Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1962

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
200.082.739-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 18 oktober 2011 in de zaak met zaaknummer 200.082.739/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. H.J.J. Hendrikse te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. G.F.H. Velthuizen te Zaandam, gemeente Zaanstad.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 23 februari 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 november 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 170547/10-1992.

1.3. De vrouw heeft op 8 juli 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De man heeft op 5 september 2011 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 15 september 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de advocaat van de man,

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.7. De man en de belanghebbende […] (hierna: [kind A]) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1988 gehuwd. Hun huwelijk is op 25 juli 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 oktober 2002 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren de jongmeerderjarige [kind A] [in] 1991 en […] (hierna: [kind B]) [in] 1997.

2.2. Bij beschikking van 22 oktober 2002 van de rechtbank Haarlem is onder meer een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] en [kind B] bepaald van € 275,- per kind per maand, thans ingevolge wettelijke indexering € 333,35 per kind per maand.

2.3. Bij beschikking van 21 maart 2006 van de rechtbank Haarlem is, onder gelijktijdige beëindiging van het gezamenlijk gezag van partijen, de vrouw belast met het gezag over de kinderen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1969. Hij is alleenstaand.

Hij heeft tot 8 januari 2005 een WAO-uitkering ontvangen. Met ingang van 12 oktober 2005 tot en met 26 maart 2008 was hij in Nederland uitgeschreven.

Met ingang van 25 juli 2008 is zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 35 - 45%. Met ingang van 1 februari 2010 wordt in verband met achterstallige alimentatiebetalingen € 271,- per maand ingehouden op zijn uitkering. Volgens een specificatie over januari 2011 bedraagt zijn WAO-uitkering € 594,- netto per maand.

2.5. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1970. Zij vormt met [kind A] en [kind B] een eenoudergezin.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang -, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 22 oktober 2002, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind B] met ingang van 8 juni 2010 vastgesteld op € 134,- per maand. Voorts is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek voor zover dit betrekking heeft op de voor [kind A] vastgestelde bijdrage voor de periode vanaf 12 oktober 2009.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man te bepalen, dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 8 januari 2005, dan wel 26 maart 2008, dan wel 25 juli 2008 op nihil wordt gesteld, althans met ingang van een zodanige datum op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door hem te betalen bijdrage voor [kind A] en [kind B] op nihil te stellen met ingang van 26 maart 2008, althans 25 juli 2008, althans met ingang van een zodanig datum als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw betoogt, heeft de man het verschuldigde griffierecht voldaan binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken na instellen van het hoger beroep, zodat hij daarin ontvankelijk is. Het hof zal dan ook het verzoek van de man in hoger beroep beoordelen.

4.2. De man voert in zijn tweede en derde grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de man niet-ontvankelijk is in zijn inleidend verzoek voor zover dat ziet op wijziging van de bijdrage voor [kind A] vanaf [datum] 2009 (de dag waarop [kind A] meerderjarig werd) en dat de man [kind A] zelfstandig in rechte had dienen te betrekken. Deze grieven slagen.

Uit het in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen stelsel met betrekking tot het verloop van de verzoekschriftprocedure vloeit voort dat het aan de rechter is te bepalen wie in een dergelijke procedure als belanghebbende wordt aangemerkt en in rechte wordt betrokken. De rechtbank heeft dit miskend door in de bestreden beschikking de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, voor zover dit betrekking heeft op de voor [kind A] vastgestelde bijdrage voor de periode vanaf [datum] 2009 op de grond dat de man heeft nagelaten [kind A] afzonderlijk in rechte te betrekken.

Het hof heeft [kind A] als belanghebbende aangemerkt en hem in rechte in deze procedure betrokken door hem de gelegenheid te bieden een verweerschrift in te dienen en hem voor de behandeling ter zitting in hoger beroep op te roepen.

De beslissing van de rechtbank met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van de man kan derhalve geen stand houden.

4.3. De eerste grief van de man houdt in dat de rechtbank terugwerkende kracht had moeten toekennen aan de wijziging van de bijdrage voor [kind B]. Deze grief faalt nu de man geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan afwijking van de gebruikelijke ingangs¬datum, zijnde de datum van het inleidend verzoekschrift (in dit geval: 8 juni 2010) gerechtvaardigd is. De man heeft voorts geen bewijs geleverd ten aanzien van zijn door de vrouw betwiste stelling dat hij gedurende zijn circa 2,5 jaar durende verblijf in Turkije geen enkel inkomen heeft verworven.

4.4. Het hof is voorts van oordeel dat de vierde grief van de man, inhoudende dat de rechtbank door uit te gaan van een volledige verdiencapaciteit aan de zijde van de man de ratio van de arbeidsongeschiktheidswetgeving heeft doorkruist, niet kan slagen. De man is in 2008 slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en heeft niet aangetoond dat hij vanaf 2008 heeft geprobeerd werk te vinden. Bovendien heeft de man niet weersproken de door de rechtbank vastgestelde omstandigheid dat hij heeft nagelaten het UWV-traject tot re-integratie te doorlopen. Onder die omstandigheden is de rechtbank naar het oordeel van het hof terecht uitgegaan van een volledige verdiencapaciteit zoals becijferd door het UWV.

4.5. Het hof heeft overigens geen aanleiding het oordeel van de rechtbank dat de man voor beide kinderen een bijdrage van € 134,- kan betalen te herzien.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de man daarin niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek betrekking hebbende op de voor [kind A] vastgestelde bijdrage voor de periode vanaf [datum] 2009 en, in zoverre opnieuw rechtdoende;

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 22 oktober 2002, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind A] met ingang van 8 juni 2010 op € 134,- (zegge: HONDERDVIERENDERTIG EURO) per maand;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.A. Joustra en M.E. Burger in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2011.