Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1855

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
200.071.392/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk dat de schulden verknocht zijn, ieder der partijen is voor de helft draagplichtig, de vrouw zal haar deel rechtstreeks aan de schuldeisers voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 8 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 200.071.392/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F. Panholzer te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.M. Lattmann-Van der Heijde te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 8 juli 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 april 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 365558 / FA RK 07-1930.

1.3. De man heeft op 13 september 2010 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 29 september 2010 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De zaak is op 10 november 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

Partijen zijn [in] 1976 gehuwd. Hun huwelijk is op 1 september 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 maart 2004 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn [in] 2005 hertrouwd. Dit huwelijk is op 30 januari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 oktober 2006 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - bepaald dat de schuld aan de Postbank in verband met een consumptief krediet onder rekeningnummer [1] en de schuld aan Comfort Card onder rekeningnummer [2] aan de man worden toegedeeld, onder de gelijktijdige verplichting van de vrouw ter zake van deze schulden een bedrag van € 17.630,50 aan de man te voldoen.

3.2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, behoudens de veroordeling tot betaling aan de man en, opnieuw rechtdoende te bepalen dat de vrouw tot een bedrag van € 17.630,50 op de in de verdeling betrokken schulden dient af te lossen door middel van rechtstreekse betaling aan de schuldeisers, met dien verstande dat indien zij in enig jaar minder afgelost zou hebben dan de man, de man het verschil rechtstreeks onder de vrouw mag executeren.

3.3. De man verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de man - naar het hof begrijpt - met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de vrouw tevens de andere helft van de lening onder nummer [1], derhalve € 15.434,50, aan de man dient te voldoen, almede de wettelijke rente daarover vanaf de peildatum 7 december 2005, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht, dan wel betaling van de wettelijke rente vanaf een zodanige datum als het hof juist acht.

3.4. De vrouw verzoekt het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

4.1. Bij de beoordeling van de zaak stelt het hof voorop dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat derhalve geen sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens het huwelijk de schulden aan de Postbank en Comfort Card, die omstreeks de peildatum (7 september 2007) € 30.868,99 respectievelijk € 4.392,- bedroegen, zijn aangegaan. Het hof begrijpt het dictum van de bestreden beschikking aldus dat de man de schulden voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen, met de verplichting voor de vrouw dat zij de helft van het totale verschuldigde bedrag van € 35.260,99 aan de man dient te voldoen.

4.3. De vrouw stelt in principaal appel dat de schuld aan de Postbank (thans ING Bank) na de peildatum is verhoogd en op 22 april 2010 € 33.284,14 bedroeg. Zij heeft op 27 april 2010 rechtstreeks aan ING € 177,85 op de schuld moeten aflossen. De vrouw vreest dat de man de beide schulden niet zal aflossen, waardoor zij het risico loopt twee maal te moeten betalen. Om die reden verzoekt zij het hof te bepalen dat zij de helft van de verschuldigde bedragen rechtstreeks aan de schuldeisers zal voldoen in plaats van aan de man.

4.4. In incidenteel appel is de man van mening dat de vrouw het volledige bedrag van de schuld aan de Postbank aan hem dient te voldoen, omdat deze schuld aan haar verknocht is. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vrouw heeft in de procedure tot verdeling van de woning in Marokko gesteld € 30.000,- te hebben ingebracht, welk bedrag afkomstig is van het krediet van de Postbank, op grond waarvan de rechtbank in Tetouan heeft beslist dat de op zijn naam staande woning verdeeld diende te worden. De man heeft op 1 februari 2002 een appartement gekocht en op 23 mei 2002 is de leningovereenkomst met de Postbank getekend, aldus de man in hoger beroep. Volgens de vrouw hebben partijen in 1992 gezamenlijk grond aangekocht, waarna een aantal op haar naam staande leningen, die zijn afgesloten in de periode 1996 tot en met 1999 en die in totaal ƒ 41.000,- bedroegen, samen met een deel van het krediet van de Postbank zijn gebruikt voor de bouw van de woning. Een ander deel van het krediet heeft de man contant meegenomen naar Marokko en daar op een op zijn naam staande bankrekening gestort, aldus de vrouw.

