Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8411

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
18-10-2011
Zaaknummer
23-006318-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2007:BD3394, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Spohr" (invoer heroïne). Legitimiteit van politiële internationale rechtshulp. Onderzoek naar en waardering van feitelijke gang van zaken. Vrijspraak misdrijf, bewezenverklaring impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding artikel 2 onder A Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006318-07

datum uitspraak: 14 oktober 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-997059-06 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

adres: [adres] [woonplaats] (Duitsland),

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 24 september 2007, 25 september 2007, 27 september 2007 en 4 oktober 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 november 2008, 30 januari, 13 februari 2009, 6 maart 2009, 7 april 2009, 24 april 2009, 17 juni 2009, 19 juni 2009, 3 juli 2009, 10 juli 2009, 2 november 2009, 4 november 2009, 9 november 2009, 25 november 2009, 16 december 2009, 5 januari 2010, 8 juni 2010, 6 september 2011, 9 september 2011, 13 september 2011 en 3 oktober 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 mei 2006 te Venlo en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 204,5 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van het materiaal bevattende heroïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof ten aanzien van de bewezen verklaring en de strafoplegging tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

De rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek

Inleiding

Het procesverloop van de behandeling in hoger beroep van de onderhavige strafzaak (als ook van de gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde zaken van medeverdachten) wordt gekenmerkt door een aanzienlijk aantal behandelingen ter terechtzitting. Dit aantal wordt in overwegende mate verklaard door het door het hof gehouden en bevolen onderzoek, veelal naar aanleiding van de door de verdediging in die zaken gedane verzoeken, maar ook ambtshalve door het hof. De door de verdediging in die zaken opgeworpen vragen zijn in de kern steeds gericht geweest op het verkrijgen van informatie over hetgeen voorafgaand en gedurende het gehouden voorbereidende onderzoek is verricht en is voorgevallen, in het bijzonder voor zover dat mogelijk niet door de autoriteiten is verantwoord, in geschrift of bij gelegenheid van door de rechter gehouden getuigenverhoren.

De resultaten van al het gehouden onderzoek (het uitblijven van resultaten daaronder mede begrepen) hebben de verdediging ertoe gebracht het hierna weer te geven verweer te voeren. Nu de verdediging in de onderhavige strafzaak zich (in de kern) heeft aangesloten bij de in de gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaak gevoerde verweren zal het hof deze verweren gezamenlijk beoordelen en beslissen.

Gevoerd verweer

De verdediging heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie in de strafvervolging niet-ontvankelijk zal verklaren subsidiair de sanctie van bewijsuitsluiting meer subsidiair strafvermindering zal toepassen. Aan dit verweer is het navolgende -in de kern en zakelijk weergegeven- ten grondslag gelegd.

1. In de onderhavige zaak is door politie en justitie samengewerkt met buitenlandse opsporingsinstanties. Vast is komen te staan dat buitenlandse functionarissen opsporingshandelingen en -activiteiten hebben verricht, terwijl de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid daarvan illusoir is gebleken. Buitenlandse functionarissen hebben met een beroep op hun diplomatieke status zich weten te onttrekken aan het afleggen van verantwoording ten overstaan van de rechter. Dit aspect, gevoegd bij de werking van het interstatelijke vertrouwensbeginsel maakt, dat op voorhand opzettelijk door het openbaar ministerie op grove wijze de fundamentele rechten van de verdachte op een eerlijk proces zijn veronachtzaamd.

2. Getracht is te verhullen dat in het onderhavige onderzoek door de politie is samengewerkt met de Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA). Op in de pleitnota uiteen gezette gronden is komen vast te staan dat de DEA bij het onderzoek betrokken is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat in alle onderzoeken waarbij de DEA betrokken is, de DEA daarin leidend is. Deze betrokkenheid heeft te gelden als een illegaal, parallel, mondeling en informeel onderzoek, waarvan de inhoud zich aan de waarneming van de rechter en de verdediging onttrekt, met gevolg dat de rechten van de verdachte met voeten zijn getreden, aldus de verdediging.

3. De wijze waarop door het openbaar ministerie is omgegaan met de aan samenwerking met buitenlandse opsporingsinstanties verbonden problematiek getuigt van het willens en wetens voorbijgaan aan de rechten van de verdachte. De werkwijze van de toenmalige Dienst Internationale Netwerken (DIN) van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) is zodanig ingericht, dat onduidelijk blijft of alle bij de DIN binnengekomen informatie aan het strafdossier is toegevoegd of eventueel informatie aan het onderzoeksteam is verstrekt, zonder dat die verstrekking als zodanig is vastgelegd. De inhoud van de door die dienst opgestelde processen-verbaal in aanmerking nemend, bezien in verband met de persoon van de opsteller daarvan (in de zin van diens plaats in de organisatie van die dienst), laat geen andere conclusie toe dan dat deze manier van informatieverstrekking is gericht op het doelbewust achterhouden van informatie voor het hof en de verdediging.

4. In het onderhavige onderzoek, dat door Nederland, Duitsland en Turkije gezamenlijk is gehouden, zijn wezenlijke vragen onbeantwoord gebleven. Zo is niet opgehelderd hoe het kan zijn dat een hoeveelheid van 4 1/2 kilogram heroïne niet is onderschept, en bestaan er bovendien, mede gelet op de nauwe samenwerking met de buitenlandse autoriteiten, belangrijke aanwijzingen dat de autoriteiten wetenschap droegen van het nadien ophanden zijnde transport van 294 kilogram heroïne, waarvan eerst te Rotterdam 204 kilo is inbeslaggenomen. In dit verband is door de verdediging in den brede verwezen naar informele internationale politie-politiecontacten, die niet zijn gedekt door afspraken met de centrale Nederlandse autoriteit, terwijl van de inhoud van die contacten geen schriftelijk verslag is gehouden.

Het toetsingskader

Het door de verdediging gevoerde verweer heeft in al zijn onderdelen betrekking op de rechtmatigheid van het onderzoek. Dit betekent dat de door de Hoge Raad in het arrest van 30 maart 2004 (LJN AM2533) geformuleerde uitgangspunten bij de beoordeling van dat op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gevoerde verweer van toepassing zijn, zowel waar het gaat om de aan het verweer te stellen eisen als de voorwaarden waaronder het hof aan normschendingen bij het voorbereidend onderzoek rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Daarnaast zal het hof hebben te onderzoeken of, in het geval waarin de feitelijke grondslag van (onderdelen van) het gevoerde verweer komt vast te staan, zulks een schending oplevert van verdachtes recht op een eerlijk proces, zoals dat recht is gegarandeerd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De start van het onderzoek

Alvorens de door de verdediging opgeworpen stellingen aan een nadere beschouwing te onderwerpen zal het hof eerst in het kort weergeven hoe de start van het in de onderhavige strafzaak gehouden onderzoek (en hetgeen daaraan vooraf is gegaan) is verantwoord.

