Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8421

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
200.083.541/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de toetsing van een algemene gestandaardiseerde werkwijze die als dienst aan de eigen opdrachtgevers wordt aangeboden, is wel een rol voor de tuchtrechter weggelegd om te toetsen of die werkwijze een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt.

Bij de executie dient de gerechtsdeurwaarder te blijven binnen de grenzen van de bevoegdheden die het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hem verleent, ook als een andere wijze van executeren wellicht effectiever zou zijn. Dat wetboek hanteert het uitgangspunt dat beslaglegging op roerende zaken, ook in de executoriale fase, niet automatisch meebrengt dat de zaak uit de feitelijke macht van de debiteur verdwijnt.

Een wielklem kan onder omstandigheden worden beschouwd als een praktische manier om de uitvoering van de inbewaringgeving te verzekeren. Zonder de noodzakelijkheidstoets heeft de wielklem echter, zoals de kamer terecht heeft overwogen, het karakter van een buitenwettelijk, en dus onwettig, pressiemiddel.

Het hof deelt het standpunt van de kamer dat de gerechtsdeurwaarder bij de beslaglegging niet uitsluitend mag afgaan op een mededeling van een collega-deurwaarder of een opdrachtgevende overheid dat er een executoriale titel bestaat die aan de debiteur is betekend. De gerechtsdeurwaarder zal zelf kennis moeten nemen van de titel en de betekening daarvan en zal daartoe minst genomen moeten beschikken over een (al dan niet elektronische kopie van de) grosse voordat het beslag feitelijk wordt gelegd. Wat ook zij van de vraag of het juist is om op grond van een kopie van een grosse te executeren, tuchtrechtelijk laakbaar is dat in ieder geval niet.

Evenals de kamer ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel, omdat over de hier aan de orde zijnde materie nog niet eerder een richtinggevende uitspraak is gedaan en de onderhavige procedure is bedoeld als proefprocedure.

Het hof bekrachtigt de bestreden beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 18 oktober 2011 in de zaak van:

[ GERECHTSDEURWAARDER ],

gerechtsdeurwaarder te [ plaatsnaam ],

APPELLANT,

t e g e n

KONINKLIJKE NEDERLANDSE BEROEPSORGANISATIE VAN GERECHTSDEURWAARDERS,

gevestigd en kantoorhoudend te Den Haag,

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder de gerechtsdeurwaarder, is bij een op

7 maart 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 8 februari 2011, waarbij de kamer de door geïntimeerde, verder de KBvG, tegen de gerechtsdeurwaarder ingediende klacht gegrond heeft verklaard zonder oplegging aan hem van een maatregel.

1.2. Van de zijde van de KBvG is op 29 april 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 september 2011, waar zijn verschenen de gemachtigde van de KBvG en de gerechtsdeurwaarder. Beiden hebben het woord heeft gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken. Bovendien heeft het hof voorafgaand aan de zitting een door de gerechtsdeurwaarder in het geding gebrachte DVD bekeken, waarop de door hem gehanteerde werkwijze wordt gedemonstreerd.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat, met dien verstande dat het hof uit de aanvullende uitleg van de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep begrijpt dat de werkwijze van DebtScan als volgt is.

Vanuit een voertuig worden de kentekens gescand van motorvoertuigen die op de openbare weg staan geparkeerd. De gescande kentekens worden, anders dan in de bestreden beslissing is vermeld, niet vergeleken met de gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW), maar alleen met de mobiele database van de gerechtsdeurwaarder. In die mobiele database heeft de gerechtsdeurwaarder opgenomen alle kentekens van motorvoertuigen die blijkens de gegevens van de RDW op naam staan van debiteuren van klanten die de gerechtsdeurwaarder opdracht hebben gegeven titels te executeren. Als een kenteken overeenkomt met een kenteken in de database (“een hit”) wordt vervolgens gecontroleerd bij de RDW of het kenteken nog steeds op naam van de desbetreffende debiteur staat. Als dat het geval is wordt contact opgenomen met de opdrachtgever met de vraag of in de status van het dossier iets is gewijzigd. Als die vraag ontkennend wordt beantwoord volgen beslaglegging en plaatsing van een wielklem alsmede afvoer van het motorvoertuig binnen 24 uur, tenzij de debiteur voor die tijd heeft betaald.

