Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8368

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
10/00670
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur komt belanghebbende tegemoet voor wat betreft de proceskosten in eerste aanleg. Voor de berekening van de kosten in hoger beroep stelt het Hof dat er sprake is van een “lichte” zaak aangezien de zaak gecompliceerd noch bewerkelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2570
V-N 2012/6.22.2
FutD 2011-2573
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P10/00670

13 oktober 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., te [Y], belanghebbende,

gemachtigde: H.M. van Vliet te Hilversum

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/6532 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 28 augustus 2007 aan belanghebbende voor het tijdvak van 1 april 2007 tot en met 30 juni 2007 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van € 2.272. Tevens is bij beschikking met dezelfde dagtekening een boete opgelegd van € 22.

1.2. Belanghebbende heeft op 1 oktober 2007 een bezwaarschrift ingediend.

1.3. Met dagtekening 1 december 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering verzonden, inhoudende dat de naheffingsaanslag wordt vernietigd en dat een bedrag van € 2.294 verrekend dan wel teruggegeven wordt.

1.4. Op 10 oktober 2008 heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.5. Op 27 maart 2009 heeft de inspecteur uitspraak gedaan, het bezwaar gedeeltelijk toegewezen voor wat betreft de naheffingsaanslag en de boete, en het bezwaar voor wat de kostenvergoeding betreft afgewezen.

1.6. Bij uitspraak van 13 augustus 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek om proceskosten, bepaald dat de inspecteur de proceskosten van de bezwaarfase van belanghebbende ten bedrage van € 161 aan haar vergoedt, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de beroepsprocedure van belanghebbende ten bedrage van € 402,50 en gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het betaalde griffierecht van € 288 vergoedt.

1.7. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 oktober 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof ziet in de ontwikkeling van het geschil in hoger beroep, zoals hierna onder sub 5. vermeld, reden om af te zien van een afzonderlijke vaststelling van de feiten.

3. Geschil in hoger beroep

Anders dan bij de rechtbank is in hoger beroep uitsluitend in geding de hoogte van de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende forfaitaire vergoeding van de kosten van het bij de rechtbank ingestelde beroep.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het

proces-verbaal van de zitting.

4. De relevante overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aan zien van de proceskostenvergoeding in beroep het volgende overwogen:

“ De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op de helft van € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). “

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ter zitting is de inspecteur nader akkoord gegaan met de toekenning van een proceskostenvergoeding in eerste aanleg – overeenkomstig het standpunt van belanghebbende – van € 805. Hij komt daarmee derhalve geheel tegemoet aan de grieven van belanghebbende.

Slotsom

5.2. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover deze de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg betreft.

6. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (hoger beroepschrift en verschijnen zitting) x € 437 x 0,5 (wegingsfactor) = € 437.

Ten aanzien van de wegingsfactor stelt het Hof vast dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg, ter zake waarvan belanghebbende een summier hoger beroepschrift heeft ingediend en ter zitting een korte toelichting heeft gegeven. Een dergelijke zaak is gecompliceerd noch bewerkelijk. De daarmee verband houdende werkbelasting van de gemachtigde is derhalve beperkt. De zaak dient dan ook naar het oordeel van het Hof als “licht” te worden gekwalificeerd.

7. Beslissing

Het Hof:

-vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de kosten van het beroep betreft;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 805 voor het beroep en van € 437 in hoger beroep en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 448 (hoger beroep bij het Hof) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J. P.M. Haas, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A. Bijlsma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.