Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2058

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.076.890/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster verwijt de notaris dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater klachtwaardig heeft gehandeld, omdat hij zijn ambt niet onafhankelijk heeft uitgeoefend en de belangen van alle bij de behandeling van de nalatenschap betrokken partijen niet op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behartigd. Volgens klaagster was erflater ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet meer compos mentis, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zijn tweede echtgenote 23 jaar jonger was dan hij. De notaris had een nader onderzoek naar de rechtsgeldigheid van het huwelijk moeten instellen. Het is het hof noch uit de stukken van het geding, noch uit het behandelde ter terechtzitting gebleken dat de notaris met zijn handelwijze de schijn heeft gewekt niet onafhankelijk of onpartijdig zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de notaris dan ook niet gehandeld in strijd met de zorgplicht die op een goed handelend notaris rust. Het hof bevestigt de bestreden beslissing van de kamer van toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 11 oktober 2011 in de zaak onder nummer 200.076.890/01 NOT van:

[klaagster],

wonende te [ ],

APPELLANTE,

gemachtigde: prof.dr.ir. A.F.P. van Putten,

t e g e n

[de notaris],

notaris te [ ],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 10 november 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met één bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht, verder de kamer, van 26 oktober 2010, waarbij klaagster in haar klacht tegen geïntimeerde, verder de notaris, door de kamer deels niet-ontvankelijk is verklaard en de kamer de klacht voor het overige ongegrond heeft verklaard.

1.2. Van de zijde van klaagster is op 24 december 2010 een aanvulling op het verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de notaris is op 11 januari 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Ter griffie van het hof is op 1 maart 2011 van de zijde van klaagster een brief met bijlagen binnengekomen en op 3 maart 2011 van de zijde van de notaris nog een brief.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 augustus 2011. Klaagster, de gemachtigde van klaagster en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster en de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris dat hij bij de afwikkeling van de nalatenschap van [naam vader] – vader van klaagster, verder erflater – klachtwaardig heeft gehandeld, omdat hij zijn ambt niet onafhankelijk heeft uitgeoefend en de belangen van alle bij de behandeling van de nalatenschap betrokken partijen niet op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behartigd.

Hiertoe voert klaagster het navolgende aan.

4.1. De notaris had niet mogen aannemen dat het huwelijk tussen erflater – voor hem in tweede echt – en mevrouw [T] rechtsgeldig is gesloten. Erflater was ten tijde van het sluiten van het huwelijk ten gevolge van een voorafgaand Cerebro Vasculair Accident (CVA) niet meer compos mentis, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zijn tweede echtgenote 23 jaar jonger was dan hij. De notaris had een nader onderzoek naar de rechtsgeldigheid van het huwelijk moeten instellen.

4.2. De notaris had zelf kunnen – en moeten – vaststellen dat normale communicatie met erflater niet meer mogelijk was. De notaris had er niet van mogen uitgaan dat erflater ten tijde van het passeren van – diverse – notariële akten compos mentis was. Een notaris is niet bevoegd een zelfstandig oordeel te geven over het feit of een persoon al dan niet compos mentis is, dit is uitsluitend voorbehouden aan een neuroloog. De notaris kan op geen enkele wijze aantonen dat erflater de inhoud en strekking van zijn laatste testament van 22 februari 1983 heeft begrepen. Op grond van de verklaring van dr. W. Groeneveld, als neuroloog verbonden aan het Diaconessenziekenhuis, kan in ieder geval de rechtsgeldigheid van alle na 1998 gepasseerde akten met zekerheid worden betwist.

4.3. Het codicil van erflater, opgesteld op 2 september 1986, betreffende enkele sieraden is – anders dan de notaris stelt – ongeldig. Er blijkt nergens uit dat het codicil overeenkomstig de wettelijke voorschriften is opgemaakt, bovendien is het codicil onvoldoende gespecificeerd.