4. Het standpunt van de KBvG

4.1. De KBvG meent dat de hiervoor omschreven, door de gerechtsdeurwaarder sinds enkele jaren onder de naam DebtScan aangeboden dienst strijdig is met de artikelen 1, 8 en 12 van de Verordening Beroep- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders. Het bezwaar van de KBvG is drieledig.

4.2. Ten eerste maakt artikel 446 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder Rv., gerechtelijke bewaring mogelijk indien die voor het behoud van de inbeslaggenomen zaak redelijkerwijs noodzakelijk is. Een dergelijke noodzakelijkheidstoets wordt door de gerechtsdeurwaarder niet uitgevoerd; zodra wordt bevestigd dat de eigenaar van een motorvoertuig een openstaande vordering heeft, wordt standaard een wielklem geplaatst. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om artikel 446 Rv. op een zo stelselmatige wijze toe te passen.

4.3. Ten tweede is in artikel 446 Rv. met het in bewaring geven aan een geschikte bewaarder niet bedoeld het plaatsen van een wielklem.

4.4. Ten derde is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder wanneer hij beslag legt in opdracht van een andere gerechtsdeurwaarder, niet altijd in het bezit is van een titel, zoals wordt geëist in artikel 434 Rv. Deze handelwijze staat op gespannen voet met de zorgvuldigheid die van een executerend gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht. Hij heeft de plicht zelf te toetsen of de bevoegdheid tot beslaglegging wel bestaat, ook wanneer hij een executieopdracht van een andere gerechtsdeurwaarder overneemt. Het bezit van een grosse of in ieder geval een kopie daarvan is daarvoor een vereiste.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder meent dat de KBvG de wet te eng interpreteert. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest dat een te enge interpretatie ertoe leidt dat het beslag op onwenselijke grenzen stuit en daardoor minder goed of efficiënt aan zijn doel beantwoordt. De bevoegdheid een gerechtelijk bewaarder aan te stellen impliceert dat de deurwaarder de beslagen zaken onder zich mag nemen en naar de bewaarder overbrengen. Voordat een motorvoertuig wordt overgedragen aan de bewaarder mag de gerechtsdeurwaarder dat onder zich nemen door middel van een wielklem. De wetgever verbiedt deze (stelselmatige) werkwijze niet. De gerechtsdeur¬waarder heeft de ervaring dat een gewoon beslag op een motorvoertuig feitelijk geen zin heeft, omdat het beslag de debiteur niet verhindert het voertuig te gebruiken, met waardevermindering en kans op schade tot gevolg. DebtScan maakt gebruik van een nieuwe technologie die de wetgever niet heeft kunnen voorzien, maar is in overeenstemming met de doelstelling van de modernisering van het beslag- en executierecht in 1992. De overheid zelf maakt al geruime tijd en op grote schaal gebruik van dezelfde methodiek, zonder dat zij, zoals de gerechtsdeurwaarder, is onderworpen aan het tuchtrecht op grond van de Gerechtsdeurwaarderswet. Het aanbrengen van een wielklem voor de overdracht van het voertuig aan de bewaarder is een effectieve en kostenbesparende maatregel. Het aanstonds afvoeren van het voertuig zou voor de debiteur juist tot hoge kosten leiden. Met de wielklem worden die kosten beperkt, omdat een betaling van de schuld na de plaatsing van de wielklem ertoe leidt dat het voertuig niet hoeft te worden afgevoerd.

5.2. De te executeren titels worden aangeleverd door overheidsinstanties en/of andere gerechtsdeurwaarders. De controle op de bevoegdheid om beslag te leggen vindt plaats doordat ook de datum van betekening van de titel moet worden doorgegeven, zodat kan worden vastgesteld of de titel voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder om de titels te controleren; hij mag afgaan op de mededelingen van de aanleverende gerechtsdeurwaarder of overheid. Wel wordt altijd bij de RDW gecontroleerd of het voertuig nog op naam van de debiteur staat en wordt de status van het dossier nagevraagd bij de opdrachtgever.