Het op de gedragingen van de verdachte betrekkelijke onderzoek is door de politie gehouden onder de noemer "Vlieger". Dit onderzoek vindt zijn oorsprong in de resultaten van in de tijd bezien daaraan voorafgegane onderzoeken, respectievelijk genaamd "Spohr" en "Spohr 2".

Het onderzoek "Spohr" is op 9 mei 2005 gestart op grond de inhoud van een proces-verbaal1 van 29 april 2005. Dat proces-verbaal bevat informatie met betrekking tot zekere [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Het vervolgens ingestelde onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van de twee laatstgenoemden en inbeslagneming van een handelshoeveelheid heroïne.

Bij de stukken bevindt zich het rechtshulpverzoek2 van de officier van justitie aan Turkije van 29 juni 2005.

Op 2 september 2005 is door de DIN van het KLPD een proces-verbaal3 opgemaakt. In dit proces-verbaal is gewag gemaakt van gedragingen van de in het proces-verbaal van 29 april 2005 genoemde[betrokkene 1] en van [betrokkene 4]. Ook in een door diezelfde dienst opgesteld proces-verbaal4 van 7 oktober 2005 wordt [betrokkene 4] genoemd, als vermoedelijk betrokken bij grensoverschrijdende handel in heroïne. Op grond van deze twee processen-verbaal is een nieuw onderzoek -"Spohr 2"- ingesteld en heeft geresulteerd in de aanhouding van verdachten, doch niet van de evengenoemde [betrokkene 4].

Het onderzoek tegen [betrokkene 4] is voortgezet en in dat bestek zijn diens telefonische contacten met [betrokkene 5] vastgesteld. In het vervolgens gehouden onderzoek is door de politie zicht verkregen op andere personen, vermoedelijk betrokken bij handel in verdovende middelen, onder wie [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [medeverdachte 4].

In het bestek van dit onderzoek is door middel van een verzoek5 aan de autoriteiten van Turkije informatie verkregen over zekere (naar bleek: Duitse) telefoonnummers, welke informatie vervolgens door de autoriteiten van Nederland in het kader van een rechtshulpverzoek6 is verstrekt aan die van Duitsland.

De resultaten van het vervolgens gehouden onderzoek -"Vlieger'- hebben geleid tot de tegen de verdachte gerezen verdenking van vermoedelijke betrokkenheid bij handel in verdovende middelen.

Uit de vorenweergegeven chronologie van onderzoeken volgt, langs welke weg de verdachte (uiteindelijk) bij de autoriteiten als vermoedelijk betrokken bij handel in verdovende middelen in beeld is gekomen. Die weg is in het dossier in voldoende mate - en met toereikende onderbouwing door ambtsedige processen-verbaal en rechtshulpverzoeken - verantwoord. Dit een en ander leidt het hof tot het (tussen)oordeel dat deze op feiten en omstandigheden gegronde verantwoording op zichzelf beschouwd toetsbaar en begrijpelijk is. Voorts moet op grond van het vorenstaande worden vastgesteld dat (ook) het tegen de verdachte ingestelde onderzoek een onder het gezag van de officier van justitie gehouden (nationaal) onderzoek is geweest (waarin internationale rechtshulp is gevraagd en is gegeven) en niet een "gezamenlijk gehouden onderzoek" (al dan niet in de betekenis van artikel 552 qa Sv), zoals door de verdediging is gesteld.

Samenwerking met het buitenland

Algemeen

Als uitgangspunt heeft in het algemeen te gelden, dat voor zover door Nederlandse ambtenaren is opgespoord of anderszins door hen informatie is vergaard in een wijder verband dan in het voorbereidend onderzoek van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, eventuele verzuimen buiten het bereik van artikel 359a Sv vallen. Wel kan het geval zich voordoen dat vastgestelde verzuimen onder omstandigheden leiden tot het oordeel dat aan de verdachte een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is onthouden.

Voorts is van belang dat de instructienorm, zoals die is neergelegd in artikel 152 Sv slechts ziet op hetgeen door de in die bepaling bedoelde ambtenaren in het kader van de opsporing is verricht of bevonden. Nu artikel 132a Sv het begrip opsporing begrenst tot het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen, betekent dit dat door opsporingsambtenaren van buitenlandse collega's in een wijder verband ontvangen informatie de niet-vastlegging daarvan bij proces-verbaal geen strijd met deze bepaling oplevert. Wel is denkbaar dat gelet op de aard en inhoud van die informatie voorzienbaar is dat met het oog op het belang van rechterlijke toetsing een behoorlijke verslaglegging plaatsvindt.

Duitsland en Turkije

Uit de stukken in het strafdossier blijkt, dat in het onderhavige onderzoek justitiële rechtshulp is verleend door -voor zover van belang voor de bespreking van het verweer- de autoriteiten van Duitsland en Turkije.

Daarnaast is ook gebleken van internationale politiële informatiewisseling (in de betekenis van verstrekken en verkrijgen).

De route waarlangs uit het buitenland politiële informatie in het onderhavige onderzoek beschikbaar is gekomen is tweeledig, te weten in de eerste plaats doordat processen-verbaal7 zijn verstrekt door tussenkomst van de DIN van het KLPD, en in de tweede plaats doordat mondeling informatie is verschaft aan opsporingsambtenaren die waren belast met het onderzoek in de onderhavige zaak. Gelet op het hetgeen door de verdediging is aangevoerd zal het hof de beoordeling toespitsen op de informatie die op politieel niveau is gewisseld met de Turkse autoriteiten.

Het hof verstaat dit onderdeel van het verweer aldus, dat het zich keert zowel tegen de legitimiteit van die informatiewisseling als zodanig als tegen het ontbreken van een behoorlijke verslaglegging ervan.

Het enkele gegeven dat op politieel niveau door zekere met het voorbereidende onderzoek belaste ambtenaren met de Turkse collega's informatie is gewisseld komt niet in strijd met enige rechtsregel. Voor zover het gaat om de verkrijging van uit Turkije afkomstige informatie in het onderhavige onderzoek wijst het hof meer in het bijzonder op het hiervoor vermelde rechtshulpverzoek van de officier van justitie van 29 juni 2005.

Dit verzoek houdt in, onder meer, (...)

- het voor de duur van het Nederlandse onderzoek ter beschikking stellen van alle relevante informatie, afkomstig uit het Turkse onderzoek, die voor het Nederlandse opsporingsonderzoek van belang kan/kunnen zijn, en

- (...) komen tot een gegevensuitwisseling tussen beide onderzoeksteams en dat medewerking wordt verleend aan al datgene dat gedurende de uitvoering van dit verzoek nodig mocht blijken te zijn en waarvoor U toestemming kunt en zult verlenen.

De processen-verbaal van de DIN van het KLPD

Het hof zal eerst de door de verdediging gewraakte wijze van verbaliseren door de DIN van het KLPD beoordelen.

