Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
200.007.378-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:911, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg testament.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2012/5
JIN 2011/824
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.007.378/01

18 oktober 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

ARREST

in de zaak van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. B.J.H. Crans te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Het hof heeft op 27 april 2010 een tussenarrest gewezen. Voor de loop van het geding tot genoemde datum verwijst het hof naar dit arrest.

1.2. Ter uitvoering van het tussenarrest heeft op 23 juni 2010 en 23 september 2010 een enquête aan de zijde van [geïntimeerde] plaatsgevonden. Op 23 september 2010 heeft tevens een contra-enquête aan de zijde van [appellant] plaatsgevonden. Van de enquête en contra-enquête zijn processen-verbaal opgemaakt.

1.3. [appellant] heeft daarna een memorie na enquête genomen en daarbij producties in het geding gebracht, waarna [geïntimeerde] eveneens een memorie na enquête heeft genomen.

1.4. Partijen hebben andermaal de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. Nadere beoordeling van het hoger beroep

2.1. In het tussenarrest is overwogen dat vast staat dat erflaatster het testament heeft gemaakt kort na haar echtscheiding en dat zij in die periode niet op goede voet stond met haar ouders. [appellant] heeft niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken dat erflaatster, die geen kinderen had en van wie de beide ouders ten tijde van het opmaken van het testament nog leefden, wilde voorkomen dat bij haar overlijden haar ouders erfgenaam zouden zijn. Het moet er dus voor worden gehouden dat erflaatster in elk geval die verhouding bij testament heeft willen regelen. Gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhouding die erflaatster in elk geval heeft willen regelen, is niet duidelijk of zij tevens heeft willen regelen dat [appellant] onder alle omstandigheden, zoals de omstandigheden ten tijde van haar overlijden die hierna zullen worden besproken, erfgenaam zou zijn. Het testament heeft in zoverre geen duidelijke zin, zodat te dien aanzien voor uitlegging daarvan daden en verklaringen van erflaatster mogen worden gebruikt. In dit verband heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat het uitsluitend de bedoeling van erflaatster was te voorkomen dat haar ouders zouden erven en dat het niet uitdrukkelijk de bedoeling was haar broer te laten erven.

2.2. [geïntimeerde] heeft ter voldoening aan de bewijsopdracht een aantal getuigen doen horen, die, voor zover van belang, het volgende hebben verklaard over wat erflaatster aan hen heeft verteld:

[getuige a]: “(. . .) vertelde ze mij dat zij haar ouders had onterfd. Ze heeft mij niet verteld hoe dat precies in een testament was geregeld.(. . .) Ik wist niet dat ze haar broer tot erfgenaam had benoemd.”

[getuige b]: “Lies heeft mij (. . .) verteld (. . .) dat zij haar ouders had onterfd. (. . .) Lies heeft mij niet verteld op welke manier zij haar ouders heeft onterfd.”

[getuige c]: “(. . .) vertelde zij mij eens dat zij in onmin leefde met haar ouders en dat zij haar ouders, althans haar moeder, had onterfd. Dat zij in onmin leefde met haar moeder wist ik al (. . .) Lies heeft mij niet verteld hoe ze haar moeder had onterfd, wel heeft zij mij verteld dat ze een testament had gemaakt. (. . .) De verhouding tussen Lies en haar moeder is nooit goed geweest. Ik wist van mijn ouders (. . .) dat het contact tussen Lies en haar moeder slecht was”

[getuige d]: “Zij vertelde mij dat zij een testament had laten opmaken, omdat zij absoluut niet wilde dat haar moeder iets zou krijgen. Zij heeft mij niet verteld hoe zij haar moeder heeft onterfd, wat er in het testament stond.”

[getuige e]: “Ik weet (. . .) dat zij haar moeder wilde onterven. Dat vertelde zij mij. (. . .) Zij had een hekel aan haar moeder, was zelfs bang voor haar. Lies heeft met mij niet besproken hoe zij haar moeder zou onterven. (. . .) Zij heeft mij nooit verteld dat zij een testament had opgemaakt.”

[getuige f]: “Zij heeft diverse keren met mij besproken dat zij absoluut niet wilde dat haar moeder iets van haar zou erven. (. . .) Dat had te maken met de manier waarop zij door haar moeder behandeld was. Zij was zelfs bang voor haar.

