Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7189

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
23-003055-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2010:BM8868, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord, voorafgegaan door mislukte uitlokking daarvan. Twijfel staat niet in de weg aan voorbedachte raad. Verwerping noodweer-verweer. Motivering van hogere straf dan rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003055-10

datum uitspraak: 7 oktober 2011

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 22 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 14-810291-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in thans gedetineerd [detentieadres]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 februari 2010, 22 maart 2010, 25 mei 2010, 26 mei 2010 en 8 juni 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 11 maart 2011, 20 september 2011 en 23 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 09 juli 2009 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, een of meer kogel(s) geschoten in het hoofd en/of elders in het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:

hij op of omstreeks 7 juli 2009 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van zware mishandeling (artikel 302 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te plegen tegen [slachtoffer], als volgt heeft gehandeld: -verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) hebben/heeft enige dagen, althans kort, voor 7 juli 2009 het plan gemaakt om [slachtoffer] dood te schieten en/of door zijn benen en/of armen te schieten en/of

-verdachte heeft samen met een of meer van zijn mededaders, althans alleen, [medeverdachte 3], opgehaald in Rotterdam en/of

-verdachte is samen met een of meer van zijn mededaders in een auto gereden naar Alkmaar en/of

-verdachte heeft tussen Rotterdam en Alkmaar met zijn mededader(s) het plan besproken om [slachtoffer] (slechts) door armen en/of benen te schieten en/of

-verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) hebben/heeft in Alkmaar, althans op een plaats gelegen tussen Rotterdam en Alkmaar, een (vuur)wapen verstrekt aan [medeverdachte 3] en/of

-verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) zijn/is in een of meer auto's gereden naar de plaats in Alkmaar waar het misdrijf diende te worden voltrokken, en aldus hebben/heeft verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen en daar tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk een (vuur)wapen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden gehad;

subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 7 juli 2009, althans in of omstreeks de maand(en) juni 2009 en/of juli 2009 in de gemeente(n) Alkmaar en/of Delft en/of Rotterdam, in elk geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [medeverdachte 3] door in artikel 47, eerste lid, onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte en/of (een) gift(en) en/of het verschaffen van inlichtingen en/of middelen en/of gelegenheid, te bewegen om [slachtoffer] te vermoorden, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, althans enig misdrijf te begaan, bestaande die belofte en/of gift(en) in het betalen van 4000 euro, althans enig geldbedrag, vóór het plegen van het misdrijf en/of de toezegging na het plegen van het misdrijf over te gaan tot het betalen van (nogmaals) 4000 euro, althans enig geldbedrag, en/of het verschaffen van een auto aan die [medeverdachte 3] en bestaande het verschaffen van inlichtingen en/of middelen en/of gelegenheid uit het halen van [medeverdachte 3] uit Rotterdam en/of het vervoeren van die [medeverdachte 3] in een door verdachte en/of zijn mededader(s) bestuurde auto naar Alkmaar en/of het verschaffen van een (vuur)wapen door verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) aan die [medeverdachte 3] en/of het door verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) brengen van die [medeverdachte 3] naar de plaats waar het misdrijf diende te worden voltrokken, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid omdat die [medeverdachte 3], nadat verdachte en/of zijn mededader(s) waren/was vertrokken, eveneens de plaats van het misdrijf heeft verlaten en de komst van die [slachtoffer] niet heeft afgewacht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3. Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een deels andere bewezenverklaring.

4. Het bewijs

4.1 Feiten waarvan het hof uitgaat

Feit 1:

Op 9 juli 2009, omstreeks 02.45 uur, is bij de regionale meldkamer van de politie Alkmaar een melding binnengekomen dat op de Geulstraat te Alkmaar een man op de grond zou liggen en dat er schoten zouden zijn gehoord. De ter plaatse gegane verbalisanten hebben ter plaatse een man, liggend op de grond aangetroffen. Gebleken is dat het hoofd van de man zich in een plas bloed bevindt en aan de linkerzijde van zijn hoofd een gat zit, waaruit bloed loopt. Ondanks reanimatiepogingen is de man ter plaatse overleden. 1 Een van de verbalisanten herkent de man als de hem ambtshalve bekende [slachtoffer].2

Uit de inhoud van het naar aanleiding van het pathologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) opgestelde rapport blijkt dat uit onderzoek is gebleken dat de dood is ingetreden als gevolg bloedverlies, hersenfunctieverlies, longfunctieverlies en weefselschade ten gevolge van meervoudig schotletsel. In het lichaam waren vijf schotbanen traceerbaar en werden drie kogels aangetroffen. 3

Het is de verdachte geweest die op 9 juli 2009 te Alkmaar omstreeks 02.45 uur met een vuurwapen meer kogels op [slachtoffer] heeft afgevuurd en hem heeft neergeschoten.4

4.2 Vrijspraak ten aanzien van feit 2, primair

Het hof is in navolging van de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe dat gegeven de uiteenlopende inhoud van de verklaringen van de betrokken verdachten niet bewezen kan worden dat op enig, met de voor een bewezenverklaring vereiste precisie, bepaalbaar moment en plaats, het gezamenlijk opzet van verdachte en zijn medeverdachten dan wel dat van hem alleen gericht is geweest op het ten laste gelegde gronddelict zware mishandeling.

4.3 Het standpunt van de advocaat-generaal

Ten aanzien van feit 1

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld ter zake het als feit 1, impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].

Ten aanzien van feit 2

Daarnaast heeft de advocaat-generaal ten aanzien van hetgeen onder feit 2 is ten laste gelegd gerekwireerd tot vrijspraak van het primaire onderdeel daarvan en tot bewezenverklaring van het subsidiair opgenomen onderdeel, inhoudend het medeplegen van poging tot uitlokking van moord op die [slachtoffer].

4.4 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is ten aanzien van het ten laste gelegde bestanddeel 'voorbedachte raad', zodat slechts de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Naar het oordeel van de raadsman is geen sprake geweest van een voorgenomen besluit om die [slachtoffer] om het leven te brengen. Daartoe heeft de raadsman betoogd - kort gezegd - dat de inschakeling van [medeverdachte 3], enkele dagen eerder, niet redegevend kan zijn voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad. Deze situatie gold immers voor de verdachte als afgesloten, maar als gevolg van de bedreiging van [medeverdachte 1] door [slachtoffer] ontstond voor hem een nieuwe situatie.