4.4. In de vermogensopstelling van de nalatenschap van erflater, zoals weergegeven in de successieaangifte die in juli 2003 is ingediend – en op basis waarvan de notaris het erfdeel en de legitieme portie van klaagster heeft berekend – heeft de notaris verzuimd de waarde van het onroerend goed gelegen [adres] op te nemen. Zoals blijkt uit de brief van de inspecteur van de Belastingsdienst [X], van 14 juni 2005, is de waarde van de grond [adres] – althans voor wat betreft de vaststelling van de verschuldigde erfbelasting – achteraf bij het saldo van de nalatenschap opgeteld.

4.5. Het feit dat de notaris in zijn brief van 12 oktober 2006 een voorschot heeft gevraagd, is in strijd met de notariële zorgplicht die een boedelnotaris heeft.

4.6. De notaris heeft ten onrechte in zijn brief van 21 februari 2005 een verzorgingsaanspraak, kosten van notariële boedelbehandeling en door mevrouw [T] gemaakte advocaatkosten, ten laste gebracht van klaagster.

4.7. Bij – het concept van – de boedelbeschrijving ontbreken de schriftelijke volmachten van klaagster en de twee kleinkinderen van erflater. Deze volmachten zijn abusievelijk niet aangehecht.

4.8. Alle versies van het concept van de boedelbeschrijving zijn afgekeurd door prof. mr. E.A.A. Luijten. Volgens hem vertoont het concept diverse gebreken. Dit betreft in het bijzonder – naast het ontbreken van de volmachten – het ontbreken van de vermelding van de eed of belofte, van de taxatie van de roerende zaken en van de vermelding van de onroerende zaak. Bovendien zijn de legitieme porties onjuist vastgesteld. Het concept van de boedelbeschrijving voldoet derhalve niet aan de eisen die de wet daaraan stelt.

4.9. De notaris heeft bij zijn boedelbehandeling de schijn gewekt dat hij niet onafhankelijk en onpartijdig is, waardoor hij in strijd heeft gehandeld met de zorgplicht die op een goed handelend notaris rust.

4.10. In hoger beroep voert klaagster aan dat de kamer het recht van hoor en wederhoor niet heeft toegepast. De notaris had ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de kamer geen pleitnota, maar een verweerschrift met producties overgelegd. Dit verweerschrift heeft de voorzitter van de kamer ten onrechte als pleitnota geaccepteerd.

5. Het standpunt van de notaris

De notaris stelt dat op grond van artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt, verder Wna, een klacht kan worden ingediend tot drie jaar na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen. Nu klaagster haar klacht bij de kamer heeft ingediend bij brief van 8 juli 2010 en de klacht ziet op handelingen die vóór 8 juli 2007 hebben plaatsgevonden, is klaagster niet ontvankelijk in haar klacht.

6. De klacht in hoger beroep over schending van de procesregels

Artikel 107 lid 3 Wna luidt:

“Op de behandeling in hoger beroep zijn de artikelen 101 tot en met 104 van overeenkomstige toepassing.”

Artikel 107 lid 4 Wna luidt:

“Het gerechtshof behandelt de zaak opnieuw in volle omvang.”

Voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg – aangeduid als grief 1 tot en met 3 in het aanvullend verzoekschrift dat op 24 december 2010 ter griffie van het hof is ingekomen – behoeven deze bezwaren geen nadere bespreking, nu deze door klaagster gestelde tekortkomingen tengevolge van de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

7. De ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht

7.1. Artikel 99 lid 12 Wna luidt:

“Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.”

7.2. Volgens vaste rechtspraak van dit hof, is voor de aanvang van de driejarige vervaltermijn doorslaggevend wanneer de klager van het handelen of nalaten heeft kennisgenomen en niet het moment dat de klager tot de conclusie is gekomen dat dit handelen of nalaten onjuist is.

7.3. Het motief van de wetgever voor het opnemen van de driejarige vervaltermijn is volgens de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer II 1996-1997, 23706, nr. 12):

“(…) dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. (…) De notaris moet ook niet in lengte van dagen kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. (…)“

7.4. Nu de klachtonderdelen, zoals hiervoor weergeven onder 4.1. tot en met 4.6. zien op handelingen van de notaris die hebben plaatsgevonden vòòr 8 juli 2007

– en waarvan klaagster, zoals mede blijkt uit de namens haar aan de notaris geschreven brieven van 22 december 2005 en 23 april 2007, ook vòòr 8 juli 2007 heeft kennisgenomen – , kan klaagster niet worden ontvangen in deze klachtonderdelen.