Voorop moet worden gesteld dat de hiervoor bedoelde processen-verbaal niet zijn opgesteld met het oog op de bruikbaarheid voor de bewijslevering in de zaak tegen de verdachte, doch als één van de pijlers waarop de verdenking tegen de verdachte is gegrond of gepreciseerd. Het enkele feit dat de opsteller van zo'n proces-verbaal ten aanzien van de inhoud daarvan niet meer (maar ook niet minder) vermag dan het vermelden van de bevindingen van een ander (de zogenoemde vakspecialist, die o.m. verslag doet van hetgeen hij op zijn beurt van de Nederlandse, in het buitenland gestationeerde verbindingsofficier heeft vernomen) staat aan de bruikbaarheid daarvan in de hiervoor bedoelde sleutel niet in de weg. Dat een dergelijke getrapte wijze van informatieverstrekking -wat daarvan overigens ook zij- getuigt van het doelbewust achterhouden van rechtens relevante informatie, met het oog op het belemmeren van de rechter in het zonodig verrichten van een rechtmatigheidstoetsing is niet aannemelijk geworden, ook niet indien het hof bij dit oordeel betrekt dat is gebleken dat door de DIN ook mondeling informatie is verstrekt aan het tactisch team (welke informatie eerst nadien schriftelijk is bevestigd).

Het hof betrekt bij dit oordeel dat van die wijze van informatieverstrekking niet in de desbetreffende processen-verbaal noch door de op dit punt gehoorde getuigen een geheim is gemaakt.

Het hof kent in dit verband voorts betekenis toe aan de verklaringen van de ter terechtzitting van het hof als getuigen gehoorde officier van justitie8 en de aan de DIN van het KLPD als unithoofd verbonden hoofdinspecteur van politie9, op dit punt inhoudend dat zodra de voorhanden informatie in het voorbereidend onderzoek (met het oog op de inzet van dwangmiddelen dan wel met het oog op sturing van de richting van het onderzoek) moet worden gebruikt daarvan steeds schriftelijke verstrekking met het oog op voeging in het dossier noodzakelijk is. Het hof ziet onder ogen dat daarmee in het algemeen de mogelijkheid wordt opengelaten dat de schriftelijke vastlegging van eerder mondeling verstrekte informatie die van betekenis kan zijn geweest met het oog op sturing van het verloop van het onderzoek, niettemin achterwege blijft, doch daarmee is niet -ook niet bezien in de context van hetgeen hiervoor ten aanzien van de wijze van verslaglegging is overwogen- gegeven, dat de rechter wordt belemmerd in de uitoefening van zijn controlerende taak noch dat wordt voorbijgegaan aan rechtens relevante belangen van de verdachte, te minder omdat de toets op de rechtmatigheid van de verkrijging van die informatie steeds vooraf is gegaan aan de verstrekking door de DIN, schriftelijk of mondeling. Van een dergelijk belemmeren of voorbijgaan is in het onderhavige onderzoek ook overigens niet gebleken.

Politiële informatieverkrijging overigens

Door de verdediging is gesteld dat direct onderhouden contacten van buitenlandse verbindingsofficieren met Nederlandse opsporingsambtenaren, waarvan is gebleken uit de verklaringen van de als getuigen gehoorde aan de DIN van het KLPD als unithoofd verbonden hoofdinspecteur van politie10 en de plaatsvervangend teamleider van het opsporingsonderzoek11, in strijd zijn met het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Regeling Buitenlandse Verbindingsofficieren. Deze bepaling houdt in - samengevat - dat slechts indien daarover afspraken zijn gemaakt met de DIN de buitenlandse verbindingsofficier directe contacten mag onderhouden met Nederlandse opsporingsdiensten. Het hof overweegt, dat de als getuige gehoorde unithoofd van de DIN12 op dit punt heeft verklaard dat dergelijke contacten regelmatig voorkomen en dat een of meer aan de DIN verbonden functionarissen in aanvang met de buitenlandse verbindingsofficier meegaan als zij een contact met een Nederlands opsporingsteam leggen, maar daarna niet meer. Het hof maakt daaruit op, dat dergelijke directe contacten met medeweten van de DIN hebben plaatsgevonden. Deze getuige heeft voorts verklaard13 dat indien door de buitenlandse verbindingsofficier in dergelijke contacten informatie wordt verstrekt die wordt gebruikt in het onderzoek, dit óók wordt vastgelegd in een DIN proces-verbaal.

De door de Nederlandse functionarissen met Turkije onderhouden contacten en de inhoud daarvan zijn genoegzaam verantwoord door achtereenvolgens de leider van het opsporingsteam14, diens plaatsvervanger15 en de officier van justitie16. Overigens is niet gebleken van met Turkije middellijk onderhouden contacten, bijvoorbeeld door tussenkomst van Duitsland17.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot het (tussen)oordeel dat ten aanzien van de politiële informatieverkrijging uit Turkije niet is gebleken van een verzuim (in de betekenis van artikel 359a Sv), niet ten aanzien van de bevoegdheid tot verkrijging van die informatie, noch ten aanzien van het gebruik of de verslaglegging daarvan, terwijl evenmin is gebleken van feiten of omstandigheden die in strijd komen met het in artikel 6 van het EVRM aan de verdachte gegarandeerde recht op een eerlijk proces.

Aan dit oordeel doet de door de verdediging zwaar aangezette verbazing omtrent de niet-inbeslagneming van een partij van 4 1/2 kg heroïne en het eerst in Duitsland onderkende transport van 294 kg heroïne niet af. Anders dan door de verdediging is gesteld heeft die gang van zaken niet te gelden als een zo niet doorslaggevende, dan toch sterke aanwijzing dat heimelijke internationale politiële samenwerking aan de wieg heeft gestaan van een ontoelaatbare gang van zaken. Daartoe overweegt het hof dat er in het onderhavige geval

-gelijk hiervoor is vastgesteld- niet kan worden gesproken van een internationaal "gezamenlijk gehouden onderzoek" (al dan niet in de betekenis van artikel 552 qa Sv), zoals door de verdediging is betoogd. Er is sprake geweest van onderscheiden nationale onderzoeken die in de onderscheiden landen zijn ingesteld. Aangenomen moet worden, dat in die onderzoeken successen zijn geboekt en teleurstellingen zijn verwerkt, al naar gelang de in die onderzoeken gestelde doelen.

Voor zover op deze plaats van belang is in de stukken van het dossier de gang van zaken, voorafgaand en volgend op de invoer van de evenbedoelde partijen heroïne genoegzaam -in de betekenis van toetsbaar- verantwoord. De door de verdediging in de sleutel van die verbazing verwoorde suggestie dat de verantwoorde gang van zaken sterk wijst op de verhulling van een feitelijk andere gang van zaken maakt dit oordeel niet anders.

De Verenigde Staten van Amerika

Uit de stukken in het strafdossier blijkt niet dat in het onderhavige onderzoek justitiële of anderszins rechtshulp is verleend door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. De officier van justitie die belast is geweest met de operationele leiding van het onderzoek heeft als getuige bevestigd dat in het onderhavige onderzoek door die staat geen justitiële rechtshulp is verleend18.