6. De beoordeling

6.1. In beginsel dient het oordeel over de rechtmatigheid van het optreden van een gerechtsdeurwaarder in het kader van de executie te worden overgelaten aan de executierechter. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de toetsing van een algemene gestandaardiseerde werkwijze die als dienst aan de eigen opdrachtgevers wordt aangeboden, is echter wel een rol voor de tuchtrechter weggelegd om te toetsen of die werkwijze een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Hieraan kan niet afdoen dat de overheid, die een soortgelijke werkwijze hanteert, niet aan die tuchtrechtspraak is onderworpen. Het hof merkt daarbij overigens op dat de werkwijze van door de gerechtsdeurwaarder bedoelde overheidsinstanties wellicht hetzelfde is, maar dat de wettelijke grondslag waarop deze berust (WAHV, lokale verordeningen) een andere is dan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6.2. Bij de executie dient de gerechtsdeurwaarder te blijven binnen de grenzen van de bevoegdheden die het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hem verleent, ook als een andere wijze van executeren wellicht effectiever zou zijn. Dat wetboek hanteert het uitgangspunt dat beslaglegging op roerende zaken, ook in de executoriale fase, niet automatisch meebrengt dat de zaak uit de feitelijke macht van de debiteur verdwijnt. Niet alleen bij motorvoertuigen, maar bij alle roerende zaken betekent dat dat de debiteur de beslagen zaken in beginsel kan blijven gebruiken, met alle (mogelijke) nadelige gevolgen van dien. De wetgever heeft het niet nodig gevonden voor motorvoertuigen een uitzondering in de wet op te nemen, zoals dat bij contant geld en andere geldswaarde hebbende papieren wel is gebeurd in artikel 445 Rv., ook niet bij de betrekkelijk recente wijziging van het beslag- en executierecht recht in 1992.

6.3. In artikel 446 Rv. is bepaald dat de gerechtsdeurwaarder tot inbewaringgeving kan overgaan, indien dat voor het behoud van de in beslag genomen zaak redelijkerwijze noodzakelijk is. De gerechtsdeurwaarder dient die noodzakelijkheidstoets in ieder individueel geval te verrichten en wel aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals de kenmerken van de vordering, de debiteur en het beslagen goed. Deze toets is niet wezenlijk anders dan die welke bij andere inbeslagnemingen van roerende zaken moet worden verricht en waartoe de gerechtsdeurwaarder zonder meer in staat moet worden geacht. Hoewel algemene richtlijnen moeilijk zijn te geven, deelt het hof dan ook niet de door de gerechtsdeurwaarder ter zitting uitgesproken vrees dat de verplichting deze noodzakelijkheidstoets ook bij beslag op motorrijtuigen te verrichten hem vogelvrij zou maken.

6.4. Als de gerechtsdeurwaarder de hiervoor bedoelde noodzakelijkheidstoets heeft verricht en tot de conclusie komt dat bewaring noodzakelijk is, wat in dit geval zal betekenen dat het motorvoertuig moet worden opgehaald door de bewaarder/berger, kan niet worden gezegd dat het aanbrengen van een wielklem om te voorkomen dat het motorvoertuig voor de komst van de bewaarder wordt weggereden, een oneigenlijk drukmiddel is om de debiteur zonder wettelijke basis te bewegen tot betaling over te gaan. Onder die omstandigheden kan de wielklem worden beschouwd als een praktische manier om de uitvoering van de inbewaringgeving te verzekeren. Zonder de noodzakelijkheidstoets heeft de wielklem echter, zoals de kamer terecht heeft overwogen, het karakter van een buitenwettelijk, en dus onwettig, pressiemiddel.

6.5. Het hof deelt het standpunt van de kamer dat de gerechtsdeurwaarder bij de beslaglegging niet uitsluitend mag afgaan op een mededeling van een collega-deurwaarder of van opdrachtgevende overheid dat er een executoriale titel bestaat die aan de debiteur is betekend. De gerechtsdeurwaarder zal zelf kennis moeten nemen van de titel en de betekening daarvan en zal daartoe minst genomen moeten beschikken over een (al dan niet elektronische kopie van de) grosse voordat het beslag feitelijk wordt gelegd. Wat ook zij van de vraag of het juist is om op grond van een kopie van een grosse te executeren, tuchtrechtelijk laakbaar is dat in ieder geval niet. In de door de voorzieningenrechters bij het verlenen van beslagverloven gehanteerde Beslagsyllabus, versie juni 2011, onder 2.20 gaat de rechtspraak zelf immers ook uit van de mogelijkheid dat op basis van een gefaxt exemplaar van een verleend verlof beslag wordt gelegd. Van de ten tijde van het indienen van de klacht gehanteerde werkwijze van DebtScan maakte de toezending van (een kopie van) de grosse echter geen deel uit, zodat ook dit deel van de klacht gegrond is.

