Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
200.022.292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Marokkaans huwelijksvermogensrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.022.292

(zaaknummer rechtbank 215382 / HA ZA 06-1653)

arrest van de vierde civiele kamer van 27 september 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.H. van den Berg,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep, verder te noemen “de man”,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.J.J.M. Pubben.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 8 juni 2010. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 20 oktober 2010 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Daarna heeft de vrouw op 21 december 2010 een akte genomen.

1.3. Daarna heeft de man op 1 februari 2011 een akte na comparitie genomen.

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof wederom arrest bepaald.

2. De verdere motivering van de beslissing in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 In voornoemd tussenarrest heeft het hof:

in het principaal hoger beroep:

(i) geoordeeld dat grief 1 faalt, zodat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Marokkaanse recht;

(ii) geoordeeld dat grief 6 faalt;

(iii) het oordeel omtrent de grieven 2 tot en met 5, 7 en 8 aangehouden;

in het incidenteel hoger beroep:

(iv) geoordeeld dat de grieven 1 en 2 falen;

(v) het oordeel omtrent grief 3 aangehouden,

en voorts in het principaal en incidenteel hoger beroep iedere verdere beslissing aangehouden.

2.2 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in dat tussenarrest, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist. Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op zijn oordeel dat de vrouw geen grief heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap 23 juli 2003 heeft te gelden, zodat het hof daaraan gebonden is. In de rechtsoverwegingen 4.14, 4.16 en 4.22 van het bestreden vonnis van de rechtbank ligt naar het oordeel van het hof besloten dat de rechtbank voornoemde datum als peildatum hanteert. Daar komt nog bij dat de vrouw ook niet heeft gesteld van welke peildatum anders zou moeten worden uitgegaan.

2.3 Tussen partijen is onder andere nog in geschil of de villa in Meknes tussen partijen verdeeld dient te worden. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op een deel van (de waarde van) de villa. De man heeft de grieven en de stellingen van de vrouw gemotiveerd bestreden.

2.4 Het meest verstrekkend in dit verband zijn de navolgende stellingen van de man:

(i) met de betaling van de man aan de vrouw van Dirham 21.000 na de echtscheiding zijn alle financiële aspecten van de echtscheiding tussen partijen afgewikkeld, zodat de vrouw niets meer te vorderen heeft;

(ii) de villa in Meknes is verworven met uitsluitend voorhuwelijks vermogen van de man;

(iii) door verkoop van de villa door de vrouw aan de man hebben partijen met elkaar afgerekend ter zake van deze villa, zodat de vrouw niets meer te vorderen heeft.

Het hof ziet aanleiding deze stellingen eerst te bespreken. Indien deze stellingen van de man gevolgd zouden moeten worden, komt het hof niet meer toe aan de vraag of ingevolge het hier toepasselijke Marokkaanse recht, de vrouw recht heeft op een deel van (de waarde van) de villa.

2.5 Ten aanzien van de betaling van het bedrag van Dirham 21.000,- geldt het volgende. De vrouw heeft erkend dit bedrag te hebben ontvangen, maar zij heeft betwist dat dit aan haar is betaald uit hoofde van de afwikkeling van het huwelijks vermogen. Zij heeft, onder verwijzing naar de artikelen 83, 84 en 97 Mudawwana (verder: ‘Mud’), aangevoerd dat dit bedrag betrekking heeft op de uitgestelde bruidsgave en een bedrag voor het levensonderhoud.

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde artikelen uit de Mud kan worden afgeleid dat, indien een verzoening niet bewerkstelligd kan worden, de rechtbank binnen 30 dagen een bedrag vaststelt dat de man ter griffie dient te deponeren ter voldoening van de uitgestelde bruidsgave, het levensonderhoud gedurende de wachtperiode en - indien dit zich voordoet - een schadeloosstelling. Nu de man ook zelf heeft verklaard dat hij dit bedrag bij de echtscheiding aan de rechtbank in Marokko heeft betaald en dat dit kan worden vergeleken met een soort alimentatie, dient - zonder nadere feiten of omstandigheden die de man niet heeft aangevoerd ter betwisting van de gemotiveerde stelling van de vrouw - ervan te worden uitgegaan dat dit bedrag betrekking heeft op de uitgestelde bruidsgave en een bedrag voor het levensonderhoud en niet op de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van het gewezen huwelijk van partijen. Het verweer van de man faalt daarom.