8. De verdere beoordeling

8.1. De klachtonderdelen, zoals hiervoor weergegeven onder 4.7. en 4.8. zien op het concept van de boedelbeschrijving waarvan de notaris op 9 oktober 2009 de eerste versie heeft gemaakt. Het hof is van oordeel dat het onderzoek in hoger beroep niet heeft geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen ten aanzien van deze klachtonderdelen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

8.2. Ten aanzien van het laatste klachtonderdeel, zoals hiervoor weergegeven onder 4.9., is het hof – evenals de kamer – van oordeel dat dit wegens onvoldoende motivering geen doel treft. Noch uit de stukken van het geding, noch uit het behandelde ter terechtzitting, is het hof gebleken dat de notaris met zijn handelwijze de schijn heeft gewekt niet onafhankelijk of onpartijdig zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de notaris dan ook niet gehandeld in strijd met de zorgplicht die op een goed handelend notaris rust.

8.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

8.4. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

9. De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, M.W.E. Koopmann en G. Kleykamp-Van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 11 oktober 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht op de klacht van:

[klaagster],

wonende te [ ],

klaagster,

gemachtigde: Prof. dr. ir. A.F.P. van Putten, te Eindhoven,

-t e g e n-

[de notaris],

notaris gevestigd te [ ],

beklaagde.

De procedure

Op 8 juli 2010 heeft klaagster zich tot deze Kamer gewend met een klacht over [de notaris], hierna: de notaris. Bij dit klaagschrift is een aantal producties gevoegd.

Op verzoek van de secretaris van deze Kamer heeft klaagster haar klaagschrift bij brief van 8 augustus 2010 nader toegelicht. Deze toelichting wordt door de Kamer als onderdeel van het oorspronkelijk klaagschrift aangemerkt.

De notaris heeft bij brief van 11 augustus 2010 op de klachten geantwoord.

Bij brief van 30 augustus 2010 is namens klaagster een nadere productie aan de Kamer toegezonden.

De klacht is op 14 september 2010 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn klaagster vergezeld van Prof. dr. ir. A.F.P. Van Putten (hierna: Van Putten) en de notaris verschenen.

Klaagster heeft haar klacht doen toelichten en de notaris heeft daarop zijn standpunt uiteengezet. Beide partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en overgelegde producties. De mondelinge behandeling is in verband met de ter zitting door de notaris overgelegde stukken korte tijd geschorst teneinde klaagster in de gelegenheid te stellen van die stukken kennis te nemen en haar reactie daarop eerst te bespreken met Van Putten.

Na voortgezet debat heeft de Kamer de uitspraak bepaald op 26 oktober 2010.

De feiten

2.1. Op 14 november 2002 is de vader van klaagster, [naam erflater] (hierna: de erflater) overleden. Klaagster is geboren in 1941 uit het huwelijk van erflater en [B].

2.2. Erflater heeft in 1969 een CVA doorgemaakt. Op 12 augustus 1973 is zijn toenmalige echtgenote, [B], overleden. Erflater is op 6 juli 1976 in het huwelijk getreden met [T] (hierna: [T]) en heeft [T] bij testament van 2 juli 1976 benoemd tot zijn enig erfgenaam.

2.3. Na het overlijden van erflater heeft de notaris bij brief van 14 januari 2003 klaagster aangeschreven met de mededeling dat hem is verzocht een verklaring van erfrecht op te maken. De notaris vermeldt in zijn brief dat erflater op 22 februari 1983 voor het laatst bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt en in dat testament een zogenaamde ouderlijke boedelverdeling heeft gemaakt, waarbij alle bezittingen en schulden aan zijn echtgenote [T] zijn toegedeeld onder de verplichting voor haar om alle schulden en kosten van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, de successierechten van de overige erfgenamen voor te schieten en aan ieder van de overige erfgenamen een bedrag, overeenkomend met hun erfdeel schuldig te erkennen. Bij dit schrijven was een afschrift van het testament gevoegd alsmede, ter ondertekening, een verklaring van berusting waarmee klaagster kon aangeven dat zij in het testament berustte en afstand deed van haar recht een beroep op haar legitieme portie te doen.