Doordat de verdediging heeft gewezen op het bestaan en de inhoud van de hierna te noemen documenten is nader onderzoek verricht naar het bestaan hebben van betrokkenheid van de Verenigde Staten van Amerika door middel van aan de DEA verbonden functionarissen bij in (verband met) het voorbereidend onderzoek verrichte (onderzoeks)handelingen.

De verdediging heeft in dit verband gewezen op de inhoud van een op 21 september 2006 door Michael A. Braun, Chief of Operations Drug Enforcement Administration gehouden redevoering -kortgezegd- een DEA Congressional. Volgens deze op internet beschikbare tekst ( http://www.justice.gov/dea/pubs/cngrtest/ct092106.html) is door genoemde Braun onder het kopje DEA's Cooperative Efforts with our European Counterparts melding gemaakt van het volgende: In the Netherlands, DEA has embedded two Special Agents with the Royal Dutch National Police National Crime Squad (NR).

Voorts is door de raadsman gewezen op een aan het International Narcotics Strategy Report (blz 449) (http://www.state.gov/documents/organization/81446.pdf) ontleende passage: Heroin. On May 10, 2006 the National Crime Squad made routine traffic stop in Rotterdam seizing 200 kg of heroin and arresting five persons. This investigation was coordinated by DEA and Dutch and Turkish officials. In May 2006, cooperation between Dutch and German law enforcement agencies resulted in the seizure of almost 300 kg of Turkish heroin, of which 204 kg were captured in the Netherlands.

Gedurende de loop van het strafgeding is genoegzaam komen vast te staan dat op politieniveau gedurende de loop van het voorbereidend onderzoek ten burele van de Nationale Recherche regelmatig contacten hebben plaatsgehad tussen politiefunctionarissen, te weten enerzijds de teamleider van het opsporingsonderzoek en diens plaatsvervanger , respectievelijk als hoofdinspecteur en als inspecteur van politie verbonden aan het KLPD, Nationale Recherche, en anderzijds in Nederland gestationeerde Amerikaanse verbindingsofficieren, verbonden aan de DEA19.

Ten aanzien van de aard en inhoud van die contacten is nadere informatie verschaft door de als getuigen gehoorde officieren van justitie20, die teamleider21 en die plaatsvervanger22, als ook schriftelijk door die officier van justitie23, teamleider24 en ook door de nationaal attaché van de DEA25 in antwoord op door tussenkomst van de advocaat-generaal aan deze gestelde vragen.

Wat er overigens zij van de betekenis die in het algemeen aan de redactie van het vorenweergegeven citaat uit het International Narcotics Strategy Report kan worden toegekend (bezien in het licht van hetgeen omtrent de feitelijke gang van zaken in het strafdossier is verantwoord), het door het hof gehouden onderzoek heeft niet opgeleverd dat verbindingsofficieren van de DEA hier te lande opsporingshandelingen in het onderhavige onderzoek hebben verricht of daarbij betrokken zijn geweest.

Het herhaalde verzoek om eerdergenoemde Michael A. Braun als getuige te doen horen wordt, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken, afgewezen, op gelijke gronden als weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 25 november 2009 onder 2.1 (p.43/44) weergegeven.

Wél is gebleken dat (ook) gedurende de fase van het voorbereidend onderzoek die verbindingsofficieren regelmatig contact hebben onderhouden met de evengenoemde teamleider en diens plaatsvervanger. Ten aanzien van de inhoud van die contacten is niet meer gebleken dan dat deze betrekking hebben gehad op de bestrijding van de internationale handel in heroïne en dat door de Nederlandse opsporingsambtenaren informatie is verstrekt. Tegen die achtergrond bezien roept de op enig moment door de teamleider gedane melding aan de hier te lande gestationeerde en aan de DEA verbonden verbindingsofficier van de inbeslagneming op 10 mei 2006 in Rotterdam van 204 kg heroïne geen verbazing op en dwingt het gedaan hebben van die melding niet tot de conclusie dat in het voorbereidend onderzoek door de Nederlandse autoriteiten met de DEA is samengewerkt.

Ten aanzien van de legitimiteit van de door de verbindingsofficieren direct (in de betekenis van: niet door tussenkomst van de Dienst Internationale Netwerken van het KLPD (DINPOL)) met de Nederlandse opsporingsambtenaren onderhouden contacten wijst het hof op artikel 7, tweede lid, van de Regeling Buitenlandse Verbindingsofficieren. Aan die mogelijkheid is in casu toepassing gegeven, zoals ook volgt uit de door de ter terechtzitting van het hof als getuige gehoorde hoofdinspecteur van politie26, verbonden als leidinggevende aan DINPOL, de in die regeling genoemde centrale Nederlandse autoriteit.

In dat verband wijst het hof voorts op de door Nederland en de Verenigde Staten van Amerika op 14 maart 2003 overeengekomen maatregelen ter bevordering van hun gemeenschappelijke betrokkenheid bij -voor zover hier van belang- de bestrijding van de handel in verdovende middelen27. Onder de noemer "operationele samenwerking" is overeengekomen dat onder zekere voorwaarden Amerikaanse verbindingsofficieren toestemming kunnen verkrijgen direct contact op te nemen met regionale politiefunctionarissen en officieren van justitie, waarbij de DIN (thans: DINPOL) als centrale autoriteit tegelijkertijd van deze contacten in kennis zal worden gesteld.

Het voorgaande voert tot het (tussen)oordeel dat niet is gebleken dat aan de DEA verbonden verbindingsofficieren hier te lande opsporingshandelingen hebben verricht. Van de door die verbindingsofficieren met de Nederlandse opsporingsambtenaren onderhouden contacten kan niet met vrucht worden betoogd dat deze, gelet op hun aard en inhoud, moeten worden geduid als relevant voor de door de rechter in de onderhavige zaak te verrichten rechtmatigheidstoetsing. In dit oordeel ligt een ander oordeel besloten, te weten dat geen plaats is voor het verwijt aan de officier van justitie dat door deze bij wijze van verhulling de verplichting is verzaakt erop toe te zien dat van die contacten melding wordt gemaakt (door voeging van stukken in het dossier of mededeling ter terechtzitting), nu niet kan worden gezegd dat die informatie in redelijkheid kan worden vermoed van belang te zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissingen, hetzij in voor de verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin.

Slotsom

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het hof het gevoerde verweer in al zijn onderdelen verwerpt.

Het tegen de verdachte ingestelde onderzoek is een onder het gezag van de officier van justitie gehouden (nationaal) onderzoek is geweest (waarin rechtshulp is gevraagd en is gegeven) en niet een internationaal "gezamenlijk gehouden onderzoek" (al dan niet in de betekenis van artikel 552 qa Sv), zoals door de verdediging is gesteld.