2.6 De man heeft verder nog gesteld dat de door partijen tijdens hun huwelijk gezamenlijk gekochte villa in Meknes is gefinancierd met uitsluitend voorhuwelijks vermogen, te weten met de netto verkoopopbrengst van een woning aan de [adres] die hij met zijn toenmalige echtgenote (niet zijnde de vrouw) had gekocht en die hij daarom reeds ver vóór het huwelijk van partijen bezat. Volgens de man is met deze verkoopopbrengst van f 47.000,- in eerste instantie ruim vóór de huwelijkssluiting met de vrouw een huis in Fez gekocht en is vervolgens in 1987 met de verkoopopbrengst van het huis in Fez de villa in Meknes gekocht. Volgens de man is de villa in Meknes daarom gekocht met voorhuwelijks vermogen.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de man in Nederland een huis bezat. Partijen zijn het er immers over eens dat de man voorafgaand aan de huwelijkssluiting met de vrouw een huis in Fez bezat zodat het huis in Fez voorhuwelijks vermogen van de man is. De man heeft echter niet, althans onvoldoende duidelijk gesteld voor welk bedrag hij het huis in Fez heeft verkocht. De vrouw heeft aangevoerd dat de bovenverdieping is verkocht voor een bedrag van f 12.000,- (€ 5.445,63) . De man heeft die stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Bovendien sluit de stelling van de vrouw dat alleen de bovenverdieping is verkocht aan bij de stelling van de man dat zijn voormalige echtgenote na de echtscheiding in de benedenverdieping van het huis in Fez is blijven wonen en dat de villa in Meknes werd gekocht omdat de vrouw niet in de bovenverdieping in het huis in Fez wilde wonen. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat partijen de villa in Meknes destijds met eigen middelen voor ca. f 400.000,- hebben gekocht en dat de waarde van de villa is getaxeerd op Dirham 1.432.500 (€ 126.680,23). Ook dit heeft de man niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden. Nu de man evenmin heeft gesteld dat hij over ander voorhuwelijks vermogen beschikte, brengt het voorgaande met zich dat niet is komen vast te staan dat de villa in Meknes met voorhuwelijks vermogen is verworven. Dit betekent dat het betoog van de man faalt en dat indien het tot enige vergoeding aan de vrouw zou komen, het hof ervan zal uitgaan dat uitsluitend een bedrag gelijk aan f. 12.000,- (€ 5.445,63) gedeeld door het bedrag ter zake van de totale waarde van de villa in euro op de peildatum, met voorhuwelijks vermogen is verkregen en niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.7 De man heeft tot slot nog gesteld dat hij ter zake van de villa in Meknes reeds met de vrouw heeft afgerekend. Hiertoe heeft hij zich beroepen op een in het Arabisch opgestelde koopovereenkomst van 2 september 2002. Uit de door een beëdigd vertaler bij de rechtbank Den Haag opgestelde Nederlandse vertaling kan worden afgeleid dat de vrouw de villa in Meknes aan de man heeft verkocht voor een bedrag van Dirham 32.000,- en dat zij heeft verklaard dit bedrag te hebben ontvangen.

Het hof stelt voorop dat de vrouw geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat haar beroep op vernietiging van deze koopovereenkomst, wegens misbruik door de man van haar geestelijke gesteldheid en van het feit dat zij niet kon lezen, moet worden verworpen. Het hof is dan ook aan dit oordeel gebonden. Wel heeft de vrouw stellig ontkend dat de handtekening op de koopovereenkomst haar handtekening is.