De verdachte heeft enkel en alleen het plan gehad om een gesprek aan te gaan met die [slachtoffer] [slachtoffer] en hem te confronteren met zijn gedrag. De uit het dossier blijkende omstandigheden dat de verdachte hierbij onder meer een vuurwapen heeft meegebracht, dat hij heeft gewacht tot hij die [slachtoffer] op enig moment buiten gezelschap van anderen aantrof en voorts, dat de verdachte een stok tussen het kozijn en de nooddeur die toegang bood tot de galerij van de portiekflat waar die [slachtoffer] woonachtig was, had verwijderd, zijn naar de mening van de raadsman eveneens onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat sprake is geweest van een vooropgesteld plan. Deze passen immers evenzeer bij het voornemen van de verdachte om in gesprek te komen. Voorts kan uit de verklaringen van de verdachte evenmin worden afgeleid dat hij voorafgaand aan het schietincident het besluit heeft genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven.

4.5 Het oordeel van het hof

Ten aanzien van feit 1

Inleidende opmerkingen

Het hof zal - evenals de rechtbank in het vonnis waarvan beroep - achtereenvolgens beoordelen in hoeverre de verklaringen van de verdachte voor de bewijsvoering ten aanzien van de door de raadsman betwiste onderdelen van de tenlastelegging kunnen worden gebruikt, of er ten aanzien van feit 1 al dan niet sprake is geweest van voorbedachte raad en of het ten laste gelegde medeplegen bewezen kan worden. Hierna zal blijken dat het hof ten aanzien van het antwoord op de vragen achtereenvolgens of sprake is geweest van voorbedachte raad en medeplegen tot deels andere overwegingen komt dan de rechtbank in het vonnis waarvan beroep.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte

Ten aanzien van de vraag of de processen-verbaal, houdende de verklaringen van de verdachte kunnen worden gebruikt voor de bewijsvoering, heeft de rechtbank in het vonnis waarvan beroep het navolgende overwogen:

De rechtbank zal de hier na te noemen verklaringen van verdachte voor het bewijs gebruiken, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar zijn. Daartoe is redengevend dat verdachte bij zijn eerste verhoor bij de politie met name zichzelf heeft belast door te bekennen dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Hij heeft gedetailleerd en uitvoerig aangegeven hoe één en ander is gegaan voorafgaand, tijdens en na het schietincident en hij heeft hierover ook consistent verklaard. Daarbij zijn de verklaringen voor zover mogelijk door de politie gecontroleerd door getuigen te horen, telefoongegevens te onderzoeken en camerabeelden op te vragen, hetgeen op verschillende onderdelen heeft geresulteerd in ondersteunend bewijsmateriaal.

De gebeurtenissen op 8 juli 2009; de confrontatie met [slachtoffer] en het brengen van de Suzuki Swift en het vuurwapen naar verdachte

Verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie het volgende verklaard:

"...diezelfde middag, 8 juli, komt [medeverdachte 1]thuis. Staat [slachtoffer] [medeverdachte 1]op te wachten in de trappenhal. Die vraagt aan [medeverdachte 1]van waar is [verdachte]. En [medeverdachte 1]zegt ja ik weet ook niet waar [hij] is. Waarop [slachtoffer] zegt van [medeverdachte 1] als ik [verdachte] niet kan vinden dan pak ik jou...Op een gegeven moment probeerde hij [medeverdachte 1]ook mee te lokken, kom we gaan even praten op een rustig plekkie....[medeverdachte 1]is naar binnen gegaan en die is niet meer naar buiten gegaan. [medeverdachte 1]die was zo bang dat hij niet naar buiten durfde. En ik belde [medeverdachte 1]op van ik zeg tegen [medeverdachte 1]zo van nou is het, nou is het over. Ik zeg probeer dat ding van je te regelen en probeer om het mij te brengen hier. Nou op een gegeven moment heb [medeverdachte 1]een taxi gepakt, heeft dat ding voor mij gebracht. Toen ben ik het gaan ophalen bij de Vomar in Heerhugowaard. En ik ging even op de bank liggen bij waar ik was. Heel goed nadenken, hoe moet ik het doen, moet ik het niet doen, moet ik het doen. En op een gegeven moment zegt tegen mij iets van goh, [verdachte] ga effe daar kijken (onverstaanbaar) en ga

kijken." 5

De verklaringen van verdachte worden ondersteund door de getuigenverklaring van de vriendin van [medeverdachte 1], [betrokkene 1], inhoudende dat [medeverdachte 1] de avond vóór de moord tussen 19.00 uur en 20.00 uur het huis uit ging om sigaretten te halen, maar dat hij toen [slachtoffer] tegenkwam. Omdat hij toen werd bedreigd door [slachtoffer], ging hij terug naar huis.6 Blijkens de analyse van het telefoonverkeer is er op 8 juli 2009 om 19:44 uur een 132 seconden durend contact tussen het nummer van [medeverdachte 1] en dat van verdachte.7

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [medeverdachte 1] in de avond van 8 juli 2009 heeft gevraagd om hem kleding en de Suzuki Swift te brengen. Omdat [medeverdachte 1] na de confrontatie met [slachtoffer] niet meer naar buiten durfde te gaan, heeft hij zijn broer, [betrokkene 2], gevraagd om kleding voor verdachte op te halen bij diens moeder en deze naar Heerhugowaard te brengen met de Suzuki Swift, die vervolgens bij verdachte is achtergelaten. [betrokkene 2], die werd vergezeld door zijn vriendin [betrokkene 3], is toen met de taxi teruggegaan naar Alkmaar. Dit was ongeveer tussen 22.00 uur en 23.00 uur. 8

Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij op 8 juli 2009 rond 20.00 uur werd gebeld door zijn broer [medeverdachte 1]met het verzoek naar hem toe te komen. Toen hij daar was, vroeg [medeverdachte 1]hem bij [betrokkene 7] een geldkistje op te halen. Toen hij dit gedaan had, vroeg [medeverdachte 1]hem om zijn auto naar verdachte te brengen, bij de Vomar in Heerhugowaard. Onderweg kregen ze van [medeverdachte 1]het verzoek om een tas kleren bij de moeder van verdachte op te halen en die ook aan verdachte te geven. [medeverdachte 1] had er inmiddels voor gezorgd dat er een taxi klaar stond bij de Vomar, waarmee [betrokkene 2 en [betrokkene 3] weer terug gingen naar Alkmaar.9