6.6. Het hof is dus, met de kamer, van oordeel dat de door KBvG ingediende klacht gegrond is. Evenals de kamer ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel, omdat over de hier aan de orde zijnde materie nog niet eerder een richtinggevende uitspraak is gedaan en de onderhavige procedure is bedoeld als proefprocedure. Bovendien is ter zitting gebleken dat de gerechtsdeurwaarder al in 2009, toen de KBvG vraagtekens zette bij de toelaatbaarheid van de DebtScan-werkwijze, daarmee is opgehouden in afwachting van meer duidelijkheid.

6.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, M.W.E. Koopmann en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 18 oktober 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 8 februari 2011 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 594.2010 ingesteld door:

de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

klaagster,

gemachtigde [ ],

hierna de KBvG

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde

hierna de gerechtsdeurwaarder.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 23 augustus 2010, heeft de KBvG een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder.

Op 27 september 2010 is het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder ontvangen.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 16 november 2010. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Bij gelegenheid van die zitting is bepaald dat de gerechtsdeurwaarder, die niet was verschenen en desgevraagd telefonisch liet weten dat de oproep voor die zitting hem nooit had bereikt, de gelegenheid zou krijgen om voor 10 december 2010 een reactie en een gegevensdrager aan de Kamer en aan de KBvG te zenden. Aan de KBvG is de gelegenheid geboden om daarop (desgewenst) te reageren tot 6 januari 2011, waarna een uitspraak zou volgen op 8 februari 2011.

Het proces-verbaal en de door KBvG ter zitting overgelegde pleitnota zijn bij brief van 25 november 2010 aan partijen toegezonden.

Op 10 december 2010 is de reactie van de gerechtsdeurwaarder ontvangen, inclusief een CD met een promotiefilm, waarop de werkwijze van het [ ]-systeem getoond wordt. De KBvG heeft geen nadere reactie ingezonden.

De feiten

De gerechtsdeurwaarder biedt sinds een aantal jaren aan andere executerende gerechtdeurwaarders onder de noemer [ ] de volgende diensten aan. Vanuit een voertuig worden met technische hulpmiddelen kentekens van geparkeerde voertuigen op de openbare weg gescand en vergeleken met de gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer. Die gegevens worden dan weer vergeleken met de (mobiele) database van de gerechtsdeurwaarder. Wanneer een voertuig wordt gescand waarvan bekend is dat de eigenaar een openstaande schuld heeft, wordt bij de RDW nagevraagd of dat voertuig nog op diens naam staat. Vervolgens wordt met de opdrachtgever contact opgenomen met de vraag of een beslag op het voertuig gerechtvaardigd is. Zo ja, dan wordt het voertuig in beslag genomen en voorzien van een wielklem en een sticker met daarop de mededeling ‘beslag’. Aan de schuldenaar wordt de mogelijkheid geboden de schuld te voldoen, onder mededeling dat wanneer daaraan niet wordt voldaan het voertuig zal worden afgevoerd. De gerechtsdeurwaarder is zelf aandeelhouder van de entiteit [ ] en heeft een octrooi aangevraagd voor de gebruikte wielklem en een wereldwijd octrooi voor de werkwijze van [ ].

2. De klacht

De bezwaren van de KBvG kunnen als volgt worden samengevat:

Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest de bevoegdheid in beslag genomen zaken in bewaring te geven zo stelselmatig toe te passen als door de gerechtsdeurwaarder bij [ ] gebeurt. Van de toetsing door de gerechtdeurwaarder of het in bewaring geven voor het behoud van de in beslag genomen zaak redelijkerwijs noodzakelijk is, is geen sprake, aldus de KBvG.

De gerechtsdeurwaarder vereenzelvigt volgens de KBvG ten onrechte het plaatsen van een wielklem met het in bewaring geven aan een geschikte bewaarder als bedoeld in artikel 446 RV.

De handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, dat hij niet altijd in het bezit is van een executoriale titel wanneer hij beslag legt in opdracht van een andere gerechtdeurwaarder, staat volgens de KBvG op gespannen voet met de eisen genoemd in artikel 430 Rv en met de zorgvuldigheid die van een executerend gerechtdeurwaarder mag worden verwacht.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Kort samengevat heeft hij aangevoerd dat de bevoegdheid van een gerechtsdeurwaarder een gerechtelijk bewaarder aan te stellen impliceert dat de gerechtsdeurwaarder de zaken ook onder zich mag nemen, hetgeen het plaatsen van een wielklem volgens de gerechtdeurwaarder is. Deze handelwijze is volgens hem niet door de wetgever verboden. Van een noodzakelijkheidtoets is wel degelijk sprake omdat een “normaal” executoriaal beslag op een voertuig volgens de gerechtdeurwaarder geen zin heeft omdat de debiteur het voertuig kan verplaatsen en schade daaraan kan ontstaan. Hij bestrijdt dat hij het plaatsen van een wielklem vereenzelvigt met bewaargeving. Volgens hem betreft het de overbrugging van het moment van beslaglegging in afwachting van bewaargeving en is dit een effectieve, belemmerende en kostenbesparende maatregel. Volgens de gerechtdeurwaarder is het niet aan hem om de door collega-deurwaarders aangeleverde titels te controleren nu hij mag verwachten dat zij hiervoor instaan. De opdrachtgevende gerechtdeurwaarder dient eveneens de datum van betekening door te geven zodat feitelijk gecontroleerd wordt of de titel voor ten uitvoer legging vatbaar is.

De gerechtsdeurwaarder heeft de Kamer voorts een aantal vragen voorgelegd met betrekking (tot de kosten van) het gebruik van de wielklem. Voor zover van belang wordt hierna op het verweer van de gerechtsdeurwaarder nader ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

4.2 Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsbeoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, of een maatregel kan worden opgelegd.

4.3 In deze zaak is door de KBvG het al dan niet ontbreken van een wettelijke grondslag voor de handelwijze van de gerechtdeurwaarder in het kader van zijn [ ] activiteiten aan de Kamer voorgelegd. De Kamer overweegt dienaangaande het volgende.

4.4 Op grond van artikel 430 Rv kunnen de grossen van vonnissen en andere als executoriale titel aangewezen stukken eerst ten uitvoer worden gelegd na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten. Door overhandiging van de executoriale titel wordt de gerechtdeurwaarder ingevolge artikel 434 Rv gemachtigd tot het doen van die executie. Naar het oordeel van de Kamer dient een zorgvuldig handelend gerechtdeurwaarder zich er van te vergewissen, ook indien hij in opdracht van een collega-gerechtsdeurwaarder handelt, of hij op grond van een titel gemachtigd is executiehandelingen te verrichten. Hij zal daartoe kennis moeten nemen van de te executeren titel en de betekening daarvan.

4.5 De handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, waarbij hij zich er niet zelf van heeft vergewist - door kennisneming van de te executeren titel, de betekening daarvan en de aanzegging beslag - of de bevoegdheid tot beslaglegging wel bestaat alvorens hij overgaat tot het leggen van beslag, is op grond van het voorgaande in strijd met hetgeen een goed gerechtsdeurwaarder betaamt. De gerechtsdeurwaarder voert immers zelf aan, dat hij louter afgaat op de enkele mededeling van het bestaan van een executoriale titel, hetgeen strijdig is met de voorwaarde van ‘overhandiging’ als bedoeld in genoemd artikel 434 RV. De klacht van de KBvG op dit punt is dan ook gegrond.

4.6 Het plaatsen van een wielklem na inbeslagname van een voertuig is volgens de gerechtsdeurwaarder aan te merken als het onder zich nemen van het voertuig alvorens de zaak wordt overgedragen aan de bewaarder. De gerechtsdeurwaarder geeft aan dat na het plaatsen van de wielklem in principe de opdracht wordt gegeven om het voertuig binnen 24 uur na beslaglegging af te voeren door en naar een gerechtelijk bewaarder.

4.7 Uitgaande van de situatie dat de gerechtsdeurwaarder een geldige titel heeft, dat beslaglegging is aangezegd en dat de bij die aanzegging gegeven betalingstermijn is verstreken, is beslag op een voertuig door de gerechtsdeurwaarder mogelijk.

4.8 Op grond van artikel 446 Rv kan de deurwaarder bij beslaglegging het beslagene aan een door hem aan te wijzen geschikte bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, indien dit voor het behoud van deze zaken redelijkerwijze noodzakelijk is. Ingevolge artikel 854 Rv dient de deurwaarder eerst ter plaatse te onderzoeken of geen voor zodanige zaken aangewezen bewaarder tegen een redelijk loon te vinden is.