Anders dan de man lijkt te betogen, betreft het hier, nu de man een buitenlandse akte heeft overgelegd, geen authentieke akte in de zin van artikel 156 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (verder: Rv), waaraan de in artikel 157 lid 1 Rv vermelde dwingende bewijskracht toekomt. Dit betekent dat de man ingevolge artikel 159 lid 2 Rv het bewijs moet leveren van de echtheid van de handtekening van de vrouw. Het hof zal de man dan ook in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat de handtekening op de koopovereenkomst van 2 september 2002 van de vrouw afkomstig is. Dat de vrouw in eerste instantie had gerefereerd aan het feit dat de man haar een document heeft laten tekenen, leidt niet tot een ander oordeel, nu zij eerst nadat de man die stelling naar voren had gebracht, kennis heeft kunnen nemen van de koopovereenkomst, zij gemotiveerd heeft aangegeven dat haar eerdere stelling betrekking had op een ander document en zij ter comparitie in hoger beroep heeft betwist dat zij met de man naar het gemeentehuis is geweest. Dat in de akte het nummer, vermeld in het Marokkaanse paspoort van de vrouw, staat doet evenmin aan het voorgaande af, omdat de vrouw heeft verklaard dat haar paspoorten in huis lagen en de man die gewoon mee kon nemen. De man heeft dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden. Daar komt nog bij dat met het blote oog waarneembaar is dat er een aanzienlijke discrepantie bestaat tussen de door de vrouw geplaatste handtekening op het proces-verbaal van de eerste comparitie in eerste aanleg van 12 april 2007 en de handtekening in haar Nederlandse paspoort, die beide overeenstemmen enerzijds en de handtekening in de koopovereenkomst anderzijds. Ook de man heeft erkend dat de handtekening op de koopovereenkomst verschilt van de handtekening op het paspoort. Voorts bestaat er naar het oordeel van het hof een discrepantie tussen de handtekening op de koopovereenkomst en de handtekening op het Arabische paspoort van de vrouw.

2.8 Het voorgaande brengt met zich dat het hof het oordeel omtrent de grieven 3, 4 en grief 5 (nu het oordeel omtrent grief 5 daarmee samenhangt) zal dienen aan te houden in verband met bewijslevering door de man. Indien de man het door hem te leveren bewijs door middel van een handschriftdeskundige wenst te leveren, stelt het hof voor om mevrouw

R. ter Kuile-Haller (forensisch schriftdeskundige), wonende te [woonplaats] als deskundige te benoemen. Het hof zal de man verzoeken zich bij akte erover uit te laten door welke middelen hij het bewijs wenst te leveren en, indien hij dit bewijs door middel van een handschriftdeskundige wenst te leveren, zich alvast uit te laten over de persoon van deze deskundige en de navolgende aan de te benoemen deskundige te stellen vraag:

”Is de handtekening op de door de man op 16 juni 2010 ter griffie van het hof gedeponeerde verkoopakte in de Arabische taal van onroerend goed nr. 05/51870 van 2 september 2002, van de vrouw afkomstig, mede gelet op de door haar geplaatste handtekeningen op haar Nederlandse en Arabische paspoort, waarvan een kopie is aangehecht bij het proces-verbaal van de comparitie van partijen in hoger beroep van 20 oktober 2010 ?”.

De vrouw zal in dat geval vervolgens in de gelegenheid worden gesteld zich eveneens over de persoon en te stellen vraag uit te laten.

2.9 Uitsluitend voor het geval de man niet zou slagen in zijn bewijs, ligt de vraag voor of de vrouw ingevolge het Marokkaanse recht, zoals dat sinds 2004 geldt, recht heeft op een deel van de (waarde van) het tijdens het huwelijk verkregen vermogen. In dat geval zal het hof een oordeel dienen te geven omtrent de wijze waarop artikel 49 Mud dient te worden uitgelegd. Het hof ziet thans reeds aanleiding enkele overwegingen aan artikel 49 Mud te wijden.

2.10 De vrouw heeft gesteld dat uit artikel 49 Mud volgt dat zij recht heeft op de helft van de villa in Meknes, omdat de woning tijdens het huwelijk op beider naam stond en is gekocht met inkomsten die tijdens het huwelijk zijn verkregen, (mede) door inspanningen van de vrouw. De man heeft de toepasselijkheid van artikel 49 Mud bestreden. Hij stelt dat artikel 49 Mud alleen van toepassing is in het geval sprake is van huwelijkse voorwaarden, hetgeen bij hem en de vrouw niet het geval is.