[betrokkene 1] bevestigt dat [betrokkene 2] die avond bij haar en [medeverdachte 1] thuis kwam. Op verzoek van [medeverdachte 1] hebben [betrokkene 2] en zijn [betrokkene 3] de Suzuki Swift naar verdachte in Heerhugowaard gebracht. Ze kwamen terug met een taxi die [medeverdachte 1] voor hen had gebeld.10

[betrokkene 4], werkzaam als taxichauffeur, herinnert zich dat hij op de avond van 8 juli 2009 een belletje kreeg van de Vechtstraat of de Geulstraat en dat hij daar een jongen en een meisje heeft opgehaald en gebracht naar Heerhugowaard, in de buurt van de Vomar. Hij moest hen ook weer terugbrengen naar de Geulstraat.11

In zijn tweede verhoor bij de politie heeft verdachte over het vuurwapen nog het volgende verklaard:

"Eh, op een gegeven moment heb [medeverdachte 1] eh heb ik tegen [medeverdachte 1] gezegd van eh ik zeg jij heb toch ook een vuurwapen dus [medeverdachte 1] ja (niet te verstaan) ik zeg geef maar op, breng dat ding maar naar mij. Die had [medeverdachte 1] ergens verstopt waar die niet bij kon nog, waar die niet bij kon dus hij zegt ik ga moeite doen om dat ding voor elkaar te krijgen. Ik denk dat hij twaalf uur, kwart over twaalf, twaalf uur bij mij was of nee, daarvoor heb ie me nog een belletje gegeven van [verdachte] ik heb het, ik kom dat ding bij je brengen. Toen heb hij met de taxi, is hij gekomen aan de achterkant van de poort bij [betrokkene 5] en dat ding overhandigd en is weer weg gegaan daarna.... [medeverdachte 1] was thuis ik heb hem opgebeld en dat ding van [medeverdachte 1] heb nog nooit een proef gedaan een schot gemaakt dus ik zeg tegen [medeverdachte 1] hoe zeker weet je ie werkt. Toen zegt [medeverdachte 1] tegen mij ja ik weet als je die kogels eruit haalt die cilinder dan als ie leeg is en schiet dan zie je dat ie draait. Dus dat was het enigste waar ik uit van kon gaan dat ie werkt.... Ik had geen garantie of dat ding werkte daar was ik alleen bang voor. Want ik zeg tegen [medeverdachte 1] weet je zeker dat ie werkt, zegt ie haal die kogels eruit dan zie je dat die cilinder draait ik heb dat gedaan en op dat moment zie ik ja hoor de cilinder draait.

[verbalisant]: Oké, hoeveel kogels zaten er in

[verdachte]: Zes."

Verdachte heeft ook verklaard dat [medeverdachte 1], nadat deze het vuurwapen naar Heerhugowaard had gebracht, met de taxi is teruggegaan naar Alkmaar.12

Deze verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaring van taxichauffeur [betrokkene 4], voornoemd, inhoudende dat hij, nadat hij de jongen en het meisje bij de Geulstraat had afgezet, een jongen die hij herkent als [medeverdachte 1] van de Geulstraat in Alkmaar naar een adres in Heerhugowaard heeft gereden en na nog geen 5 minuten wachten weer heeft teruggebracht naar de Geulstraat.13

Op de beelden van de beveiligingscamera in de toegangshal van de flat aan de Geulstraat waar [medeverdachte 1] bij zijn vriendin [betrokkene 1] verbleef is te zien dat [medeverdachte 1] de flat aan de Geulstraat op 9 juli 2009 om 00.05 uur verlaat en dat hij om 00.30 uur weer terugkeert.14

De gebeurtenissen in de nacht van 8 op 9 juli 2009

Verdachte heeft verklaard dat hij, kort nadat medeverdachte [medeverdachte 1]hem het vuurwapen had gebracht, met de Suzuki Swift naar Alkmaar is gereden. Toen hij daar aankwam, heeft hij tot aan het schietincident - ruim twee uur later - meermalen telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] waarbij deze hem, kijkend door het keukenraam van zijn woning aan de Geulstraat, van informatie voorzag met betrekking tot de aanwezigheid van [slachtoffer] bij de flat aan de Geulstraat:

"Dus op een gegeven moment ik rij die kant... Ik bel naar [medeverdachte 1].... [medeverdachte 1] zegt tegen mij beter ga je van mij, anders ga je achter de flat staan. Dus ik ben achter die flat gegaan. Op een gegeven moment..eehh..ik had telefonisch contact met [medeverdachte 1], zat in de keuken thuis achter zijn raam van de keuken....Ik heb mijn auto bij de Vechtstraat geparkeerd. Zie, zie ik [slachtoffer], ik was er om half één, vanaf half één 's nachts stond ik al daar, ken je nagaan. Ehh...was [slachtoffer] dingen aan het uitladen...[medeverdachte 1] keek uit zijn raam. [medeverdachte 1]zegt tegen mij van ja ze, ze zijn met zes man, ze zitten dingen uit te laden... Enehh, op een gegeven moment, tja ik kon niets anders dan wachten, anders moet ik er dadelijk zes opruimen en vijf hadden er niks mee te maken, het was echt ik of [slachtoffer]. Dus op een gegeven moment ben ik blijven wachten, wachten wachten, wachten, wachten, wachten, vier man gingen in een auto weg..... [slachtoffer] bleef alleen met een Marokkaan over....Op een gegeven moment [medeverdachte 1] belt mij, hij zegt [verdachte] hij gaat weg met die Marokkaan....In principe heb ik het ook samen gedaan met [medeverdachte 1]. .... Kijk, [medeverdachte 1] zat in de keuken thuis. Ik zat in de Vechtstraat. [medeverdachte 1] pleegde alle informatie telefonisch door, wat ze aan het doen waren en noem maar op. Op een gegeven moment, [medeverdachte 1] belt me....Op een gegeven moment, [verdachte] hij brengt nu volgens mij een Saudische Marokkaanse vriend thuis bij hem.. .[slachtoffer] die ging altijd via de nooduitgang naar [betrokkene 6] in de flat wat ik weet via [medeverdachte 1] en niet via de hoofdingang....Op een gegeven moment dat hij die Marokkaanse vriend naar huis is gaan brengen ben ik naar die nooduitgang gelopen ja. Daar hadden ze een stok tussen de deur gezet zodat de deur open bleef staan. Weet je welke nooduitgang ik bedoel ?.... Ja, ja de brandtrap ja. Ik ben in die tussentijd dat hij die Marokkaan naar huis is gaan brengen, ben ik naar boven gegaan, heb die stok tussen de deur weggehaald en ik heb de deur gesloten. Toen ben ik weer naar beneden gegaan en ik ben achter de flat gaan staan. En nu zeg ik [medeverdachte 1] nu moet ik op jou vertrouwen werken. Ten eerste hoop ik dat het vuurwapen werkt, ten tweede, ik ben afhankelijk van jouw informatie want ik sta achter de flat....Op een gegeven moment....[medeverdachte 1] belt me op en zegt [verdachte],,,ik kon het al in de verte horen ook....hij komt weer aanrijden. Ik sta achter de flat en op een gegeven moment...we hadden ook even zeker 10 min verbinding, [slachtoffer] bleef bij zijn auto dralen.....Dus op een gegeven moment [medeverdachte 1] zegt hij sluit nu zijn kofferbak en hij loopt nu naar de zijkant van de flat. Waar [medeverdachte 1] hem dus niet meer kan zien. De zijkant loopt naar de stalen trap. Dus hoe hij zegt, [medeverdachte 1] zegt tegen mij hij loopt nu naar de zijkant en....ik heb mijn oren zo scherp dat ik hem de trap hoor oplopen. Op dat moment dat ik geen...eehh... stappen meer hoorde op de trap kom ik van de hoek vandaan. [slachtoffer] ziet me en hoe die mij ziet, hij aarzelt geen seconde, hij springt tegelijk naar beneden....Waar op, hoe hij springt, begin ik te schieten en hij werd of voor hij neerkomt was al mijn schoten al gelost. Ik ben...nee, voor hij neerkwam, ik was nog op hem afgerend en de laatste heb ik van een paar meter, zo, kunnen doen.