Uit de hiervoor onder het kopje "De start van het onderzoek" weergegeven chronologie van onderzoeken volgt, langs welke weg de verdachte (uiteindelijk) bij de autoriteiten als vermoedelijk betrokken bij -kort gezegd- grensoverschrijdende handel in verdovende middelen in beeld is gekomen en gebleven, en voorts, op grond van welke feiten en omstandigheden dwangmiddelen zijn uitgeoefend. Die weg en die grondslag is in het dossier in voldoende mate - en met onderbouwing door ambtsedige processen-verbaal en rechtshulpverzoeken - verantwoord. Feiten of omstandigheden op grond waarvan niet van de juistheid van die vorenweergegeven verantwoording kan worden uitgegaan zijn niet aannemelijk geworden.

Waar het gaat om door de Duitse en Turkse aan de nationale autoriteiten verstrekte onderzoeksinformatie heeft als uitgangspunt te gelden, dat ingevolge de tussen respectievelijk Duitsland,Turkije en Nederland bestaande verdragsverhoudingen van de rechtmatige verkrijging daarvan dient te worden uitgegaan. Concrete feiten of omstandigheden die het hof nopen tot een nadere toetsing zijn niet gesteld of gebleken. Evenmin bestaat er een grond voor het doen verrichten van nader onderzoek naar de legitimiteit en/of de inhoud van (ook) gedurende de fase van het voorbereidend onderzoek regelmatig plaatsgevonden contacten tussen door aan de Amerikaanse DEA verbonden verbindingsofficieren met de evengenoemde teamleider en diens plaatsvervanger.

De in het verweer besloten liggende suggestie, erop neerkomend dat denkbaar is dat door de Turkse en Amerikaanse autoriteiten is samengewerkt, terwijl de vruchten daarvan in het onderhavige onderzoek wel zijn gebruikt althans voor het verloop daarvan van beslissende betekenis zijn doch aan het zicht van de strafrechter zijn onttrokken, behoeft in het licht van het voorgaande en overigens vanwege het speculatieve karakter ervan geen nadere beschouwing.

Het hof overweegt nog ten overvloede het volgende.

In de sleutel van rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van gehouden opsporing is van belang dat voor de rechter als uitgangspunt heeft te gelden dat hetgeen door ambtenaren op ambtseed in processen-verbaal is gerelateerd en door getuigen onder ede is verklaard

-behoudens aanwijzingen voor het tegendeel- van de juistheid daarvan dient uit te gaan. Niet is gebleken dat die aanwijzingen bestaan, terwijl de rechterlijke toetsing naar aanleiding van het gevoerde verweer niet heeft geleid tot de gegrondverklaring daarvan.

Daarmee is evenwel niet gezegd dat de aanleiding voor de in het verweer besloten liggende zorg, in de kern erop neerkomend dat internationale politiesamenwerking de mogelijkheid in zich bergt dat rechtens relevante onregelmatigheden aan het zicht van de Nederlandse strafrechter worden onttrokken (en welke mogelijkheid zich volgens de mening van de verdediging ook heeft gerealiseerd), heeft te gelden als een volkomen slag in de lucht.

Immers, het is de raadsman van een gelijktijdig door het hof berechte verdachte geweest die in eerste aanleg aandacht heeft gevraagd voor de hiervoor aangehaalde passage uit het International Narcotics Strategy Report, terwijl voorts is gebleken dat de officieren van justitie die belast zijn geweest achtereenvolgens met de leiding van het onderzoek en met de behandeling van de zaak ter terechtzitting eerst achteraf en nadat de raadsman die aandacht vroeg, met het bestaan hebben van de vorenweergegeven politiële contacten met Amerikaanse verbindingsofficieren van de DEA bekend zijn geworden.

In dit verband lijkt de inhoud van het verslag van een op 31 maart 2011 gehouden algemeen overleg van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie met de minister van Veiligheid en Justitie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 24 077, nr. 258) illustratief. Daarin kan worden gelezen dat bij die gelegenheid door de deelnemers aan dat overleg nadrukkelijk is stilgestaan bij de wijze waarop -direct en (ook) gestationeerd bij de Nationale Recherche- aan de DEA verbonden verbindingsofficieren contacten met aan het KLPD, Nationale Recherche verbonden opsporingsambtenaren onderhouden, in het bijzonder of de wijze van samenwerking de mogelijkheid insluit dat door Amerikaanse verbindingsofficieren informeel ook informatie wordt verkregen die eigenlijk via een Nederlandse verbindingsofficier zou moeten worden verstrekt, en in het verlengde daarvan, of bij de Nederlandse autoriteiten voldoende zich blijft bestaan op hetgeen in informatieve zin wordt gewisseld.

'Salduz-jurisprudentie'

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - onder verwijzing naar het arrest Salduz versus Turkije van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) - bepleit dat de verklaring van de verdachte, afgelegd ten overstaan van de politie op 11 mei 2006 te 15:00 uur, niet voor het bewijs gebezigd mag worden, nu de verdachte voorafgaande aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen.

Het hof maakt bij de bewijsvoering geen gebruik van de verklaring die de verdachte tijdens zijn eerste verhoor heeft afgelegd, zodat het verweer van de raadsman geen nadere bespreking behoeft.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd wordt door het hof wel voor het bewijs gebezigd. Ten overvloede merkt het hof te dien aanzien op dat de verdachte aldaar de cautie is gegeven en werd bijgestaan door een raadsman en dat niet is gebleken dat de verdachte zijn verklaring toen niet in vrijheid heeft afgelegd of dat deze verklaring uitsluitend het gevolg is geweest van zijn eerdere - met name tijdens zijn eerste verhoor - afgelegde verklaring.

Bespreking van ter zitting gevoerde verweren

De verdediging heeft op - in de pleitnota uiteengezette gronden - betoogd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte opzettelijk 204 kilogram heroïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die heroïne in de door hem gebruikt bestelbus, dan wel dat hij de aanmerkelijke kans daarop op de koop toe heeft genomen, blijkt volgens de verdediging onvoldoende uit het dossier. Daarbij geldt dat volgens de verdediging de verklaringen van [medeverdachte 3] als zijnde onvoldoende betrouwbaar dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt dat, waar het gaat om de mate van betrokkenheid bij de invoer van de heroïne in Nederland, door de medeverdachte [medeverdachte 3] wisselende - en in sommige gevallen aantoonbaar onjuiste - verklaringen zijn afgelegd. [medeverdachte 3] is in hoger beroep als getuige gehoord door de raadsheer-commissaris, waarbij hij in het bijzonder is ondervraagd omtrent de wetenschap van de verdachte bij de aanwezigheid van de heroïne in de bestelbus. Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de door de getuige ter zake gegeven antwoorden, die wetenschap onvoldoende is komen vast te staan en dat, in het licht daarvan, op hetgeen door [medeverdachte 3] in eerdere verklaringen omtrent die wetenschap is verklaard niet met voldoende zekerheid kan worden afgegaan. Nu overige bewijsmiddelen in het dossier op grond waarvan die wetenschap bij verdachte zou kunnen worden vastgesteld, ontbreken, kan die wetenschap niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Uit de bewijsmiddelen volgt, dat de verdachte op verzoek van kennissen van hem in een door één van hen gehuurde bestelbus in het holst van de nacht vanuit Breuberg (Duitsland) naar een parkeerplaats te Augsburg (Duitsland) is gereden om vanuit Turkije vervoerde cd's op te halen, dit terwijl twee andere kennissen in een personenauto meereden. Aangekomen op die parkeerplaats te Augsburg heeft de verdachte een aantal uren moeten wachten; vervolgens is de verdachte erbij aanwezig geweest toen grote kartonnen dozen vanuit een vrachtwagen in de bestelbus werden geladen. Vervolgens is de verdachte met die bestelbus teruggereden naar het huis van één van de kennissen en heeft hij aldaar meegeholpen met het uitladen van die dozen uit de bestelbus. Enige tijd later was de verdachte opnieuw bij die woning aanwezig toen aldaar -onder meer- luidsprekerboxen vanuit de woning in de bestelbus werden geplaatst. Vervolgens is de verdachte als bestuurder van die bestelbus naar Nederland gereden. Ook bij deze rit zijn twee andere kennissen in een personenauto met die bus meegereden. In de luidsprekerboxen in die bestelbus is de heroïne aangetroffen.

Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden - mede bezien in het licht van de door de verdachte afgelegde verklaringen - niet toereikend zijn om te kunnen concluderen dat de verdachte opzettelijk, in de betekenis van het willens en wetens aanvaard hebben van de aanmerkelijke kans dat in de luidsprekerboxen in de door hem bestuurde en naar Nederland gereden bestelbus heroïne aanwezig zou zijn.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk de heroïne heeft ingevoerd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat impliciet subsidiair ook het in artikel 10, eerste lid, van de Opiumwet als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder A, van de Opiumwet is ten laste gelegd. Het hof acht - op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen - die subsidiaire variant wel bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 mei 2006 te Rotterdam binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 204 kilogram van het materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2011. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik ken [medeverdachte 1], zijn broer, [medeverdachte 3], en zijn vrouw, [medeverdachte 2]. Zij wonen aan de [adres] te Breuberg, Duitsland. Het klopt dat ik samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de nacht van 9 op 10 mei 2006 naar een parkeerplaats in Augsburg, Duitsland, ben gereden. Ik reed in een door [medeverdachte 1] gehuurde Mercedes Benz Vito. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] reden in een Mercedes E220. [medeverdachte 3] vertelde mij dat wij in Augsburg vanuit Turkije vervoerde cd's van [medeverdachte 1] zouden ophalen. Hij had mij - gelet op mijn ervaringen als vrachtwagenchauffeur - gevraagd of ik wilde rijden. Ik heb hiermee ingestemd. U houdt mij de inhoud van een afgeluisterd telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van 5.48 uur voor (zaaksdossier B01/Vlieger, doorgenummerde dossierpagina 153-154). U merkt naar aanleiding van het tijdstip waarop dit gesprek is gevoerd op dat het erop lijkt dat wij die nacht gedurende een aantal uren hebben gewacht op de parkeerplaats. Dat klopt. Ik heb gezien dat er grote kartonnen dozen werden overgeladen in Mercedes Benz Vito. Na het overladen zijn wij terug gereden naar de woning in Breuberg. Daar heb ik meegeholpen met het uitladen van de dozen. Vervolgens ben ik naar mijn vriendin gegaan. Op 10 mei 2006 zijn wij, dat wil zeggen: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en ik, naar Rotterdam gereden. [medeverdachte 3] vertelde mij dat [medeverdachte 1] moest optreden in Nederland en vroeg mij of ik de bus met daarin de muziekapparatuur wilde besturen. Dat heb ik gedaan. In Rotterdam zijn we aangehouden.

2. Een proces-verbaal van observatie van de Nationale Recherche van 11 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6], [verbalisant 7], [verbalisant 8],[verbalisant 9], [verbalisant 10] (zaaksdossier Vlieger/B01,doorgenummerde dossierpagina's 192-194). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen van de verbalisanten:

Op woensdag 10 mei 2006 zijn er observaties verricht, waarbij de navolgende waarnemingen zijn gedaan:

20:54 uur: Aanvang observatie op de Rijksweg A73 alwaar twee auto's achter elkaar aanrijden in de richting van Rotterdam. In beide auto's zitten twee personen. Deze twee auto's betreffen een bus, merk Mercedes, type Vito en voorzien van het Duitse kenteken [AA-BB-0000] en een personenauto, merk Mercedes, type E220 en voorzien van het Duitse kenteken [CCC-DD11].

21:07 uur: Beide auto's rijden in de richting van Rotterdam.

22:19 uur: Beide auto's worden op de Boekhorststraat ingeparkeerd. Uit zowel de Mercedes E220 als de Mercedes Vito stappen 2 personen en die hebben contact met elkaar. De twee personen uit de Mercedes E220 lopen onder het viaduct door. De twee personen uit de Mercedes Vito stappen weer in de auto waarvan een persoon achter het stuur gaat zitten en de andere persoon neemt plaats op de achterbank. Onder het viaduct lopen de twee personen waarvan één een vrouw is (NN1) en één een man (NN2).

22:20 uur: NN1 en NN2 lopen weer terug in de richting van de auto. NN1 staat onder het viaduct en NN2 staat in de nabijheid van zijn auto te telefoneren.

(...)

22:28 uur: NN1 en NN2 zijn weer terug hij de Mercedes E220 en Mercedes Vito.

22:30 uur: Er komt een Audi, type A3 en een rood gekleurde personenauto aanrijden. Beide auto's parkeren naast de Mercedes E220. Door NN1 of NN2 wordt contact gemaakt met de inzittende van de Audi A3. Kort hierna gaan de lichten aan van de vier auto's. Ze rijden achter elkaar aan de Zomerhofstraat in.

22:32 uur: Na ongeveer 100 meter parkeren de Mercedes E220 en de Mercedes Vito in aan de linkerzijde van deze straat. De Audi A3 parkeert in aan de rechterzijde van deze straat ter hoogte van de twee voornoemde auto's. De bestuurder van de Audi A3 stapt linksachter in bij de Mercedes E220.

22:35 uur: De voornoemde personen worden aangehouden.

3. Een proces-verbaal van aanhouding van de Nationale Recherche van 11 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], (apart proces-verbaal ten behoeve van voorgeleiding, doorgenummerde dossierpagina 15-17). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisant:

Op 10 mei 2006, te 22.35 uur, bevond ik mij samen met collega's [verbalisant 4], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 7],[verbalisant 9], [verbalisant 1], [verbalisant 8], [verbalisant 10] en [verbalisant 5] in de Zomerhofstraat te Rotterdam. Op dag, datum en tijdstip voornoemd, hielden wij daar aan: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 5].

