Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1890

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
200.089.694/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling, gronden, proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 237
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 13 september 2011 in de zaak met zaaknummer 200.089.694/01 van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek,

locatie Amsterdam,

APPELLANT,

t e g e n

1. […],

en

2. […],

beiden wonende te […],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. B.R. Capaan te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerden onder 1. en 2. worden hierna respectievelijk de Raad, de moeder en de vader (de moeder en de vader gezamenlijk: de ouders) genoemd.

1.2. De Raad is op 27 juni 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 475792/10-3030.

1.3. De ouders hebben op 29 juli 2011 stukken ingediend.

1.4. De zaak is op 10 augustus 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de heer H. Paardekoper, namens de Raad,

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat.

2. De feiten

2.1. Uit de beëindigde relatie tussen de ouders is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2004. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft voornamelijk bij de moeder. De vader is dagelijks betrokken bij de opvoeding van [de minderjarige].

2.2. [de minderjarige] heeft tot november 2010 op de basisschool De Boomgaard in Amsterdam gezeten. De school heeft op 19 augustus 2010 een melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) wegens vermoedens van verwaarlozing van [de minderjarige]. Op verzoek van het AMK heeft de Raad een kinderbeschermingsonderzoek met betrekking tot [de minderjarige] uitgevoerd.

2.3. Met ingang van 1 november 2010 gaat [de minderjarige] naar de Tijl Uilenspiegelschool in Amsterdam.

2.4. Onder de stukken in het dossier bevinden zich onder meer:

- een rapport van de Raad van 15 november 2010;

- het aanvullende rapport van de Raad van 22 maart 2011;

- verslagen opgemaakt door verscheidene medewerkers van de Tijl Uilenspiegelschool van 10 maart 2011, “juli 2011”, 19, 19 en 21 juli 2011;

- het verslag van de Bascule naar aanleiding van een bij [de minderjarige] uitgevoerd kinderpsychiatrisch onderzoek van 6 juli 2011.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de Raad [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam te stellen afgewezen.

3.2. De Raad verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3.3. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de Raad in de kosten van de procedure in beide instanties.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Aan de orde is de vraag of de kinderrechter terecht het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft afgewezen, en daarmee of er gronden tot zijn ondertoezichtstelling ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek aanwezig waren en ook thans nog zijn.

4.2. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat basisschool De Boomgaard de nodige zorgen over [de minderjarige] had. Uit het daarop volgend onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat [de minderjarige] heftig reageerde op school, stressgevoelig was, moeilijk kon omgaan met veranderingen en sterk om bevestiging vroeg. De Raad had tevens vermoedens van faalangst. Deze zorgen van de Raad werden in de thuissituatie niet door de ouders herkend, om welke reden zij verder onderzoek door de Raad hebben geweigerd. Met name de moeder is uiterst terughoudend tegenover de Raad vanwege haar negatieve ervaringen met jeugdzorg voor [de minderjarige]’s 18-jarige halfzus […]. Op verzoek van de school hebben de ouders wel ingestemd met een autismeonderzoek, dat op 30 augustus 2010 is uitgevoerd door mevrouw Beukema van het Steunpunt Autisme. Tijdens deze observatie van [de minderjarige] op school zijn geen stoornissen in het autismespectrum van [de minderjarige] dan wel andere opvallende zaken bij hem waargenomen. De ouders zijn voorts op 17 oktober 2010 – een maand vóór de indiening door de Raad van zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] op 18 november 2010 – op hun verzoek door de huisarts doorverwezen naar de Bascule voor een kinderpsychiatrisch onderzoek van [de minderjarige]. Blijkens het onder 2.4 vermelde verslag van de Bascule kan er, hoewel er enkele kenmerken van een stoornis in het autistisch spectrum aanwezig zijn, op basis van het huidige onderzoek geen uitspraak worden gedaan omtrent een diagnose. De Bascule zal, indien de ouders verdiepend onderzoek willen, hen verder helpen met diagnostiek. Indien de ouders afzien van verdiepend onderzoek, wordt aangeraden dat zij goed contact onderhouden met de school van [de minderjarige] over diens ontwikkeling, aldus voornoemd verslag.

Gezien de eerder door basisschool De Boomgaard geuite zorgen en de verslechterde verstandhouding met deze school hebben de ouders [de minderjarige] na de herfstvakantie van 2010 op de Tijl Uilenspiegelschool geplaatst. Blijkens de diverse, onder 2.4 vermelde verslagen heeft de huidige basisschool van [de minderjarige] sinds zijn komst in november 2010 een sterk positieve ontwikkeling bij hem geconstateerd. [de minderjarige] is een kind met een lichte beperking op sociaal-emotioneel gebied, dat zich op cognitief gebied normaal en op sociaal-emotioneel gebied naar wens ontwikkelt. Voorts verloopt de communicatie met de ouders uitstekend en nemen zij goede adviezen van de school ter harte, aldus het verslag van deze school van 19 juli 2011. Ter zitting is gebleken dat de Raad nadat de bestreden beschikking was gegeven geen nader onderzoek heeft ingesteld, waardoor de Raad deze recente positieve ontwikkelingen niet in zijn verzoekschrift tot hoger beroep heeft verdisconteerd. Dat geldt evenmin voor het rapport van de Bascule. Weliswaar is dat pas na de indiening van het hoger beroep uitgebracht, maar een concept van dit rapport was kort voor de zitting in eerste aanleg door de ouders aan het procesdossier toegevoegd.

4.3. Op grond van al hetgeen hiervoor is weergegeven en hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er noch ten tijde van de bestreden beschikking noch in hoger beroep gronden als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek aanwezig waren c.q. zijn tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige]. De bestreden beschikking wordt derhalve bekrachtigd.

4.4. Ten aanzien van de door de ouders verzochte proceskostenveroordeling van de Raad in de kosten van de procedure in beide instanties overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof konden de door de voormalige school van [de minderjarige] geuite zorgsignalen en het daarop volgend raadsonderzoek rechtvaardigen dat de Raad een verzoek tot ondertoezichtstelling bij de kinderrechter aanhangig maakte. De Raad heeft sinds het afgeven van de bestreden beschikking echter nagelaten nader onderzoek dan wel enige navraag te doen naar de verdere ontwikkeling van [de minderjarige]. In hoger beroep heeft de Raad geen nieuwe stukken ingediend, terwijl het hoger beroep in deze zaak pas is ingesteld kort voordat de daarvoor geldende termijn van drie maanden zou verstrijken. Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheden aanleiding bestaat de Raad te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden begroot op € 1.341,- wegens salaris voor de advocaat.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

verwijst de Raad in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de ouders tot op heden begroot op € 1.341,- wegens salaris voor de advocaat;

wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.V.T. de Bie en J.J.M. Bruinsma in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2011 door de oudste raadsheer.