Opmerking verbalisant Bürmann: [verdachte] strekt zijn rechterhand uit en wijst naar beneden...

En [medeverdachte 1] had me daarna gebeld van: En? Ik zeg ja, zo goed als ik het weet is het gelukt."15

Verdachte heeft voorts verklaard:

"Ik heb [medeverdachte 1] gezegd [medeverdachte 1] kijk goed of er geen vuurwapen, want ik krijg altijd te horen hij heb altijd een vuurwapen en hij zoekt mij met een vuurwapen. Dus ik zeg tegen [medeverdachte 1] kijk of hij geen vuurwapen heb. Ja op het moment [medeverdachte 1] kijkt en zegt nee ik zie de tas in zijn hand ik zie niets anders in zijn hand, wat [medeverdachte 1]omschreef als een buikspier apparaat. En [medeverdachte 1] zag geen vuurwapen bij hem."16

Op de vraag hoe vaak verdachte en [medeverdachte 1] met elkaar hebben gebeld die nacht heeft verdachte verklaard:

"Veel, ja veel....Ja constant contact gehad, kleine gesprekjes steeds maar wel constant. Je ken het echt zien als een eh computerspel waar [medeverdachte 1] mij bestuurt zeg maar.. Ja klopt, het vertrouwen van [medeverdachte 1] moet ik gehad hebben omdat ik niks zag, ja schuin (niet te verstaan) van [medeverdachte 1] zijn vertrouwen uitgaan en ook het vuurwapen en noem maar op. Het is net alsof een spel ja wat ik zeg waarmee [medeverdachte 1] mij bestuurd heb."17

Verdachte heeft verklaard dat hij na het schietincident naar de woning van [betrokkene 5] in Heerhugowaard is gegaan en dat hij daar [medeverdachte 1] heeft gebeld met de mededeling dat hij [slachtoffer] had neergeschoten.18

Ook deze laatste verklaring van verdachte wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Blijkens de analyse van het telefoonverkeer19 van de telefoonnummers van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn er op 9 juli 2009 tussen 00.30 uur en het laatste contact tussen beide telefoons om 02.44 uur ruim 25 telefooncontacten geweest, van kortere en langere duur. Om 02.31 uur was er een contact van 106 seconden en om 02.39 uur was er gedurende 98 seconden contact. Het laatste telefonische contact tussen beide nummers werd gelegd om 02:44:30 uur, ongeveer anderhalve minuut nadat de melding van het schietincident bij de meldkamer was binnengekomen. Met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] is op 9 juli 2009 om 02:53:21 uur een sms-bericht verstuurd naar het telefoonnummer van verdachte met de tekst: "Kink je gsm".20 Blijkens de printlijsten is er daarna geen enkel telefonisch contact meer geweest tussen beide mobiele nummers.

Om 03:18 uur is er gedurende 22 seconden contact geweest tussen de vaste telefoonlijnen van [betrokkene 5] en [betrokkene 1], de vriendin van [medeverdachte 1].21

Het hof onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank, neemt deze over en komt daarmee tot het oordeel dat de verklaringen van de verdachte in voldoende mate als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en op die grond ook ten aanzien van de door de raadsman betwiste onderdelen van de tenlastelegging voor de bewijsvoering kunnen worden gebruikt.

Voorbedachte raad

Met betrekking tot de vraag of de ten laste gelegde voorbedachte raad voor bewezenverklaring in aanmerking komt, overweegt het hof het navolgende. Voorbedachte raad is naar het oordeel van het hof niets anders dan het tegenovergestelde van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Er dient een moment geweest te zijn, voorafgaand aan het handelen, waar de redelijke mogelijkheid voor nadenken over die handelingen heeft opengestaan. Nu de [medeverdachte 1] geen verklaring heeft afgelegd, dient aan de hand van de verklaringen van de verdachte te worden beoordeeld of deze al dan niet heeft gehandeld anders dan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

De verdachte heeft bij verschillende gelegenheden onder meer het navolgende verklaard:

"En ik belde [medeverdachte 1] op van ik zeg tegen [medeverdachte 1] zo van nou is het, nou is het over. Ik zeg probeer dat ding van je te regelen en probeer om het mij te brengen hier. Nou op een gegeven moment heb [medeverdachte 1] een taxi gepakt, heeft dat ding voor mij gebracht. En ik ging op de bank liggen bij waar ik was. Heel goed nadenken, hoe moet ik het doen, moet ik het niet doen, moet ik het doen. Op een gegeven moment zegt iets tegen mij van goh, [verdachte], ga effe daar kijken, (onverstaanbaar) en ga kijken."22

En:

"Dus ik, ik had helemaal geen nood en ik ben helemaal stuk bij [betrokkene 7] gegaan. De situatie uitgelegd en noem maar op en. Dat [betrokkene 7] nog zelfs zei zal ik het niet doen. Ik zei ma je bent gek. Maar, uit...ze hoopt niet dat je gekke dingen doet. Maar ja, ik kan [betrokkene 7] hier niet voor laten opdraaien ofwel?23

En, blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2011:

"ik heb van tevoren nagedacht wat [slachtoffer] zou kunnen gaan doen. Hij zou op mij kunnen schieten, dat had ik mij al ingebeeld."