4. Een proces-verbaal van aantreffen verdovende middelen van de Nationale Recherche, van 11 mei 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 8] (apart proces-verbaal ten behoeve van voorgeleiding, doorgenummerde dossierpagina 47). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op 10 mei 2006 te 22.35 uur hebben wij met collega's in de Zomerhofstraat te Rotterdam de inzittenden aangehouden van de Mercedes Vito voorzien van het kenteken [AA-BB-0000].

Voor een nader onderzoek in het kader van de Opiumwet hebben wij de Mercedes Vito vervolgens overgebracht naar het politiebureau aan de Heer Bokelweg te Rotterdam. Daar zagen wij dat er zich in de laadruimte van de Mercedes Vito onder meer 7 geluidsboxen bevonden.

Wij zagen dat alle geluidsboxen voorzien waren van handvaten welke in de boxen waren geschroefd. Na het verwijderen van de handvaten zagen wij dat in elk van de 7 geluidsboxen bruinkleurige pakketten verstopt waren. Na het verwijderen van alle pakketten zagen wij dat het in totaal 409 pakketten betrof welke vervolgens door ons in beslag zijn genomen.

5. Een rapport van 18 mei 2006, Laboratoriumnummer 1447N06, opgemaakt door drs. R. Jellema, politiedeskundige, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (Getuigen/Deskundigendossier G2, doorgenummerde dossierpagina 1). Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde politiedeskundige, zakelijk weergegeven:

De onderzoeksaanvraag en het materiaal werden op 17 mei 2006 ontvangen van de Nationale Recherche Noord Team 1.

Omschrijving materiaal: 409 in tape gewikkelde blokken crèmekleurig, samengeperst poeder, 204 kilogram.

Methoden van onderzoek: Microchemische reacties en gaschromatografie met massaselectieve detectie.

Bevat: heroïne.

6. Een aanvullend rapport van 12 juni 2006, Laboratoriumnummer 1447N06 (aanvullend), opgemaakt door drs. R. Jellema, politiedeskundige, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed (Getuigen/Deskundigendossier G2, doorgenummerde dossierpagina 1). Dit rapport houdt onder meer in als verklaring van voornoemde politiedeskundige, zakelijk weergegeven:

De onderzoeksaanvraag en het materiaal werden op 17 mei 2006 ontvangen van de Nationale Recherche Noord Team 1.

Methoden van onderzoek: het heroïnegehalte werd bepaald met behulp van capillaire gaschromatografie met vlamionisatie-detectie.

Resultaat.

Van de 409 blokken zijn er 20 kwalitatief onderzocht (zie rapport 1447N06). In geen van deze 20 monsters zijn versnijdingsstoffen, zoals caffeine en/of paracetamol aangetroffen.

Van 18 blokken is het heroïnegehalte bepaald. Ook in deze blokken werden geen versnijdingsmiddelen aangetroffen. Het gemiddelde heroine-gehalte (berekend als heroine- base) was 56,9%.

7. Een geschrift, te weten een door een beëdigd vertaalster en tolk Duits vertaalde (in het origineel ondertekende) "notitie" van Hoofdbureau van Politie Frankfurt aan de Main van 29 mei 2006, opgemaakt door [verbalisant 11] (zaaksdossier B01/Vlieger doorgenummerde pagina's 180-185). Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als waarnemingen van Duitste verbalisanten:

Onderzoeksprocedure tegen [medeverdachte 4], 27-02-1971.

In bovenstaand onderzoek werden door het politiebureau alhier observaties doorgevoerd. In de loop van de observaties werden de navolgende feiten vastgesteld: Woensdag 10 mei 2006 werden [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] geobserveerd.

09:58 uur: Op de autosnelweg A5, tussen het knooppunt Karlsruhe en Karlsruhe-Durlach wordt de auto Mercedes Benz Vito, kenteken [AA-BB-0000], en de Mercedes Benz E-klasse, kenteken [CCC-DD11, opgemerkt en geobserveerd. In de Mercedes Benz Vito zitten [medeverdachte 3] en [verdachte]. De Mercedes Benz E-klasse wordt door [medeverdachte 2] bestuurd.

Op de laadvloer van de Mercedes Benz Vito worden meerdere kisten en voorwerpen (metalen stangen) vastgesteld.

11:03 uur: Bij afrit "Höchst/Dieburg" verlaten beide voertuigen de provinciale weg nr. 26 en rijden zij op de provinciale weg nr. 45 in richting Höchst im Odenwald.

In het gebied van de gemeente "Gross Umstadt" splitsen de beide voertuigen op. Men laat de Mercedes Benz E-klasse wegrijden zonder verdere maatregelen te treffen (11:07 uur).

De rit van de Mercedes Benz Vito eindigt om 11:25 uur voor het huis "[adres], Breuberg-Neustadt". De Mercedes Benz Vito wordt achteruit het binnenhof van het erf opgereden.

Er wordt vastgesteld dat voor het huis "[adres]" de Mercedes Benz E-klasse geparkeerd staat.

11:31 uur: [verdachte] ontlaadt langwerpige voorwerpen uit de binnenruimte van de Mercedes Benz Vito. Of er nog meer voorwerpen worden ontladen, kan niet worden vastgesteld.

11: 34 uur: De Mercedes Benz Vito rijdt weg van het binnenhof van het erf "[adres]"en rijdt in de richting "Höchst im Odenwald. In het voertuig zit [verdachte].

(...)

16:22 uur: [verdachte] stapt de Mercedes Benz Vito in en rijdt in richting woonhuis [adres]. Hij rijdt door de open poort het binnenhof van het woonerf op. Tegelijkertijd worden door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] meerdere luidsprekerboxen, versterkers en onderdelen van een muziekinstallatie het hof binnengedragen en vervolgens de Mercedes Benz Vito ingeladen.

(...)

16:36 uur: [verdachte] (chauffeur) en [medeverdachte 1] (bijrijder) stappen de Mercedes Benz Vito in. [medeverdachte 3] (chauffeur) en [medeverdachte 2] (bijrijder) stappen de Mercedes Benz E-klasse in. Beide voertuigen rijden tegelijkertijd weg in richting marktplein.

(...)

18:50 uur: (...)Vanaf dit tijdstip rijdt de Mercedes Benz E-klasse permanent voor de Mercedes Benz Vito en verder richting noorden.

(...)