2.11 De vrouw heeft een vertaling van de tekst van artikel 49 Mud door mr. drs. M.S. Berger in het geding gebracht, die luidt:

“Art. 49 - Beide echtgenoten behouden de bevoegdheid om over hun vermogen te beschikken, onafhankelijk van die van de ander. Binnen het kader van het beheer van vermogensbestanddelen welke zijn verworven gedurende het huwelijk kunnen beide [echtgenoten] overeenstemming bereiken over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan.

Deze overeenstemming wordt opgenomen in een akte welke onafhankelijk is van de huwelijksovereenkomst.

- De twee c adls stellen de twee partijen bij hun huwelijk in kennis van voormelde bepalingen.

Indien er geen overeenstemming is, wordt gebruik gemaakt van de algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin.”

2.12 Daarnaast heeft zij verwezen naar (onder andere) het arrest van het hof Amsterdam van 23 maart 2010, LJN BL9459. In dit arrest wordt gerefereerd aan een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (verder: IJI) omtrent de uitleg van enkele zinsneden uit artikel 49 Mud. Het hof Amsterdam overweegt in dat arrest:

“Volgens het rapport van het IJI ontstaat in het algemeen naar Marokkaans recht door het huwelijk als zodanig geen gemeenschappelijk vermogen. Een echtgenoot kan aanspraak maken op vergoeding voor tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de andere echtgenoot in de vorm van een deel van de vermogensaanwas. Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 49 Mud heeft de regering erop gewezen dat dit artikel ruim geredigeerd is en hiermee de mogelijkheid geeft om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Mede gelet op het feit dat een waardering door de rechter uitsluitend betrekking kan hebben op hetgeen gedurende het huwelijk is verkregen, komt het het IJI voor dat de laatste zin van artikel 49 Mud uitdrukkelijk niet doelt op een concrete bijdrage tot waardevermeerdering. Werkzaamheden in de huishouding door een echtgenoot die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de andere echtgenoot, kunnen op grond van artikel 49 Mud een grondslag vormen voor een aanspraak op vergoeding jegens laatstgenoemde echtgenoot. Het is aan de rechter om een dergelijke aanspraak te beoordelen in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. Naar het hof begrijpt is er volgens het rapport geen jurisprudentie over de vraag wat dient te worden verstaan onder “de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede wat is ingebracht aan inspanningen”. Voorts is in het IJI-rapport vermeld dat in het algemeen geen informatie is aangetroffen over enig onderscheid tussen goederen op naam en goederen niet op naam in het Marokkaanse recht betreffende de vermogens van de respectievelijke echtgenoten.”

2.13 In het proefschrift van mr. L. Jordens-Cotran “Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederland IPR, Sdu, 2007” staat, voor zover thans van belang, op pagina’s 780 en 782 het volgende:

“Artikel 49 Mud bevestigt de geldende algehele scheiding van goederen: ieder der echtgenoten beschikt over een eigen, onafhankelijk vermogen. Partijen zijn echter vrij om afspraken te maken over het beheer van het vermogen dat gedurende het huwelijk verkregen zal worden en over de wijze van verdeling ervan (pagina 780 van het proefschrift).

(…)

Hebben partijen geen afspraken bij huwelijkssluiting gemaakt of rijst onenigheid hierover, dan beslist de rechter hierover rekening houdend met ‘wat is ingebracht aan inspanning en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin’ (artikel 49, laatste alinea Mud).