En:

"tja, ik kon niet anders dan wachten, anders moet ik er dadelijk zes opruimen en vijf hadden er niets mee te maken, het was echt ik of [slachtoffer]. Dus op een gegeven moment ben ik blijven wachten, wachten, wachten, wachten, wachten, wachten. [..] Ik ben in de tussentijd dat hij die Marokkaan naar huis is gaan brengen, ben ik naar boven gegaan, heb die stok tussen de deur weggehaald en ik heb die deur gesloten. Toen ben ik weer naar beneden gegaan en ik ben achter de flat gaan staan. En nu zeg ik [medeverdachte 1] nu moet ik op jou vertrouwen werken. Ten eerste hoop ik dat dit vuurwapen werkt, ten tweede, ik ben afhankelijk van jouw informatie want ik sta achter de flat.24

En voorts heeft de verdachte verklaar:

"En [medeverdachte 1] had me daarna gebeld van: En? Ik zeg ja, zo goed als ik het weet is het gelukt.25

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven, aan verklaringen van de verdachte ontleende passages blijkt, dat deze gedurende geruime tijd zich heeft beraden op zijn voornemen om [slachtoffer] te doden. Dat zich daarbij wellicht ook momenten van twijfel of aarzeling hebben voorgedaan brengt niet met zich, dat daardoor niet langer sprake is van kalm beraad of rustig overleg in de hiervoor bedoelde zin van het niet handelen uit louter een opwelling. Derhalve is bij de verdachte sprake geweest van voorbedachte raad.

Het hof gaat gelet op de inhoud van de hiervoor in de rubriek "voorbedachte raad" opgenomen onderdelen uit de verklaringen van de verdachte voorbij aan het nadien door de verdachte en de verdediging betrokken standpunt dat de verdachte slechts het plan had opgevat om een gesprek aan te gaan met die [slachtoffer] en bezigt deze onderdelen voor het bewijs. Voorts acht het hof de in samenhang met de voetnoten 8, 15, 16, 17, 19, 21 weergegeven feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Medeplegen

Voor de bewezenverklaring van medeplegen is in casu vereist dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] zodanig nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt dat op grond daarvan moet worden aangenomen dat zij het onder feit 1 ten laste gelegde tezamen en in vereniging hebben gepleegd.

Het hof leidt uit de in het voorgaande gemotiveerd geselecteerde en weergegeven bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.

In de avond voorafgaand aan de schietpartij heeft op de galerij van de flat van de medeverdachte een confrontatie plaatsgevonden tussen het latere slachtoffer [slachtoffer] en de [medeverdachte 1]; [slachtoffer] informeerde toen bij [medeverdachte 1] naar de verblijfplaats van de verdachte en meldde dat als hij de verdachte niet zou vinden, hij in dat geval wel [medeverdachte 1] te pakken zou nemen. Aldus is de medeverdachte [medeverdachte 1] in ieder geval op dat moment bekend geworden met de spanningen tussen de verdachte en die [slachtoffer].

[medeverdachte 1] heeft hierna telefonisch contact opgenomen met de verdachte en hem over deze confrontatie ingelicht. De verdachte heeft [medeverdachte 1] vervolgens gezegd dat het nu afgelopen moest zijn en hij heeft gevraagd om hem het ding (het hof begrijpt: een vuurwapen) te brengen, waaraan [medeverdachte 1]

- niettegenstaande zijn wetenschap over de spanningen tussen [verdachte] en [slachtoffer] - gevolg heeft gegeven. Het hof is van oordeel, dat de verklaring van de verdachte dat [verdachte] zelf het wapen heeft afgeleverd in Heerhugowaard gebruikt kan worden voor de bewijsvoering, aangezien deze - zoals hierboven reeds overwogen - wordt ondersteund door de inhoud van overige bewijsmiddelen in het dossier. [verdachte] heeft deze gang van zaken bovendien ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals bevestigd. Voorts blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] heeft gezorgd dat de verdachte de beschikking over een setje nieuwe kleding en de beschikking over een vervoermiddel (een auto van het merk Suzuki) heeft gekregen.

Na de levering van het wapen heeft [verdachte] telefonisch contact gezocht met [medeverdachte] over de vraag of het vuurwapen wel functioneerde, waarop [medeverdachte] heeft gezegd dat hij de kogels uit het cilinder moest halen en als die leeg was moest schieten om te kijken of het cilinder draait.

Nadat de verdachte in de Suzuki naar de flat aan de Geulstraat is gereden, hebben de verdachte en [medeverdachte 1] wederom onderling vele malen telefonisch contact met elkaar onderhouden. [medeverdachte 1] had toen zicht op de bij de flat behorende parkeerplaats, waardoor hij moet hebben kunnen waarnemen welke personen zich daar ophielden en in welke richting zij zich begaven. [medeverdachte 1] heeft bij die telefonische contacten aanwijzingen gegeven aan die [verdachte] over welke positie hij het best kon innemen, hem de bewegingen van die [slachtoffer] doorgegeven en hem ingelicht over het moment waarop die [slachtoffer], midden in de nacht, zonder gezelschap van anderen in de richting van de nooddeur van het flatgebouw liep. Voorts heeft [medeverdachte] na afloop van de schietpartij geïnformeerd naar het resultaat daarvan.

Uit de inhoud van de hierboven omschreven bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - leidt het hof af dat er een vooropgezet, door verdachte en diens [medeverdachte 1] gedeeld, plan is geweest om het vuurwapen te gebruiken en hiermee [slachtoffer] om het leven te brengen.

De betrokkenheid van [medeverdachte 1] – die heeft bestaan in het brengen van het vuurwapen en in het geven van actuele telefonische inlichtingen gebaseerd op directe waarnemingen van de omgeving van de plaats van het delict gedurende de gehele periode dat verdachte buiten heeft staan wachten - is naar het oordeel van het hof dermate substantieel en essentieel en de samenwerking tussen hen beiden is daarbij dermate nauw en bewust geweest, dat van hun medeplegen sprake is geweest.