2.4. Klaagster heeft de verklaring van berusting op 14 februari 2003 ondertekend en aan de notaris gezonden. Klaagster heeft bij brief van 17 februari 2003 aan de notaris medegedeeld dat zij haar verklaring van berusting herroept.

2.5. De notaris heeft bij brief van 21 februari 2005 aan klaagster meegedeeld dat hij uit een schrijven van Van Putten van 22 december 2004 concludeert dat zij aanspraak maakt op haar legitieme portie. De notaris zet in dat schrijven uiteen op welke wijze hij de omvang van haar erfdeel zal bepalen.

2.6. Bij brief van 22 december 2005 aan de notaris heeft Van Putten gereageerd op de berekening van het erfdeel van klaagster, zoals door de notaris bij brief van 21 februari 2005 was opgesteld. Dit schrijven behelst onder meer het volgende:

“De inhoud en de opstelling van de advocaatkosten en berekening van het legitieme deel van [klaagster], zoals verwoord in uw schijven van 21 februari 2005, wordt betwist op grond van de volgende argumenten.

1. [klaagster] heeft geen verklaring van berusting ondertekend/getekend.

2. Bij de opstelling van het codicil is niet voldaan aan het gestelde in art, 4:988 BW en art. 4:991 BW met betrekking tot het opstellen daarvan, waarbij getuigen aanwezig dienen te zijn, gelet op de fysieke en mentale toestand van [erflater]. Een akte van superscriptie ontbreekt en van het bestaan is ook niet gebleken. Vermelding plaatsnaam ontbreekt eveneens. Van een eigenhandig door [erflater] geschreven codicil is dan ook geen sprake.

3. Ingevolge art. 4:968 BW met betrekking tot de bepaling van de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel inzake alle goederen die op het tijdstip van overlijden van den gever of erflater aanwezig waren, blijkt een onjuiste en onvolledige opgave verstrekt.

4. Vanaf 1998 was [erflater] volgens opgave van dr. W. Groeneveld, neuroloog te Eindhoven, volstrekt niet meer gezond van zinnen (Corpus mentis). In dit verband wordt verwezen naar art. 157 Rv. met betrekking tot bewijskracht van authentieke akten en toelichting daarop: “Evenzo zal de verklaring van een notaris in een testament dat de erflater gezonde van zinnen was, dit feit niet dwingend kunnen bewijzen (Parl. Gesch. Pagina 142)

5. De echtheid van de laatste hypotheekakte wordt betwist, daar de bijbehorende tweede volmacht ontbreekt en [erflater] vanaf 1998 met zekerheid niet meer gezond van zinnen was.

6. Ten onrechte is het woonhuis niet in het legitieme deel van de goederen opgenomen, waardoor eveneens een onvolledig beeld is ontstaan van de vermogensbestanddelen.

7. De akte van successie blijkt niet door de legitimarissen te zijn ondertekend.

Het moge u duidelijk zijn dat dit een ander licht werpt op de afhandeling van de nalatenschap van [klaagster]. (…)”

2.7. De notaris heeft bij brief van 12 oktober 2006 aan Van Putten onder meer, naar aanleiding van diens brieven van 21 augustus 2006 en 9 oktober 2006, bericht dat het uitge-breid beantwoorden en ingaan op diens brieven veel tijd vergt en dat hij alvorens tot een verdere beantwoording over te gaan een voorschotnota zou willen toezenden voor de te verwachten tijdsbesteding.

2.8. Bij brief van 23 april 2007 heeft Van Putten aan de notaris medegedeeld dat klaagster een deskundigenadvies heeft ingewonnen bij prof. mr. E.A.A. Luijten. Daarbij wordt het volgende vermeld.

