moeder. Het verzet is daarom gegrond.

6.2 De Kamer komt vervolgens toe aan de behandeling van de klacht. De gerechtsdeurwaarder heeft alle onderdelen van de klacht weersproken behoudens de onderdelen 5 en 10. Daar is sprake geweest van omissies die hij zal herstellen.

6.3 De Kamer is van oordeel dat klacht alsnog gegrond dient te worden verklaard ten aanzien van onderdeel 5 nu vast staat dat de gerechtsdeurwaarder het bedoelde bedrag niet heeft geïncasseerd. De onderdelen 1 en 2 zijn ongegrond. Het gaat erom dat de gerechtsdeurwaarder alle volgens een hem ter hand gestelde en te executeren titel verschuldigde bedragen incasseert. Via welke beslaglegging die incasso tot voltooiing komt, is daarbij over het algemeen niet van belang. De berekening van verschuldigde rente vindt plaats naar de regelen van de wet en niet via de incasso van deelbetalingen, al hebben die wel invloed op die berekening.

Ten aanzien van onderdeel 3 is niet zorgvuldig gehandeld. De gerechtsdeurwaarder had eerder moeten rappelleren. Met betrekking tot de kosten van onderdeel 4 hebben klagers niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten voor rekening van klaagster zijn gebracht.

Ten aanzien van onderdeel 6 is aannemelijk gemaakt door de gerechtsdeurwaarder dat het saldo op zijn derdengeldenrekening onder de € 500,00 is gebleven, zodat geen rente conform de Regeling rente bijzondere rekeningen gerechtsdeurwaarders is verschuldigd.

Ten aanzien van de onderdelen 7 en 8 hebben is niet aannemelijk gemaakt dat beslagkosten in rekening zijn gebracht.

Ten aanzien van onderdeel 9 heeft de gerechtsdeurwaarder terecht aangevoerd dat er geen rente wordt toegewezen over de proceskosten.

Ten aanzien van onderdeel 10 is de Kamer van oordeel dat de gang van zaken ongelukkig is geweest, maar dat niet is gebleken dat dit de gerechtsdeurwaarder aan te rekenen valt. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder betoogd dat hij de executie op dat onderdeel weer zal oppakken.

Ten aanzien van onderdeel 11 is, behoudens hetgeen hiervoor met betrekking tot onderdeel 10 is overwogen, niet van enige onduidelijkheid gebleken.

Ten aanzien van onderdeel 12 is de Kamer niet gebleken van onvoldoende informatie zijdens de gerechtsdeurwaarder, wiens opdrachtgever immers primair de advocaat van klaagster was.

Resumerend is de Kamer van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder ten aanzien van onderdeel 3 een ernstige fout heeft gemaakt en de Kamer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de gerechtsdeurwaarder onvoldoende aandacht aan de klachten van klagers heeft besteed en dat mede daardoor een bedrag van € 3.907,75 aan proceskosten in reconventie nog niet is geïncasseerd (onderdeel 5). Ook ten aanzien van dit laatste bedrag heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting verklaard dat hij de incasso daarvan ter hand zal nemen.

6.4 De Kamer is van oordeel dat er aanleiding bestaat tot opleggen van na te noemen maatregel.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de beslissing van de voorzitter;

- verklaart de klacht alsnog gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. G.H.I.J. Hage, plaatsvervangend-voorzitter, mr. H.M. Patijn en M.J.-M.L. Baudoin (plaatsvervangende) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.