Ten aanzien van feit 2, subsidiair

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het uit de hand lopende conflict met [slachtoffer] [slachtoffer] op zoek is gegaan naar iemand om [slachtoffer] tegen betaling "op te ruimen". Hiertoe heeft hij zich gewend tot zijn "maat uit Rotterdam" (het hof begrijpt, zoals hierna wordt overwogen en geconcludeerd: [medeverdachte 2], die vervolgens de [medeverdachte 3] heeft benaderd en bereid heeft gevonden.26 Vervolgens heeft in Rotterdam een ontmoeting plaatsgehad tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en de verdachte.27 De verdachte heeft verklaard dat hij er in beginsel vanuit ging dat [medeverdachte 3] [slachtoffer] dood zou schieten.28 Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2011 heeft de verdachte eveneens verklaard dat zijn initiële plan was om een persoon te vinden die bereid zou zijn om die [slachtoffer] om het leven te brengen, maar dat de hoogte van het door hem in het vooruitzicht gestelde geldbedrag daaraan in de weg stond.29

Deze verklaring van de verdachte wordt ondersteund door onderdelen van de verklaringen van de [medeverdachte 3]. Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 3] in zoverre bruikbaar voor de bewijsvoering. Die heeft immers bevestigd dat hij kort vóór 7 juli 2009 is benaderd door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2]] en voorts dat er vervolgens een bespreking in Rotterdam heeft plaatsgevonden tussen deze drie personen, dat zij met auto's naar Alkmaar zijn gereden en dat hem betalingen in het vooruitzicht zijn gesteld.30

[medeverdachte 3] heeft zowel de verdachte als de medeverdachte bij een fotoconfrontatie herkend als de personen over wie hij in dit eerder verband een verklaring aflegde. In de op foto 3 afgebeelde persoon [medeverdachte 2] herkent [medeverdachte 3] "[naam]" of "[naam]".31 Uit een op 9 november 2009 tijdens het transport naar de rechtbank heimelijk opgenomen gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 2] leidt het hof af dat de verdachte [medeverdachte] [naam] noemt en dat iedereen [medeverdachte] verder ook kent als [naam].32 Gelet hierop komt het hof tot de conclusie dat de [medeverdachte 2] "de maat uit Rotterdam" is over wie de verdachte in zijn verklaringen over spreekt.

Het hof concludeert op basis van de verkeersgegevens, ontleend aan het gebruik van de telefoon van de verdachte33, in samenhang met de verklaring van verdachte34 die - geconfronteerd met die verkeersgegevens - aangeeft 'dat het goed zou kunnen dat het die dag was', dat één en ander op 7 juli 2009 heeft plaatsgevonden.

Door de verdachte is gesteld dat [medeverdachte 3] voor het hem in het vooruitzicht gestelde bedrag [slachtoffer] niet wilde doodschieten, maar slechts in zijn armen en benen zou schieten. Het hof overweegt dat - ook indien dit juist zou zijn - dit niet af kan doen aan het feit dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en [medeverdachte 2]] in eerste instantie hebben gepoogd [medeverdachte 3] te bewegen [slachtoffer] te vermoorden

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 09 juli 2009 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben de verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg kogels geschoten in het hoofd en elders in het lichaam van die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2 subsidiair:

hij omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 7 juli 2009, in de gemeenten Alkmaar en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, heeft gepoogd om [medeverdachte 3] door in artikel 47, eerste lid, onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een belofte te bewegen om [slachtoffer] te vermoorden, bestaande die belofte uit de toezegging vóór het plegen van het misdrijf een geldbedrag te betalen en de toezegging na het plegen van het misdrijf over te gaan tot het betalen van (nogmaals) enig geldbedrag, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

Hetgeen onder 1 en 2 subsidiair, meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Beroep op noodweer

De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het als feit 1 bewezen verklaarde een beroep op noodweer toekomt. De raadsman heeft hiertoe - kortgezegd - het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft steeds gesteld dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. De verdachte werd door [slachtoffer] gezocht en [verdachte] mocht er rekening mee houden dat die [slachtoffer] bij een confrontatie zou zijn gewapend. [verdachte] wist bovendien dat [slachtoffer] over een vuurwapen beschikte. Op het moment dat [slachtoffer] [verdachte] bij de flat in het vizier kreeg is [slachtoffer] direct naar beneden gesprongen. Mede gelet op [verdachtes] wetenschap omtrent de agressiviteit van [slachtoffer] en de wijze waarop hij naar beneden sprong, kan worden gesteld dat op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, althans als een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting het standpunt ingenomen dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Hierbij is van belang dat de verdachte zich met een vooropgezet plan om [slachtoffer] te vermoorden naar de Geulstraat heeft begeven. Gelet op de betekenis die moet worden toegekend aan de resultaten van het onderzoek naar de schotbanen en nu bovendien niet vaststaat dat [slachtoffer] [verdachte] voorafgaand aan het schieten daadwerkelijk heeft gezien, kan geen sprake zijn van een situatie waarin de verdachte zich heeft mogen verdedigen.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de feitelijke gang van zaken door de verdachte niet telkens op dezelfde wijze is weergegeven. De verdachte heeft tijdens de eerste verhoren verklaard dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging, maar heeft toen geen feitelijke invulling gegeven aan dit aspect. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [slachtoffer] op hem is afgesprongen, terwijl de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep ter terechtzitting heeft verklaard dat [slachtoffer] niet in zijn richting sprong.

Deze verschillen doen reeds afbreuk aan de waarde van de verklaringen van de verdachte met het oog op een beoordeling van het verweer voor wat betreft de aannemelijkheid van de feitelijke grondslag daarvan.

Het hof overweegt hieromtrent voorts het volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kortgezegd - verklaard dat hij voorafgaand aan het schietincident heeft gewacht achter de flat, uit het zicht van [slachtoffer], en dat hij een stok bij de nooddeur heeft weggehaald, zodat het latere slachtoffer niet via die deur naar binnen kon gaan. Nadat de verdachte die [slachtoffer] de trap op had horen lopen, is hij vanaf de achterkant – niet zijnde de straatzijde – van de flat in diens richting gelopen, waarna die [slachtoffer] direct van de trap sprong in de richting van de straat en daarbij een beweging met zijn hand maakte alsof hij naar een wapen trachtte te reiken. De verdachte heeft in een reactie hierop meermalen geschoten in de richting van die [slachtoffer]; voordat [slachtoffer] op de grond terecht kwam waren de patronen verschoten.

Voor zover het gaat om het onderdeel van de verklaring van de verdachte met betrekking tot de beweerde sprong van[slachtoffer] bevat het dossier in het geheel geen andere aanknopingspunten om aan te nemen dat de gang van zaken zo is geweest als weergegeven door de verdachte. Het hof zal deze verklaring derhalve toetsen aan overige - deels objectieve - bewijsmiddelen in het dossier.