“Enkele belangrijke punten uit het rapport van Prof. Luijten zijn:

1. Vast staat dat [erflater] sinds 1969, leed aan afasie, zijnde een hersenafwijking, die storing in het taalgebruik, in schrijven, rekenen en lezen veroorzaakt t.g.v. een rechtzijdige verlamming. Het staat ook vast, dat na het begin 1998 geen enkele inhoudelijk communicatie met [erflater] meer mogelijk was. Verwezen wordt naar het attest van de neuroloog dr. W. Groenveld. Het door u gestelde is dus volstrekt onjuist.

2. De rechtshandelingen die hebben plaatsgevonden in 1999 zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantastbaar op grond van een geestelijke stoornis ingevolge art. 3:34 BW.

3. De rechtshandelingen van 20 april, 27 april en 1 mei 1998 zijn aantastbaar.

4. De (beweerdelijk) toestemming van april 1999 is vernietigbaar, zoadat de verleende hypotheek van 5 mei 1999, vernietigbaar is ex art. 1:88 BW.

5. Ten aanzien van de uiterste wil van de erflater van 22 februari 1983 is deze waarschijnlijk opgemaakt op advies van de notaris, al dan niet onder aandrang van de tweede echtgenote [T]. In dit verband wijs ik u nog op de zorgplicht welke een notaris in acht dient te nemen. (…)

6. Het is vervolgens volstrekt onjuist dat de waarden in de successie-aangifte, bepalend zou zijn voor de vordering, zoals in uw schrijven van 21 februari 2005 is opgemeld. Prof. Luijten kan zich niet aan de indruk onttrekken, dat de door u gemaakte berekening uitmunt door partijdigheden en in rechte niet houdbaar is. Dat er door u dienaangaande kosten ten laste van de boedel in rekening gebracht worden is dan ook onjuist.

7. Teneinde de rechten veilig te stellen wordt een notariële boedelbeschrijving ex art. 672 Rv. voorgesteld, dan wel zal deze worden geëntameerd.

8. Met nadruk wordt eveneens opgemerkt dat de grond, inclusief het huis deel uitmaakt van de boedel, aldus ook een van de conclusies van Prof. Luijten.

[klaagster] blijft bij haar verzoek, dat zij en de kinderen van zoon [A] hun legitieme portie willen opeisen en veilig stellen.

In afwachting van uw reactie, welke zonodig ter toetsing zal worden voorgelegd aan de notariskamer.”

2.9. De notaris heeft op 9 oktober 2007 een concept boedelbeschrijving gemaakt.

Bij brief van 12 december 2007 heeft prof. mr. E.A.A. Luijten aan de notaris meegedeeld dat hij op verzoek van Van Putten een juridische analyse van het ontwerp van de akte van boedelbeschrijving heeft opgesteld en dat hem daarbij is gebleken dat de inhoud van dit ontwerp in vele opzichten niet voldoet aan de wettelijke voorschriften. Bij brief van 31 januari 2008 heeft Prof. mr. Luijten voornoemd aan de notaris het volgende meegedeeld:

“De inhoud voldoet niet aan de voorschriften van art.674 Rv. zoals blijkt uit de volgende bezwaren:

1. De schriftelijke volmachten van de familie [klaagster] ontbreken en zijn niet aangehecht (art. 44 WNA).

2. De vermelding van een eed of belofte van art. 674 sub 7 Rv. ontbreekt.

3. Omtrent een taxatie van de waarde der roerende zaken wordt niets vermeld.

4. Er is voorts nog een materieel bezwaar daar de vermelding van de onroerende zaak ontbreekt.”

2.10. Nadien is tussen de notaris, Van Putten, Prof. mr. Luijten voornoemd onder meer gecorrespondeerd over het concept van de akte van boedelbeschrijving en over het al dan niet bestaan van de verplichting om een boedelbeschrijving op te maken.

De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij klachtwaardig heeft gehandeld omdat hij zijn ambt niet in onafhankelijkheid heeft uitgeoefend en de belangen van alle bij de behandeling van de nalatenschap van erflater betrokken partijen niet op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid heeft behartigd.