Uit deze woorden zouden twee conclusies getrokken kunnen worden. Ten eerste dat ook zonder het aangaan van een overeenkomst bij het aangaan van het huwelijk, de belanghebbende partij een deel van het opgebouwde vermogen kan opeisen, bijvoorbeeld bij huwelijksontbinding. De tweede conclusie is dat ook de soort ‘inspanning’ en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter beoordeeld moeten worden. Artikel 49 Mud specificeert niet de soort bijdrage die door iedere echtgenoot geleverd moet worden om aanspraak op een deel van het vermogen te doen gelden. Tijdens de parlementaire behandeling wordt door de regering erop gewezen dat artikel 49 Mud ruim geredigeerd is en hiermee aan de rechter de mogelijkheid geeft om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Van essentieel belang hierbij is de mededeling van de Marokkaanse regeling dat het zwijgen van de wet over de bijdrage van de vrouw aan de huishouding niet mag worden uitgelegd als een uitsluiting hiervan; integendeel. De wet is juist ruim opgesteld ‘om de gelijke behandeling van de man en vrouw in de familiewet te benadrukken’.Van belang zijn ten slotte de ‘geruststellende’ woorden van de toelichting op artikel 49 Mud, die heel waarschijnlijk tot het mannelijke gedeelte van de Marokkaanse bevolking zijn gericht. Hierin benadrukt het ministerie van Justitie dat de evaluatie door de rechter van de inspanning en bijdrage van iedere echtgenoot geenszins tot een verdeling ‘door de helft’ van het vermogen leidt. De strekking van dit verbod is mijns inziens onduidelijk. Ligt hierin een verbod aan de rechter om het vermogen dat tijdens het huwelijk verkregen is gelijkelijk tussen beide echtgenoten te verdelen of wordt hiermee een verbod geuit op een afwijking van de gewone uitsluiting van goederen die nog steeds (het hof begrijpt: geldt) met betrekking tot de goederen die ieder de echtgenoten bij huwelijkssluiting had? (…)”(pagina 782 van het proefschrift).

2.14 Naar het oordeel van het hof kan uit de bewoordingen van artikel 49 Mud, bezien in onderling verband met de hiervoor geciteerde passages van het IJI - die naar het oordeel van het hof ook in dit geval relevant zijn - alsmede uit de geciteerde passages van het proefschrift van Jordens-Cotran in ieder geval worden afgeleid dat:

(i) de vrouw ook zonder dat partijen afspraken hebben gemaakt over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling van vermogensbestanddelen die tijdens het huwelijk zijn verworven, bij ontbinding van het huwelijk een deel van de waarde van de villa in Meknes kan opeisen indien zij bewijst dat zij door haar inspanning en werkzaamheden aan die waarde heeft bijgedragen, en

(ii) artikel 49 Mud mede omvat werkzaamheden die de vrouw heeft verricht in de huishouding.

2.15 Gelet hierop dient op grond van het voorgaande voorbij te worden gegaan aan de stelling van de man dat artikel 49 Mud bij gebreke van huwelijkse voorwaarden niet van toepassing is. In zoverre slaagt grief 2 in het principaal hoger beroep.

2.16 Onduidelijk is echter naar het oordeel van het hof hoe artikel 49 Mud dient te worden toegepast in de situatie waarin, zoals in dit geval vaststaat, de woning door de man en de vrouw gedurende het huwelijk gezamenlijk in eigendom is verworven. Brengt de gezamenlijke eigendom met zich dat zowel de man als de vrouw ieder recht op de helft van de waarde van de woning op de peildatum hebben of dient aan de hand van artikel 49 Mud te worden vastgesteld tot welk deel van de waarde van de villa op de peildatum de vrouw en de man ieder gerechtigd zijn? Indien artikel 49 Mud toepassing zou vinden en de uitkomst zou zijn dat de vrouw recht heeft op een deel van (de waarde van) de villa, dient in dat geval rekening te worden gehouden met het feit dat zij reeds mede-eigenaar is van de villa en zo ja op welke wijze (ieder voor een gelijk deel of ieder voor een ongelijk deel)? Indien bijvoorbeeld de toepassing van artikel 49 Mud ertoe zou leiden dat de vrouw voor 50% gerechtigd is tot de villa en zij uit hoofde van haar mede-eigendomsrecht reeds aanspraak heeft op 50% van (de waarde van) de villa, zou dit betekenen dat zij in feite niets meer van de man te vorderen heeft. In het geval dat de toepassing van artikel 49 Mud er bij voorbeeld toe zou leiden dat zij voor minder dan 50% gerechtigd is tot de villa en ervan te worden uitgegaan dat zij uit hoofde van haar mede-eigendomsrecht reeds aanspraak heeft op 50% van (de waarde van) de villa, zou dit betekenen dat zij gehouden is om dit mindere deel aan de man over te dragen c.q. het equivalent van de waarde aan de man te betalen?