Uit het pathologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat er vijf schotbanen in het lichaam van die [slachtoffer] zijn getraceerd, alle beginnend met een inschot aan de zijkant dan wel aan de achterkant van diens lichaam of hoofd. Daarnaast blijkt uit een rapport van het NFI van 3 december 2009 dat de schotsafstand van het vrijwel zekere inschot aan de achterzijde van het hemd van [slachtoffer] 25 tot maximaal 150 centimeter heeft bedragen. Voor de inschoten in de hals en de slaap is eveneens vastgesteld dat de schotsafstand 25 tot maximaal 125 centimeter bedroeg. In een rapport van 25 augustus 2009 van het NFI is ten aanzien van een bij de sectie afgenomen huiddeel vastgesteld dat dit een vrijwel zekere inschotverwonding betreft, waarvan de schotsafstand is vastgesteld op 10 tot 150 centimeter.

Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 8] van 9 juli 2009 houdt in dat die getuige kort geschreeuw hoorde en daarbij in ieder geval het woord "geflikt" heeft onderscheiden. Kort hierna klonken aan viertal schoten achter elkaar. Deze bevindingen respectievelijk verklaring geven naar het oordeel van het hof geen steun aan de door de verdachte ter onderbouwing van zijn verweer geschetste feitelijke gang van zaken omtrent de sprong van [slachtoffer] vanaf de noodtrap.

Bij deze stand van zaken moet geoordeeld worden dat de verklaringen van de verdachte ter zake van de aanwezigheid van een noodweersituatie, gelet op de in de tijd wisselende inhoud ervan en het overigens ontbreken van enige bevestiging, als onaannemelijk dienen te worden beschouwd. Dit brengt met zich dat het hof eveneens van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie zodat het beroep op deze rechtvaardigingsgrond faalt. Het verweer wordt verworpen.

Nu ook overigens geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, is dit strafbaar.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging om een ander door een belofte te bewegen een moord te begaan.

7. Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft betoogd dat, ingeval het hof een beroep op noodweer zou passeren in elk geval geoordeeld dient te worden dat er sprake is geweest van noodweerexces, waarbij de hevige gemoedsbeweging van angst is veroorzaakt door de sprong van [slachtoffer]. Voor het geval waarin het hof ervan uit gaat dat [slachtoffer] niet daadwerkelijk bewapend is geweest is sprake van putatief noodweer.

Gelet op het oordeel van het hof dat het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, kan evenmin geoordeeld worden dat er sprake is geweest van noodweerexces.

Voor het aannemen van gronden voor een geslaagd beroep op putatief noodweer acht het hof gelet op hetgeen is overwogen onder "strafbaarheid van het bewezen verklaarde" evenmin aanknopingspunten aanwezig. De verklaringen van de verdachte omtrent zijn schieten als een reactie op een springen van [slachtoffer] - waarop het beroep op putatief noodweer is gegrond - zijn daar door het hof immers als onaannemelijk aangemerkt.

8. Bespreking van een voorwaardelijk gedaan verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in de vorm van een voorwaardelijk verzoek het hof gevraagd om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen ten einde een reconstructie te doen plaatsvinden.

Als voorwaarde heeft hij geformuleerd de situatie dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij op [slachtoffer] [slachtoffer] heeft geschoten omdat die op hem afsprong en daarbij een beweging met zijn arm maakte naar zijn buik, niet als uitgangspunt zou aanvaarden met het oog op beoordeling van het gevoerde noodweerverweer.

Het hof wijst dit verzoek af nu het de noodzaak daartoe gelet op de door de raadsman gegeven toelichting niet aanwezig acht en verwerpt dit verweer op de in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2011 weergegeven gronden. Het hof overweegt dat - gelet op deze door de raadsman ter terechtzitting gegeven toelichting bij het verzoek - die reconstructie niet kan bijdragen aan de vaststelling van de feitelijke gang van zaken, aangezien hiermee slechts een visualisering van de gang van zaken zoals deze door de verdachte wordt voorgesteld, wordt beoogd.

Voor zover de raadsman met de reconstructie tot doel heeft om het hof een beleving van de gebeurtenissen, gelijk aan die van de verdachte, te doen ondervinden, is het hof van oordeel dat hiermee een resultaat wordt beoogd dat naar zijn aard dermate is verweven met factoren van subjectieve, situationele en momentane aard, dat reeds daarom niet kan worden ingezien welke bijdrage de door de verdediging beoogde reconstructie kan leveren aan enige in de onderhavige

8. Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 ten laste gelegde medeplegen van moord en feit 2 subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan de mislukte uitlokking van een moord op 7 juli 2009 op [slachtoffer] [slachtoffer]. Naar aanleiding van een uit de hand gelopen conflict met het latere slachtoffer [slachtoffer] [slachtoffer] heeft de verdachte de medeverdachte [medeverdachte 2]] benaderd met het verzoek iemand te vinden om die [slachtoffer] "op te ruimen". Op het moment dat deze [medeverdachte 2]] een persoon heeft gevonden, is de verdachte afgereisd naar Rotterdam om aldaar de plannen te bespreken. De verdachte heeft een geldbedrag aan deze persoon overhandigd en de betaling van nogmaals een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld bij succesvolle uitvoering van de opdracht. Het hof acht de handelwijze van de verdachte zeer laakbaar; immers is hij op koele en planmatige wijze op zoek gegaan naar een persoon die bereid is tegen betaling een andere persoon om het leven te brengen. Het hof rekent dit de verdachte in ernstige mate aan. Bovendien heeft het niet aan de verdachte gelegen dat de uitvoering van het uitgelokte feit uiteindelijk niet is voltooid.

Vervolgens heeft de verdachte een aantal dagen na de mislukte uitlokking [slachtoffer] vermoord door meermalen kogels door diens hoofd en op andere delen van diens lichaam af te vuren. Ook deze moord is in meer of mindere mate planmatig voorbereid en verlopen. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van een medemens, namelijk [slachtoffer]. Hij heeft met zijn daad onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer], zoals de verklaring die door een van die nabestaanden ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd daarvan getuigt.