4.9 Bij de toets of gerechtelijke bewaring voor het behoud van de zaak redelijkerwijs noodzakelijk is, spelen ook de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een rol. Het enkele feit dat het niet onder zich nemen van een voertuig mogelijk tot waardevermindering (al dan niet tengevolge van schadegebeurtenissen) kan leiden is onvoldoende om bij beslag op voertuigen altijd tot bewaargeving over te gaan, met alle kosten die daarbij komen. Het onttrekken van het voertuig aan het beslag is een misdrijf, zodat er ook niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat in alle gevallen de gerechtvaardigde vrees bestaat dat het voertuig aan het beslag wordt onttrokken. De Kamer is van oordeel dat de KBvG zich terecht op het standpunt stelt dat de gerechtdeurwaarder niet zonder enig nader onderzoek, in alle zaken waar hij met het [ ] systeem een hit heeft, zonder meer tot het oordeel kan komen dat bewaargeving noodzakelijk is. Uit het wettelijk systeem volgt dat dit een individuele toets is. Reeds om die reden kan het [ ] systeem zoals dat volgens de gerechtdeurwaarder thans wordt gehanteerd, waarbij zonder meer wordt aangenomen dat in alle zaken bewaargeving redelijkerwijs noodzakelijk zou zijn, niet als een zorgvuldige uitvoering van de gerechtsdeurwaarderstaken in het kader van de executie worden aangemerkt.

4.10 Naar het oordeel van de Kamer is het aanbrengen van de wielklem als een soort voor- of tussenstadium na beslaglegging en voorafgaand aan een eventuele overbrenging naar een gerechtelijke bewaarder, het oneigenlijk oprekken van een wettelijke bepaling met het oogmerk het wettelijk systeem uit te breiden. Hoe wenselijk het uit het oogpunt van efficiëntie en kostenbesparing ook kan zijn om een wielklem aan te brengen om druk uit te oefenen op een debiteur om tot betaling over te gaan, voor die uitbreiding van executiemiddelen is een wettelijke basis nodig.

4.11 Anders dan voor het aan de ketting leggen van schepen en het buiten gebruik stellen van voertuigen in het kader van de Wet Handhaving Verkeersvoorschriften ontbreekt die wettelijke basis bij de executie van vonnissen en andere executoriale titels. Ook vanwege het belang in het maatschappelijk leven om te kunnen beschikken over een voertuig - ook debiteuren hebben hun auto nodig om er mee naar hun werk te gaan, kunnen hun (niet voor beslag vatbare) gereedschappen er in hebben liggen, moeten hun zieke of gehandicapte familieleden er in vervoeren -, dient er een duidelijke wettelijke basis te zijn voor het inzetten van het ingrijpende middel van de wielklem bij de executie door de gerechtsdeurwaarder. Als het maatschappelijk wenselijk is dat een dergelijk dwangmiddel wordt ingevoerd is het aan de wetgever dit te bepalen. Tot die tijd zullen de gerechtsdeurwaarders zich moeten behelpen met de mogelijkheden die het wettelijk systeem hen thans biedt. Dat de wetgever altijd achterloopt op de maatschappelijke en technische ontwikkelingen, zoals door de gerechtsdeurwaarder gesteld, maakt dit – voorzover al juist - niet anders.

4.12 De KBvG heeft aangegeven dat zij de thans aan de orde zijnde klacht met name heeft ingediend omdat zij een uitspraak van de Kamer wil uitlokken over de vraag of de [ ]-werkwijze een voldoende deugdelijke grondslag vindt in de wet. Het is de KBvG er niet persé om te doen geweest dat aan de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijke sanctie wordt opgelegd. Ondanks het stelselmatig karakter van het naar de oordeel van de Kamer niet op een wettelijke grondslag gebaseerde handelen van de gerechtsdeurwaarder bij zijn [ ] activiteiten zal de Kamer thans geen maatregel opleggen. Indien hij in de toekomst op dezelfde wijze het [ ]-systeem blijft uitvoeren zal de gerechtsdeurwaarder er rekening mee moeten houden dat dan een maatregel zal worden overwogen. Thans kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht.

4.13 De taak van de Kamer is het behandelen van klachten over een gerechtsdeurwaarder. Reeds om die reden ziet de Kamer geen mogelijkheid om op de door de gerechtsdeurwaarder voorgelegde vraagpunten over het [ ] systeem te beantwoorden.

5. Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- laat het opleggen van een maatregel achterwege.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend voorzitter en

mr. H.M. Patijn en M.J.-M.L. Baudoin (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2011 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan door partijen binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.