20:46 uur: Beide voertuigen komen aan bij de grensovergang en verlaten de Bondsrepubliek Duitsland. Bij de afrit "Gennep" wordt de observatie aan de Nederlandse politiemensen overgedragen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover het door de verdediging gevoerde bewijsverweer mede strekt tot een beroep op afwezigheid van alle schuld op grond van de verdachte verontschuldigbare onwetendheid van de aanwezigheid van heroïne in de door hem bestuurde en van Duitsland naar Nederland gereden bus met daarin heroïne, overweegt het hof ambtshalve dat de hiervoor onder de bespreking van het bewijsverweer weergegeven feiten en omstandigheden niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de verdachte van de aanwezigheid van de heroïne in de bestelbus in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het culpoos invoeren van (groot)handelshoeveelheid heroïne. Het gebruik van heroïne is schadelijk voor de gezondheid en kan bijdragen aan het ontstaan van ernstige ontregeling van het maatschappelijk en mentaal functioneren van personen. De ervaring leert bovendien dat de handel in dergelijke middelen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, van relatief lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit. Tot die zware criminaliteit rekent het hof niet alleen (ernstige) geweldsmisdrijven, maar ook misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich niet van zijn verplichting heeft gekweten nader onderzoek te verrichten naar de inhoud van de lading van de bus, alvorens die bus, in opdracht van een medeverdachte, naar Nederland te rijden, terwijl de omstandigheden direct voorafgaande aan het transport dermate verdacht waren dat dit wel van de verdachte mocht worden verwacht. Het resultaat van het ten laste van de verdachte bewezen geachte feit is dat hij feitelijk een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan het slagen van de invoer. Het is louter aan het tijdig ingrijpen van de opsporingsautoriteiten te danken dat de heroïne zijn bestemming niet heeft bereikt en van daaruit verder zou worden verspreid.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2010 , waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Redelijke termijn

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in de beroepsfase is overschreden met vijftien maanden, hetgeen dient te leiden tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf. Aan dit verweer is door de raadsman - zakelijk weergegeven - het navolgende ten grondslag gelegd.

Door een combinatie van factoren (te late inzending van het strafdossier, onvoldoende zittingscapaciteit, onjuiste betekeningen van de oproeping van een gelijktijdig berechte medeverdachte voor diens regiezitting) is er vanaf het instellen van het rechtsmiddel hoger beroep tot aan de eerste regiezitting een periode van vijftien maanden verstreken waarbinnen de behandeling van de onderhavige strafzaak praktisch heeft stilgelegen. Mede hierdoor heeft de afdoening van de onderhavige strafzaak een onnodige vertraging opgelopen. De gang van zaken voorafgaande aan de eerste regiezitting kan de verdachte niet verweten worden en dient volledig voor rekening van het openbaar ministerie te komen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft op 29 oktober 2007 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2007. Het hof zal heden, op 14 oktober 2011, arrest wijzen. Dit houdt in dat de gedingfase van het hoger beroep, gerekend van de datum van het instellen van het hoger beroep, ruim 48 maanden heeft gevergd.

Voor zover voor de beoordeling van het gevoerde verweer van belang geldt het volgende.

De aanzienlijke duur van de procedure in hoger beroep, gerekend vanaf de regiezitting van 6 maart 2009 moet in overwegende mate worden verklaard door achtereenvolgens de complexiteit van de zaak, de achtergrond waartegen de procedure heeft plaatsgehad (gelijktijdige behandeling met de strafzaken van vier medeverdachten op grond van de sterke onderlinge verwevenheid) en ook en vooral door de vele door de verdediging gedane verzoeken en het door het hof bevolen onderzoek. Deze periode is weliswaar aanzienlijk en is langer dan de periode waarbinnen de behandeling een strafzaak tegen de verdachte in beginsel dient te zijn afgedaan, doch de met de behandeling van de zaak gemoeide tijd wordt door de evenbedoelde aspecten verklaard en ook gebillijkt. Het hof is van oordeel dat zich in zoverre geen schending van de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborg heeft voorgedaan.

Dat oordeel geldt niet onverkort voor de (wacht)tijd die is verstreken, gerekend vanaf de datum waarop de stukken ter griffie van het hof zijn ingekomen (30 januari 2008) tot aan die datum van 6 maart 2009, zijnde de dag waarop met de inhoudelijke behandeling van de zaak een aanvang is gemaakt. Die laatstbedoelde periode is vooral het gevolg geweest van repeterende betekeningsverzuimen in een van de gelijktijdig behandelde zaken. De aldus verstreken tijd, gevoegd bij de met inhoudelijke behandeling van de zaak gemoeide tijd, maakt dat de periode van de gedingfase in hoger beroep onredelijk lang heeft geduurd. Daaraan doet niet af dat ook de verdediging de gelijktijdige behandeling van de tegen de vijf in hoger beroep terecht staande verdachten heeft voorgestaan.

Het hof zal dit verzuim compenseren door matiging van de aan de verdachte op te leggen straf.

Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een hechtenis voor de duur van zes maanden hebben opgelegd. Gelet echter op het feit dat sprake is geweest van de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn zal het hof de verdachte een hechtenis van na te melden duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. J.K.D. Bakker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 oktober 2011.

1 Dossier Vlieger, Rubriek D (Binnengekomen informatie), doorgenummerde dossierpagina's 1-2.

2 Ter terechtzitting van dit hof op 9 november 2009 overgelegd door de advocaat-generaal.

3 Dossier Vlieger, Rubriek D (Binnengekomen informatie), doorgenummerde dossierpagina 3.

4 Dossier Vlieger, Rubriek D (Binnengekomen informatie), doorgenummerde dossierpagina 4.

5 Zaaksdossier B01/Vlieger, doorgenummerde dossierpagina 16.

6 Dossier Vlieger, Rubriek AD (Rechtshulpverzoeken), doorgenummerde dossierpagina's 10-15.

7 Processen-verbaal van de DIN van het KLPD van 29 april 2005, 2 september 2005, 7 oktober 2005, 20 juni 2006 en 6 juli 2006; dossier Vlieger, Rubriek D (Binnengekomen informatie)

8 Verhoor als getuige ter terechtzitting van dit hof op 9 november 2009

9 Verhoor als getuige ter terechtzitting van het hof op 9 november 2009

10 Idem

11 Verhoor als getuige ter terechtzitting van dit hof op 9 november 2009

12 Zie noot 9

13 idem

14 Proces-verbaal van 11 april 2007 van de hoofdinspecteur van politie en zijn verhoren als getuige, door de rechter-commissaris op 8 november 2006 en 19 april 2007 en ter terechtzitting van het hof op 17 juni 2009

15 Verhoren als getuige door de rechter-commissaris op 25 januari 2007 en 20 september 2007 en ter terechtzitting van het hof op 17 juni 2009

16 Verhoor als getuige ter terechtzitting van het hof op 9 november 2009

17 Verhoor van de getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris op 12 maart 2008

18 Verhoor als getuige ter terechtzitting van het hof op 9 november 2009

19 Verhoren als getuigen ter terechtzitting van het hof op respectievelijk 17 juni 2009 en 9 november 2009

20 Verhoren van de officieren van justitie als getuigen ter terechtzitting van het hof op respectievelijk 9 november 2011 en 17 juni 2009

21 zie noot 17

22 zie noot 17

23 Processen-verbaal van 4 september 2008 en 5 februari 2009

24 Rapport van 18 februari 2009

25 Brief van 10 februari 2009

26 zie noot 9

27 http://www.eerstekamer.nl/9370000/1/j9vviasdcklgjqj/vg44khiiq6sd