Feiten als de onderhavige veroorzaken bovendien ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de personen die de schoten van de verdachte hebben gehoord en het stoffelijk overschot van [slachtoffer] na het schieten hebben waargenomen in het bijzonder.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten reeds op zichzelf slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. Het hof overweegt bovendien dat uit de samenhang tussen beide feiten volgt dat de verdachte er kennelijk geen beletsel in heeft gezien een conflict met een ander te beslechten door deze te laten elimineren dan wel zelf te elimineren. Wat ook de achtergronden van het conflict waren en wat ook de rol moge zijn geweest die het slachtoffer daarin heeft gespeeld, de op te leggen straf moet ondubbelzinnig duidelijk maken dat een dergelijke wijze van geschillenbeslechting nimmer kan worden aanvaard. Het hof neemt voorts in het nadeel van de verdachte in aanmerking een hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 september 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake geweldsdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie is veroordeeld tot (langdurige) vrijheidsbenemende straffen.

Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straf onvoldoende recht doen aan hetgeen hiervoor omtrent de ernst van de feiten is overwogen en acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor een duur als door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 46a, 47, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Vordering van de [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 12.487,85, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 10.987,85, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele afdoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het betreft hier de posten “grafkosten gemeente Alkmaar”, “grafmonument inclusief plaatsing” en “uitvaartkosten”. Deze kosten betreffen kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en komen derhalve op grond van het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal hierbij toepassing geven aan de hoofdelijkheidsclausule nu de mededader [medeverdachte 1] evenals de verdachte hoofdelijk voor dit gehele bedrag aansprakelijk is.

Voor wat betreft de zogenoemde ‘bijkomende kosten’ geldt dat deze in de eerste plaats onvoldoende zijn onderbouwd en in de tweede plaats dat deze niet geacht kunnen worden te vallen onder kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bijkomende kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking en de vordering zal in zoverre worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Met betrekking tot de gevorderde kosten van rechtsbijstand geldt dat het gevorderde bedrag wordt onderbouwd door de in het geding gebrachte declaraties en dat dit het overeenkomstig het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komende bedrag niet overschrijdt. Met toepassing van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering zal het hof beslissen dat de verdachte wordt verwezen in deze kosten van de benadeelde partij. Het hof geeft ook hierbij toepassing aan de hoofdelijkheidsclausule.

11. BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 10.987,85 en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerden met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van de schade van het veroorzakende feit, zijnde 9 juli 2009.

Wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af.

Verwijst de verdachte en diens mededader in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 1092,00 (duizend tweeënnegentig euro), met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van EUR 10.987,85 (tienduizend negenhonderdzevenentachtig euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het schade veroorzakend feit, zijnde 9 juli 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.P.P. Hoekstra, mr. R. Veldhuisen en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 oktober 2011.

1 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beide hoofdagent van politie, bijlage E003, p. 16 e.v.

2 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, bijlage E002, p. 13 e.v.

3 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut met zaaknummer 2009.07.09.172 d.d. 6 oktober 2009, opgemaakt door F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, bijlage F011, p. 98 e.v.

4 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009065755 d.d. 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e verhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier) p. 35.

5 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009065755 d.d. 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e verhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier) p. 33.

6 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [betrokkene 1] d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], resp. inspecteur en hoofdagent van politie, bijlage G036.2, p. 282.

7 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen mbt historische verkeersgegevens telecom 'K2' d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage E088, p. 346.

8 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 1003231112.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier) p. 52-53.

9 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [betrokkene 2] d.d. 13 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage B3.006.2., p. 2-4.

10 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [betrokkene] d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], resp. inspecteur en hoofdagent van politie, bijlage G036.2, p. 281-285.

11 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene] d.d. 20 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage G68.1, p. 442-443.+ G68.2 proces-verbaal van bevindingen tonen foto's, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], resp. inspecteur en hoofdagent van politie, p. 445-448.

12 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 1003231112.AMB.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-holland Noord (losse aanvulling bij dossier) p. 54-55.

13 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene] d.d. 20 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage G68.1 + G68.2 proces-verbaal van bevindingen tonen foto's, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], resp. inspecteur en hoofdagent van politie, p. 442.

14 het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen 'camerabeelden [medeverdachte 1]& [betrokkene] ' d.d. 3 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], bijlage E081.2, p. 323-326.

15 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009065755 d.d. 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e verhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier) p. 33-35.

16 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 1003231112.AMB.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier) p. 67.

17 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 1003231112.AMB.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier) p. 65.

18 Het proces-verbaal van bevindingen met nummer 10042016255010 d.d. 3 mei 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 6e verhoor van [verdachte] op 4 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier) p. 17-18.

19 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen mbt historische verkeersgegevens telecom 'K2' d.d. 7 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage E088, p. 340-349.

20 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen telecom schietincident d.d. 7 september 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage E121, p. 667 e.v.

21 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen telecom schietincident d.d. 7 september 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage E121, p. 671 en 675.

22 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2009065755 van 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e politieverhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, losse aanvulling bij dossier, p. 33.

23 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2009065755 van 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e politieverhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier, p. 37).

24 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2009065755 van 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e politieverhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier, p. 34).

25 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met het nummer 2009065755 van 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het 1e politieverhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, (losse aanvulling bij dossier, p. 35).

26 Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009065755 d.d. 14 april 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 1 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, losse aanvulling bij dossier, p. 32-33.

27 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nummer 1003231112.AMB.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier), p. 43.

28 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen nummer 1003231112.AMB.[verdachte] d.d. 23 maart 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 augustus 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier), p. 46.

29 Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2011.

30 Het ambtsedige proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 8 december 2009 om 13.00 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage B5.004.2, p. 4-5.

31 Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] d.d. 8 december 2009 19.55 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent/rechercheur van politie, bijlage B5.004.3, p. 2 en het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen 'tonen foto's 3e verhoor [medeverdachte 3]'met het nummer 20091209 1249 2344 5800 d.d. 9 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent van politie, bijlage B5.004.3.1., p. 1-2.

32 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen 'letterlijke uitwerking OVC' met het nummer 200911121115 d.d. 3 december 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar] en [opsporingsambtenaar], beiden hoofdagent van politie, bijlage E171.2, p. 995

33 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met het nummer 20091103 1610 06097 d.d. 3 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], hoofdagent van politie, bijlage E145.1, p. 881-883.

34 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen met nummer 100420 1625 5010 d.d. 3 mei 2010, betreffende de verbatim uitwerking van het verhoor van [verdachte] op 4 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [opsporingsambtenaar], rechercheassistent/buitengewoon opsporingsambtenaar regiopolitie Noord-Holland Noord (losse aanvulling bij dossier), p. 38.