4.5. Het hof ziet aanleiding als eerste het incidenteel appel te bespreken. Zoals hiervoor overwogen is geen sprake van een huwelijksgoederengemeenschap. Het hof begrijpt de stellingen van de man aldus dat, hoewel de schuld aan de Postbank op naam van beide partijen staat, in de onderlinge verhouding van partijen uitsluitend de vrouw daarvoor draagplichtig is.

De vrouw heeft bij de rechtbank in Tetouan een verzoek ingediend tot verdeling van een perceel gelegen te [a], daartoe stellende dat de man de helft van het perceel aan haar heeft geschonken en dat zij in verband met de kosten van de bouw van de woning een lening bij een Nederlandse bank heeft afgesloten en het geleende bedrag aan de man heeft overhandigd als bijdrage in de bouwkosten. Blijkens het verbaal van executie van 11 juni 2009 heeft het gerechtshof te Tetouan in hoger beroep op 25 november 2008 een verdelingsplan vastgesteld voor het vastgoed, gelegen in [b], dat bestaat uit een garage en vier appartementen, op elke etage één. Tussen partijen is niet in geschil dat dit dezelfde woning betreft als de in het verzoek beschreven woning. Het resultaat van de door het gerechtshof te Tetouan bevolen verloting voor de rechter van executie hield in dat de man het eerste aandeel en de vrouw het tweede aandeel van de woning verkreeg en dat de man een bedrag van 80.000 dirham aan de vrouw verschuldigd bleef.

De man heeft in de onderhavige procedure niet betwist dat hij de vrouw de helft van de woning heeft geschonken. Daarbij komt dat het door hem in hoger beroep in het geding gebrachte “afschrift koopakte” gedateerd 1 februari 2002 geen melding maakt van aankoop op 1 februari 2002 van een perceel gelegen te [a] dan wel te [b], maar van de aankoop op 17 februari 1986 van een “volledig huis op de tweede verdieping van het gebouw gelegen te [c]”. Gelet op dit alles heeft de man tegenover de gemotiveerde en met bescheiden gestaafde betwisting door de vrouw zijn stellingen niet aannemelijk gemaakt. Het in eerste aanleg in het geding gebrachte document gedateerd 27 februari 2006 met als titel “Onderwerp: Koopakte”, dat kennelijk ziet op verkoop door de man aan zijn broer van de eerste verdieping van het gebouw te [a], maakt dat niet anders.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd.

4.6 In het licht van het risico dat de vrouw, wanneer zij haar deel aan de man heeft voldaan, bij uitblijven van betaling door de man door de schuldeisers wordt aangesproken en zodoende nog eens moet betalen, acht het hof het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij de helft van het bedrag van ieder van de schulden rechtstreeks aan de schuldeisers voldoet, redelijk. Weliswaar lost de man maandelijks € 150,- respectievelijk € 54,- per maand op de schulden af, maar dit zijn telkens slechts geringe bedragen, en uit de brief van de ING Bank van 2 juli 2010 over de door hem getroffen betalingsregeling inzake de schuld aan de Postbank blijkt voorts, dat hij deze regeling eerst enkele maanden na de bestreden beschikking heeft getroffen, terwijl voordien de vrouw reeds rechtstreeks aan de ING Bank heeft moeten betalen.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man de schuld aan de Postbank in verband met het consumptief krediet onder nummer [1] en de schuld aan Comfort Card onder nummer [2] voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen, met dien verstande dat de vrouw ter zake van deze schulden een bedrag van totaal € 17.630,50 rechtstreeks aan de schuldeisers zal voldoen;

veroordeelt de vrouw ter zake van de schuld aan de Postbank in verband met het consumptief krediet onder nummer [1] en de schuld aan Comfort Card onder nummer [2] een bedrag van totaal € 17.630,50 rechtstreeks aan de schuldeisers te voldoen, met dien verstande dat indien de vrouw in enig jaar minder afgelost zou hebben dan de man, de man het verschil rechtstreeks onder de vrouw kan executeren;

in incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.G. Kleene-Eijk en B.F.P. Lhoëst in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2011.