Klaagster heeft in haar klaagschrift de hierna volgende klachtonderdelen nader uiteengezet.

a) de notaris heeft voetstoots aangenomen dat het huwelijk tussen erflater en [T] rechtsgeldig tot stand is gekomen. De notaris had gelet op de omstandigheden waaronder het huwelijk tot stand is gekomen een nader onderzoek naar de rechtsgeldigheid en de juistheid daarvan moet instellen, te meer daar erflater reeds ten tijde van het sluiten van het huwelijk niet meer compos mentis was en zijn tweede echtgenote 23 jaar jonger was.

b) Het codicil (van 2 september 1986 inzake de sieraden) is thuis opgemaakt. Uit niets is gebleken dat het codicil conform wettelijke voorschiften tot stand is gekomen, en het is onvoldoende gespecificeerd.

c) In de boedelbeschrijving is niet meegenomen dat de woning onderdeel uitmaakt van de grond en daarmee een onlosmakelijk economisch geheel vormt. De economische meerwaarde daarvan is ten onrechte niet in de boedelbeschrijving meegenomen.

d) De notaris is de boedelnotaris en heeft uit hoofde van die functie een zorgplicht. Een voorschot vragen, zoals de notaris in zijn brief van 12 oktober 2006 heeft gedaan, is dan ook buiten de orde.

e) Alle concepten van de boedelbeschrijving zijn afgekeurd door prof. mr. E.A.A. Luijten.

f) De notaris is niet bevoegd een oordeel te geven over het feit of erflater al of niet compos mentis was. De notaris had echter wel kunnen vaststellen dat communicatie met erflater niet meer mogelijk was.

g) Op grond van de verklaring van neuroloog Groeneveld, kan de rechtsgeldigheid van alle na 1998 gepasseerde akten met zekerheid worden betwist. Alle rechtshandelingen waarbij de notaris betrokken is geweest hebben derhalve geen betekenis.

h) Ten onrechte worden door de notaris in zijn brief van 21 februari 2005 een verzorgingsaanspraak, kosten van notariële werkzaamheden en advocaatkosten van mevrouw [T] rekening gebracht.

i) Bij de boedelbeschrijving ontbreken de schriftelijke volmachten van de familie [klaagster]. Deze zijn niet aangehecht.

j) De notaris kan niet aantonen dat de inhoud en strekking van het laatst opgemaakte testament uit 1983 door erflater (kunnen) zijn begrepen.

k) De notaris heeft de indruk gewekt niet onafhankelijk en onpartijdig gehandeld te hebben, dan wel heeft de schijn gewekt niet onafhankelijk te zijn, conform zijn zorgvuldigheidsplicht zoals een goed notaris betaamt.

3.2. De notaris heeft zich primair beroepen op de in artikel 99 lid 12 Wna vervatte verjaringstermijn. De notaris heeft daaraan de conclusie verbonden dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.

3.3. De Kamer constateert dat de hiervoor onder 3.1. sub a, b, c, d, f, g, h en j vervatte klachtonderdelen reeds zijn verwoord in de brieven die Van Putten op 22 december 2005 en 23 april 2007 aan de notaris heeft gezonden. Daaruit volgt dat klaagster in ieder geval vóór genoemde tijdstippen kennis droeg van deze aan de notaris verweten handelingen. Nu de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 99 lid 12 Wna een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, is de Kamer van oordeel dat klaagster in de hiervoor bedoelde klachtonderdelen niet kan worden ontvangen nu deze eerst op 8 juli 2010 bij de Kamer zijn ingediend.

3.4. De (resterende) klachtonderdelen genoemd onder 3.1 sub e en i, hebben betrekking op de boedelbeschrijving en het daarvoor op 9 oktober 2007 gemaakte concept. Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De onder 3.1 sub k geformuleerde klacht zal afzonderlijk worden besproken.

3.5. Met betrekking tot de concept-boedelbeschrijving verwijt klaagster de notaris, naar de Kamer begrijpt, feitelijk de onvolkomenheden die Prof. Luijten in zijn brief van 31 januari 2008 aan de notaris heeft gemeld. Een bespreking van de aldus geformuleerde “bezwaren” leidt tot de volgende overwegingen.