Het hof zou zich kunnen voorstellen om - in het geval de man niet slaagt in zijn bewijsopdracht - ten aanzien van bovengenoemde onduidelijkheden een deskundigenbericht te gelasten met benoeming van mevrouw Jordens-Cotran als deskundige. Het hof wenst een en ander met partijen, aansluitend aan een eventueel te houden getuigenverhoor, met partijen te bespreken in een comparitie van partijen. Partijen dienen er rekening mee te houden dat de kosten van een deskundigenbericht voor rekening van (een der) partijen komen.

2.17 Ten aanzien van grief 8, dat betrekking heeft op de pensioenverevening, oordeelt het hof als volgt. In het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg staat, voor zover thans van belang, vermeld:

“Ter beëindiging van een deel van hun geschil komen partijen als volgt overeen:

(…)

3. De pensioenrechten die de man gedurende de huwelijkse periode heeft opgebouwd dienen te worden verrekend volgens de WVP.

(…)”

2.18 Uit deze, naar het oordeel van het hof duidelijke bewoordingen, volgt dat partijen uitdrukkelijk een pensioenverevening op grond van de WVP zijn overeengekomen. Dat partijen hebben bedoeld dat de vrouw, voor het geval zij ingevolge de WVP geen recht op pensioenverevening zou hebben, een rechtstreekse aanspraak op de man zou verkrijgen, heeft de vrouw in het licht van deze bewoordingen en de gemotiveerde betwisting van de man, onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de vrouw eerst na de comparitie kennis heeft genomen van het standpunt van het pensioenfonds dat zij ingevolge artikel 3 lid 3 van de WVP geen recht op pensioenverevening heeft, doet aan de ter comparitie gemaakte afspraak niet af.

Nu de vrouw de stelling van de man dat het bedrag waarop op het tijdstip van de echtscheiding recht op uitbetaling bestond - kort gezegd - te laag is ook inhoudelijk niet heeft bestreden, dient ervan te worden uitgegaan dat zij ingevolge artikel 3 lid 3 van de WVP geen recht op pensioenverevening heeft. Dit betekent dat zij, nu de WVP in dat geval geen rechtstreekse aanspraak doet ontstaan jegens de man en partijen dit ook niet zijn overeengekomen, uit hoofde van pensioenverevening geen vordering op de man heeft. Grief 8 faalt.

Slotsom

2.19 De slotsom van het voorgaande is dat:

(i) de man in de gelegenheid zal worden gesteld om te bewijzen dat de handtekening op de door de man op 16 juni 2010 ter griffie van het hof gedeponeerde verkoopakte in de Arabische taal van onroerend goed nr. 05/51870 van 2 september 2002, van de vrouw afkomstig is;

(ii) de man in de gelegenheid zal worden gesteld om zich bij akte uit te laten zoals vermeld in rechtsoverweging 2.8, waarna de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om hierop bij akte te reageren;

(iii) grief 2 in het principaal beroep gedeeltelijk slaagt en grief 8 in dat beroep faalt, en dat

(iv) iedere verdere beslissing, waaronder die in het incidenteel hoger beroep, zal worden aangehouden.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat de man toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de handtekening op de door de man op 16 juni 2010 ter griffie van het hof gedeponeerde verkoopakte in de Arabische taal van onroerend goed nr. 05/51870 van 2 september 2002, van de vrouw afkomstig is;

bepaalt dat, indien de man dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.H. Lieber, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat de man het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden november en december 2011 en januari en februari 2012 zullen opgeven op de roldatum 18 oktober 2011, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de man overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt voorts dat, indien er getuigen worden voorgebracht, partijen in persoon, tezamen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn en bij de aansluitend aan dat getuigenverhoor te houden comparitie van partijen, zulks opdat van de kant van partijen zelf zonodig nadere inlichtingen zullen kunnen worden gegeven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord, als opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor / de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

stelt de man in de gelegenheid om zich op de roldatum 18 oktober 2011 bij akte uit te laten zoals vermeld in rechtsoverweging 2.8, waarna de vrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om hierop bij akte te reageren;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.M. Mens, J.H. Lieber en J.G. Luiten en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2011.