(. . .) Zij heeft mij op enig moment ook verteld dat zij een testament had opgemaakt. Zij heeft mij niet verteld hoe zij heeft geregeld dat haar moeder niet zou erven, wat de inhoud van het testament was.”

[getuige g]: “Ze vertelde mij (. . .) dat ze haar moeder wilde onterven. Er waren veel problemen tussen haar en haar moeder.

Zij heeft mij niet verteld hoe ze een en ander precies zou regelen. Wel is de term testament gevallen.”

[getuige h]: “Zij vertelde mij dat zij een testament had gemaakt om haar ouders te onterven. Ze heeft mij niet verteld (. . .) wat daar dan precies in stond. Ik heb haar wel gevraagd “Waar gaat alles dan wel heen?” en zij heeft mij verteld dat dat gewoon zou gaan volgens de stamboomregels van het erfrecht omdat zij niemand anders had aan wie zij wilde nalaten. De erfgenaam zou dan haar broer zijn.”

[getuige i]: “Lies had een haatverhouding met haar moeder. Haar moeder was liefdeloos. (. . .) Zij vertelde mij dat zij niet wilde dat haar bezittingen, voor zover ze die had, na haar overlijden aan haar ouders zouden vervallen. (. . .) Ik weet dat Lies een testament heeft opgemaakt waarbij zij haar broer Bert heeft aangewezen als erfgenaam. Zij heeft Bert aangewezen omdat die haar enige erfgenaam kon zijn. Haar ex-man Joep was inmiddels overleden en ze had maar één broer. Aan wie anders moest ze nalaten? Dit alles heeft ze mij verteld.”

[getuige j]: “(. . .) hadden Lies en ik veel contact en hebben we veel over persoonlijke zaken gesproken. U moet dan denken aan onderwerpen als hoe we zijn opgegroeid en wat er allemaal in onze jeugd gebeurd was. Uit die gesprekken weet ik dat de verhouding tussen Lies en haar ouders slecht was. Met name de verhouding met haar moeder was kapot. Er was sprake van een haatverhouding. Ze vertelde mij over de nare ervaringen in haar jeugd en tijdens de opvoeding door haar moeder (. . .) vertelde ze mij ook dat ze een testament had laten opmaken. Ze vertelde dat ze absoluut niet wilde dat haar moeder van haar zou erven. (. . .) Ze heeft mij niet specifiek verteld wie haar erfgenaam zou zijn, wel dat haar ouders niets zouden erven.”

2.3. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het de alles overheersende wens van erflaatster was om haar ouders, en in ieder geval haar moeder, vanwege de slechte relatie die zij met haar moeder had, te onterven. Erflaatster heeft de onterving van de ouders bewerkstelligd door middel van de benoeming van haar broer [appellant] tot enig erfgenaam, een, naar het hof ambtshalve bekend, in de notariële praktijk niet ongebruikelijke wijze van onterving. Dat zij [appellant] tot erfgenaam heeft benoemd vond zij, gelet op het feit dat zij dit gegeven slechts tegenover een tweetal getuigen heeft genoemd, kennelijk van ondergeschikt belang. Uit de verklaringen van deze twee getuigen, [getuige h] en [getuige i], blijkt bovendien dat zij haar broer Bert als erfgenaam heeft aangewezen omdat zij meende dat er niemand anders was aan wie zij kon of wilde nalaten. Daaruit volgt dat bij het onterven van de ouders het aanwijzen van [appellant] als erfgenaam is geschied omdat erflaatster meende dat er geen alternatief bestond. Een uitdrukkelijke bedoeling om juist [appellant] te laten erven valt daaruit niet op te maken. De conclusie luidt dan ook dat [geïntimeerde] is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Hetgeen door de getuigen in de contra-enquête is verklaard maakt dat niet anders.

2.4. Erflaatster was ten tijde van het maken van haar testament op 29 augustus 1980 veertig jaar oud en nog geen jaar eerder gescheiden van haar eerste echtgenoot, met wie zij geen kinderen had. Door deze ontbinding van haar huwelijk zouden haar ouders haar erfgenamen zijn, hetgeen zij wilde voorkomen. Toen erflaatster overleed, vierentwintig jaar na het opmaken van het testament, waren haar omstandigheden fundamenteel veranderd. Haar ouders waren inmiddels overleden en zij was, door [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken, ruim elf jaar gelukkig getrouwd met [geïntimeerde]. Die nieuwe situatie heeft erflaatster niet voor ogen gestaan toen zij haar testament maakte en voor die situatie heeft zij geen testamentaire beschikkingen getroffen. Aangenomen moet worden dat het haar bedoeling ten tijde van het maken van het testament was dat de testamentaire beschikkingen ten gunste van [appellant] - als ten tijde van het maken van het testament enige beschikbare en geschikte persoon - uitsluitend golden voor de situatie waarin zij niet gehuwd zou zijn, hetgeen wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige f] en [getuige h], inhoudende:

“Lies verkeerde in de veronderstelling dat zij alles goed geregeld had voor het geval [geïntimeerde] of zij zou komen te overlijden. Zij vond het belangrijk dat de ander goed verzorgd zou achterblijven als een van hen zou komen te overlijden. Op de bruiloftsdag zelf heeft Lies mij verteld dat zij vond dat alles goed geregeld was doordat zij in gemeenschap van goederen was getrouwd.”

respectievelijk “[geïntimeerde] heb ik voor het eerst gezien (. . .) in 1990 (. . .) Wij hebben het er wel eens over gehad hoe zij de zaken geregeld wilde hebben en ik vertelde haar toen dat het bij mij wat ingewikkeld was (. . .) Lies vertelde mij toen dat dit soort problemen bij haar niet aan de orde was, omdat zij in gemeenschap van goederen zou trouwen met René. Zij vertelde mij dat alles wat zij had voor René zou zijn en vice versa.”.

2.5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in het testament opgenomen beschikkingen niet voor de gewijzigde omstandigheden waren bedoeld en de uiterste wilsbeschikking haar belang had verloren nadat erflaatster opnieuw in het huwelijk was getreden. De erfstelling van [appellant] is dan ook vervallen, zodat [appellant] aan de uiterste wilsbeschikking geen aanspraken kan ontlenen. Het verweer van [geïntimeerde] op dit punt slaagt.

2.6. In het tussenarrest van 27 april 2010 is onder 5 overwogen dat de grieven 1 tot en met 4, die betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank dat erflaatster heeft gedwaald in het objectieve recht, (deels) slagen. Dit kan evenwel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarbij de vorderingen van [appellant] met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van erflaatster en [geïntimeerde] zijn afgewezen en de gevorderde verklaring voor recht van [geïntimeerde] dat [appellant] aan het testament van erflaatster geen rechten kan ontlenen, is toegewezen. De grieven 5 en 6, die voortbouwen op de grieven 1 tot en met 4, missen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke bespreking.

2.7. In grief 7 betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank zijn vordering tot afgifte van een aantal met name genoemde zaken onbesproken heeft gelaten. Volgens [appellant] behoren deze zaken (“het ringetje van Beppe”, het schilderij “Boszicht”, de schoorsteenpendule en Workummer aardewerk en glaswerk) tot de onverdeelde nalatenschap van zijn en erflaatsters ouders, bevinden deze zich ten huize van [geïntimeerde] en heeft [geïntimeerde] deze niet aan hem afgegeven.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] - erop neerkomende dat “het ringetje van Beppe” oorspronkelijk aan de grootmoeder van erflaatster toebehoorde en na het overlijden van erflaatster is teruggegeven aan erflaatsters nicht […], die de ring had geërfd en aan erflaatster in bruikleen had gegeven - heeft [appellant] zijn stelling dat de ring tot de onverdeelde nalatenschap van zijn ouders behoorde, niet aannemelijk gemaakt. [appellant] bestrijdt niet dat het schilderij en het aardewerk en glaswerk al jaren tot de gezamenlijke inboedel van [geïntimeerde] en erflaatster behoren, en de pendule al sinds 1997. Zonder nadere toelichting van de kant van [appellant], die ontbreekt, valt onder die omstandigheden niet in te zien dat de nalatenschap van de ouders - voor zover deze zaken betreffend - onverdeeld is gebleven. De grief kan derhalve niet leiden tot toewijzing van het gevorderde.

2.8. Gelet op de (voormalige) familierelatie tussen partijen heeft de rechtbank terecht bepaald dat de proceskosten worden gecompenseerd. Het bestreden vonnis zal derhalve ook op dit punt worden bekrachtigd. Voorts zal het hof bepalen dat de proceskosten in hoger beroep eveneens worden gecompenseerd.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. Kleene-Eijk, D. Kingma en Gr. van der Burght en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2011 door de rolraadsheer.