3.6. De Kamer stelt voorop dat de notaris een concept heeft gemaakt waarover kennelijk nog geen overeenstemming bestond. Het moet dan ook als vanzelfsprekend worden geacht dat daar nog geen volmachten voor waren gegeven en dat aan een dergelijk concept dus ook geen volmachten konden of behoefden te worden gehecht. Een volmacht voor het passeren van een dergelijke akte pleegt immers te worden gegeven indien overeenstemming over de inhoud daarvan is bereikt. Indien in de conceptfase reeds wel volmachten waren afgegeven, zouden dit feitelijk blanco volmachten zijn geweest. Aan de notaris kan op dit punt derhalve geen enkel verwijt worden gemaakt.

3.7. Het verwijt dat de vermelding van de eed of belofte als bedoeld in artikel 674 lid 7 Rv in het concept-boedelbeschrijving ontbreekt, is onjuist en berust op een verkeerde lezing van dat concept. De bedoelde eed/bevestiging staat immers vermeld op bladzijde 4 van dat concept. Ook op dit punt treft de notaris derhalve geen blaam.

3.8. Met betrekking tot het vermeende ontbreken van een taxatie van de roerende zaken overweegt de Kamer dat als bijlage 4 bij de concept-boedelbeschrijving een lijst is gevoegd waarop de roerende zaken en de daaraan toegeschreven waarden zijn vermeld. Aan de daarin vermelde inboedelgoederen is een waarde toegekend van EUR 1.250,--. Klaagster heeft weliswaar betoogd dat dit bedrag niet op een uitgevoerde taxatie maar op een schatting berust maar heeft niet aangegeven dat die schatting tot een onjuiste waardebepaling heeft geleid. De strekking van dit vermeende verwijt is de Kamer dan ook niet duidelijk.

3.9. Ook het ontbreken van de vermelding van de onroerende zaak, zoals de notaris wordt verweten, is niet klachtwaardig. De notaris en de door [T] aangezochte partij-notaris mr. [M] te [ ], zijn immers de mening toegedaan dat de door klaagster bedoelde onroerende zaak niet in de nalatenschap valt omdat deze reeds in volledige eigendom aan [T] toebehoorde. Dat klaagster de rechtsgeldigheid van de daartoe in het verleden verrichtte rechtshandelingen in twijfel trekt, gaat -mede gelet op het aspect van de verjaring en de beperkte bemoeienis van de notaris daarbij- het kader van de onderhavige procedure te buiten.

3.10. Resteert ten slotte het in meer algemene bewoordingen vervatte klachtonderdeel dat de notaris de indruk heeft gewekt niet onafhankelijk en onpartijdig gehandeld te hebben, dan wel de schijn heeft gewekt niet onafhankelijk te zijn zoals een goed notaris betaamt (ad 3.1. sub k.)

3.11. De Kamer acht dit klachtonderdeel onvoldoende onderbouwd en ongegrond. De Kamer heeft slechts kunnen constateren dat de notaris andere gevolgen aan de afwikkeling van de nalatenschap verbindt dan klaagster voorstaat. Deze andersluidende en door de notaris deugdelijk gemotiveerde visie leidt niet tot de conclusie dat de notaris met zijn handelwijze de indruk of de schijn heeft gewekt niet onafhankelijk en onpartijdig te hebben gehandeld.

3.12. Uit het voorgaande volgt dat klaagster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar klachtonderdelen zoals weergegeven onder 3.1. sub a, b, c, d, f, g, h, en j. De klacht-onderdelen onder 3.1. sub e, i en k, worden ongegrond verklaard.

De beslissing:

De Kamer van Toezicht:

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen genoemd onder 3.1. sub a, b, c, d, f, g, h en j.

Verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Gewezen te Utrecht door mr. H.M.M. Steenberghe, plv. voorzitter, mrs. E.J.M. Kerpen, G.H. Beens, R.J.M. van den Heuvel en A.R. Creutzberg, leden, bijgestaan door mr. M.E. Hoogendorp, plv. secretaris, en uitgesproken op 26 oktober 2010.

De plv. secretaris De wnd. voorzitter

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Aan partijen toegezonden op: