Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
23-006542-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van invoer van een zeer groot aantal vuurwapens vanuit Spanje zonder consent in Nederland en een poging daartoe vanuit Frankrijk. Overweging omtrent het medeplegen, de bestemming van de wapens, hoeveelheid en periode, artikel 28 EG-verdrag. Bewezen verklaard is dat de verdachten een gewoonte hebben gemaakt van het ter beschikking stellen aan een derde van de wapens die zij voorhanden hadden. Daarnaast zijn bij de verdachte thuis onderdelen van wapens en munitie gevonden. Gevangenisstraf van 6 jaren opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006542-09

datum uitspraak: 29 september 2011

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-529164-08 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres]

thans gedetineerd in [detentieadres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 december 2009 en in hoger beroep van 2 juni 2010, 26 augustus 2010, 18 november 2010, 10 februari 2011, 19 mei 2011 en 15 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het hof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 mei 2008 te Kortenhoef, gemeente Wijdemeren en/of te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren en/of te Amsterdam, althans in elk geval telkens op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen zonder consent circa 310, althans een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten vuurwapens van het type Glock 19 en/of Glock 26 en/of Taurus PT 24/7X en/of Heckler & Koch en/of Sig Sauer en/of Smith & Wesson en/of Walther en/of Star, heeft doen binnenkomen vanuit Spanje en/of Oostenrijk en/of Frankrijk terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het verhandelen van wapens een beroep of een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

en/of

hij op enig(e) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 29 mei 2008 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren en/of Kortenhoef, gemeente Wijdemeren en/of te Amsterdam, althans in elk geval telkens op een of meer plaatsen in Nederland, en/of te Spanje en/of te Frankrijk en/of te Oostenrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen circa 310, althans een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten vuurwapens van het type Glock en/of Taurus en/of Heckler en Koch en/of Sig Sauer en/of Smith en Wessson en/of Walther en/of Star voorhanden heeft gehad terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het herstellen en/of ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens een beroep of een gewoonte heeft/hebben gemaakt

feit 2 primair:

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2008 tot en met 29 mei 2008 te Vienne (Frankrijk) en/of Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder consent een of meer wapens van categorie III, te weten 38 Glocks en/of 1 Taurus, vanuit Spanje Nederland te doen binnenkomen met zijn mededader(s) - 38 Glocks en/of 1 Taurus, althans een of meer wapens van categorie III heeft besteld bij een wapenhandelaar in Spanje en/of - aan [medeverdachte], in elk geval aan een of meer medeverdachten van verdachte een geldbedrag van 30.000 euro heeft overhandigd ten behoeve van de aanschaf van 38 Glocks en/of 1 Taurus, althans een of meer wapens van categorie III bij een wapenhandelaar in Spanje en/of - met een voertuig ([voertuig, kenteken]) vanuit Nederland naar Spanje is gereden en/of - bij een wapenhandelaar in Viladecans (Spanje) 38 Glocks en/of 1 Taurus, in elk geval een of meer vuurwapens heeft opgehaald en/of - (vervolgens) met die 38 Glocks en/of 1 Taurus, in elk geval met een of meer wapens van categorie III vanuit Spanje (via Frankrijk) richting Nederland is gereden;

feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 29 mei 2008 te Vienne (Frankrijk) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een of meer wapens van categorie III, te weten 38 Glocks en/of 1 Taurus, voorhanden heeft gehad;

feit 3:

hij op of omstreeks 10 december 2008 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, (in een [adres perceel]) een of meer wapens van categorie III, te weten - drie, althans een of meer patroonmagazijnen voor/van een Kalashnikov en/of Colt en/of - een loop (van een handvuurwapen) (type 9 mm) en/of munitie van categorie III, te weten: - twee kisten (met opschrift 7.62PSZgsz 43M 02-86-21 700db VUfl 12-85 51) met (in totaal) 980 patronen (kaliber 7.62 mm) en/of - acht, althans een of meer, patronen (type/ kaliber 9 mm Luger en/of 7.62x39mm en/of .45acp en/of .223 Remington ) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich er niet mee kan verenigen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de dubbele strafbaarheid zoals genoemd in artikel 5 lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht niet is komen vast te staan ten aanzien van de verweten handelingen in het buitenland, met name Frankrijk, dat derhalve geen sprake is van rechtsmacht van Nederland op dit punt en dat dit in zoverre dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt het volgende.

In het dossier bevindt zich een kopie van rechtshulpverzoek van de Franse autoriteiten aan de Spaanse autoriteiten betreffende [medeverdachte], waarin is opgenomen dat de aan deze medeverdachte ten laste gelegde feiten strafbaar zijn gesteld bij onder meer de Franse Wet op de defensie, de Franse Wet op de Douane en het Franse Wetboek van Strafrecht (map 1, onderzoek Tsjechië, pagina 261 e.v.). Voorts is uiteengezet dat de negenendertig wapens die [medeverdachte] met zich voerde in Frankrijk als “oorlogswapens” van de 1e categorie zijn geclassificeerd en dat in Frankrijk technische ingrepen die ertoe dienen om een wapen te neutraliseren het wapen ook definitief ongeschikt moeten maken om mee te schieten, hetgeen –kort gezegd – bij de 39 in beslag genomen wapens niet het geval bleek te zijn. De desbetreffende wetsbepalingen zijn in kopie bij het verzoek gevoegd.

Gelet op het voorgaande, het aan de verdachte ten laste gelegde medeplegen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde en de omstandigheid dat de verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft, is het hof van oordeel dat sprake is van “dubbele strafbaarheid ” en dat aan de vereisten van artikel 5 lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht is voldaan. Derhalve is het openbaar ministerie ook ten aanzien van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde ontvankelijk in de vervolging en faalt het verweer, nu ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de conclusie zou moeten worden getrokken dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou zijn in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 29 mei 2008 telkens op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander zonder consent wapens van categorie II en/of categorie III, te weten vuurwapens van het type Glock en Taurus en Heckler & Koch en Sig Sauer en Smith & Wesson en Walther en Star, heeft doen binnenkomen vanuit Spanje

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2007 tot en met 29 mei 2008 op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie II en/of categorie III, te weten vuurwapens van het type Glock en Taurus en Heckler en Koch en Sig Sauer en Smith en Wessson en Walther en Star voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader van het ter beschikking stellen van wapens een gewoonte hebben gemaakt.

feit 2 primair:

hij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 29 mei 2008 te Vienne (Frankrijk) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander zonder consent wapens van categorie III, te weten 38 Glocks en 1 Taurus, vanuit Spanje Nederland te doen binnenkomen met zijn mededader 38 Glocks en 1 Taurus heeft besteld bij een wapenhandelaar in Spanje en met een voertuig ([voertuig, kenteken]) vanuit Nederland naar Spanje is gereden en bij een wapenhandelaar in Viladecans (Spanje) 38 Glocks en 1 Taurus heeft opgehaald en vervolgens met die 38 Glocks en 1 Taurus vanuit Spanje via Frankrijk richting Nederland is gereden.

feit 3:

hij op 10 december 2008 te Loosdrecht, gemeente Wijdemeren, [adres perceel] wapens van categorie III, te weten

- drie patroonmagazijnen voor een Colt

en munitie van categorie III, te weten:

- twee kisten met opschrift 7.62PSZgsz 43M 02-86-21 700db VUfl 12-85 51 met in totaal 980 patronen (kaliber 7.62 mm) en

- acht patronen (type/kaliber 9 mm Luger en 7.62x39mm en .45acp en .233 Remington) voorhanden heeft gehad;

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het medeplegen

Ten aanzien van het medeplegen bij de feiten 1 en 2 overweegt het hof het volgende.

Op 16 oktober 2009 is als getuige gehoord [getuige 1], medewerker van wapenhandel [naam bedrijf] en tevens zoon van bestuurder [getuige 2] (map 4 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 5 0166 e.v). Deze verklaarde zich te kunnen herinneren dat bij zijn bedrijf (het hof begrijpt: [naam bedrijf], gevestigd te Viladecans in Spanje) een persoon, zich noemende [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) is verschenen, die zich, naar hij zich dacht te kunnen herinneren, ook legitimeerde waarbij het door hem opgeschreven paspoortnummer begon met de letters NK, welk nummer hetzelfde was als dat, welk de getuige had vermeld op de lijsten door hem opgemaakt van onklaar gemaakte wapens die naar de Guardia Civil gestuurd werden. Hij dacht zich te kunnen herinneren dat [verdachte] nog vijf of zes maal was verschenen en dat [medeverdachte], die hij van een foto herkent (het hof begrijpt hier en verder: [medeverdachte]) daarna kwam (zie map 4 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 5 0167). Hij verklaarde dat [medeverdachte] normaal gesproken alleen kwam maar dat hij tijdens een bepaalde gelegenheid had gezegd dat [verdachte] op hem stond te wachten en dat hem verteld was dat [medeverdachte] de bestellingen ophaalde van [verdachte]. Hij meende zich bovendien te kunnen herinneren dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) hem had gezegd dat hij niet meer zou komen en dat hij iemand zou sturen die de wapens zou komen ophalen, waarbij de naam [medeverdachte] is genoemd. De getuige verklaarde voorts dat de wapens die [medeverdachte] ophaalde voor de verdachte waren omdat hij (het hof begrijpt: laatstgenoemde) de persoon was die zich had gelegitimeerd en omdat hij, de getuige, het zo had begrepen dat [medeverdachte] de wapens kwam ophalen in opdracht van [verdachte] waarbij hij wederom refereerde aan de identificatie tijdens de eerste keer dat de verdachte kwam (map 4 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 5 0169).

In het dossier bevindt zich een door [naam bedrijf] opgemaakte lijst van onklaar gemaakte wapens die is verstrekt aan de Afdeling Interventie Wapens. Op naam van [verdachte], zijnde de verdachte, zijn 349 wapens gekocht. De overgrote meerderheid daarvan is blijkens de op de lijst vermelde data onklaar gemaakt na 1 juli 2007 (lijst, map 2 Tsjechië, doorgenummerde pagina’s 000045-000050), namelijk ruim 300.

Dat [medeverdachte] wapens op naam van [verdachte] heeft opgehaald blijkt eveneens uit de verklaring van [getuige 2], bestuurder van [naam bedrijf], d.d. 25 juni 2008 (map 2 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 52-53). Laatstgenoemde heeft gesteld dat de 39 onklaar gemaakte wapens die in mei 2008 (die naar het hof begrijpt bij [medeverdachte] in Vienne, Frankrijk zijn aangetroffen) zijn geleverd aan een cliënt met de Nederlandse nationaliteit die in de registers vermeld staat als [verdachte], waarbij de wapens zijn opgehaald door een andere man.

Ook uit andere stukken uit het dossier blijkt van een relatie tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waar het betreft de betrokkenheid bij (de aankoop van (onderdelen van) wapens, en wel uit de navolgende.

[medeverdachte] heeft op 8 april 2009 bij de rechter-commissaris te Amsterdam (map 3 Onderzoek Tsjechië, persoonsdossier [medeverdachte], pagina 0059) als getuige verklaard dat hij in juni/juli 2007 met verdachte [verdachte] naar Viladecans in Spanje is geweest in verband met wapens. Zij zijn toen samen naar de wapenfabriek toe gereden en [verdachte] heeft een bestelling gedaan.

Na confrontatie met de door [medeverdachte] op 8 april 2009 afgelegde verklaring heeft de verdachte ter gelegenheid van zijn verhoor op bij de rechter-commissaris op 7 mei 2009 bevestigd dat hij met [medeverdachte] bij de wapenhandelaar in Viladecans is geweest (map 3 Onderzoek Tsjechië, persoonsdossier [verdachte], pagina 0045). Voorts heeft hij verklaard: “Wat [medeverdachte] daar verklaart kan wel kloppen.”. De verdachte verklaarde voorts drie keer alleen daar te zijn geweest, waaruit het hof afleidt dat hiermede door de verdachte een wezenlijk onderdeel van de hierboven genoemde verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd voor zover daarin wordt gesteld dat de verdachte meermalen bij de betreffende wapenhandel is verschenen.

In aanvulling op het voorgaande leidt het hof voorts uit het dossier af dat [medeverdachte] in Oostenrijk is geweest bij de lopenfabriek [naam fabriek] om lopen af te nemen. Dit blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] en [getuige 4] (map 2 onderzoek Tsjechië, pagina 55-58, proces-verbaal van verhoor [getuige 3], map 4 onderzoek Tsjechië, pagina 5 0023 e.v.) en het proces-verbaal van bevindingen betreffende de historische gegevens van het onder de medeverdachte aangetroffen navigatiesysteem, in welk systeem het adres van de lopenfabriek is aangetroffen (map 2 onderzoek Tsjechië, pagina 193-213). Voorts blijkt uit het dossier dat [medeverdachte] in Oostenrijk is verbleven in hotel [naam hotel] en dat het hotel is geboekt met de creditcardgegevens van [getuige 5]. Als deze wordt ondervraagd, verklaart hij dat zijn creditcardgegevens bekend waren bij [verdachte] en dat deze wel eens gebruik maakte van die gegevens om betalingen te doen, maar dat [medeverdachte] niet beschikte over de creditcardgegevens en dat hij, [getuige 5], de afgelopen jaren zelf nooit in Oostenrijk is geweest (proces-verbaal van verhoor, map 4 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 5 0209).

Verder is er in de auto van [medeverdachte] bij zijn aanhouding in Frankrijk naast de 39 onklaargemaakte wapens ook een papiertje aangetroffen met daarop een nummer dat grote gelijkenis vertoont met het telefoonnummer van [verdachte], met daarbij de letter “P” (map Tsjechië 2, doorgenummerde dossierpagina 2).

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte], voornoemd, de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. De stelling van de verdachte en zijn raadsman ter zitting in hoger beroep dat [medeverdachte] zonder medeweten van de verdachte en met gebruikmaking van de naam van de verdachte de wapens zou hebben gekocht, vindt zijn weerlegging in hetgeen hiervoor is overwogen alsmede in de gebezigde bewijsmiddelen. Dat de [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte niet op de hoogte is geweest van de transporten legt daar tegenover te weinig gewicht in de schaal. Het verweer wordt daarom verworpen.

Wapens bestemd voor invoer in Nederland

Gelet op

1. de verklaring van [medeverdachte] dat hij enkele malen wapens heeft opgehaald en bij zijn terugkomst in Nederland de wapens heeft overhandigd en het restant van het geld bestemd voor de aanschaf van de wapens moest teruggeven aan zijn opdrachtgever (zie map 3 onderzoek Tsjechië, persoonsdossier [medeverdachte], dossierpagina 19 en 30 en de verklaring van [medeverdachte] afgelegd als getuige ter zitting in hoger beroep op 19 mei 2011);

2. hetgeen hiervoor is overwogen over het medeplegen en het proces-verbaal van bevindingen

waaruit blijkt dat elf van de wapens voorkomende op de lijst van [naam bedrijf] betreffende de [verdachte] in Nederland zijn aangetroffen (map 4 onderzoek Tsjechië, dossierpagina 5 0203- 205),

is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde gedragingen (mede) zijn verricht met het oog op de invoer van de wapens in Nederland.

De stelling van de verdachte dat hij de wapens die hij zelf bij [naam bedrijf] heeft gekocht, heeft gekocht in opdracht van [betrokkene 1], teneinde in Spanje te worden doorverkocht, is niet nader onderbouwd en gelet op voorgaande overwegingen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden.

Hoeveelheid wapens

Ten aanzien van de hoeveelheid ingevoerde wapens onder feit 1 gaat het hof uit van het aantal wapens op de lijst van [naam bedrijf] die vanaf 1 juli 2007 onklaar zijn gemaakt, nu niet is vast komen te staan dat de wapens besteld voor 1 juli 2007 ook door de verdachte in samenwerking met [medeverdachte], voornoemd, zijn ingevoerd in Nederland. Het betreft hier als al eerder opgemerkt ruim 300 wapens.

Voor wat betreft de wapens afgenomen bij [naam bedrijf] op naam van [verdachte] van na juli 2007, het moment waarop [medeverdachte] volgens eigen verklaring voor het eerst samen met [verdachte] naar [naam bedrijf] ging, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat deze door de verdachte in samenwerking met [medeverdachte] zijn ingevoerd waarbij het hof overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat een ander dan [medeverdachte] de wapens op naam van [verdachte] heeft afgenomen. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen hierboven ten aanzien van het medeplegen is aangehaald uit de verklaring van [getuige 1].

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat een wapen op de [naam bedrijf] lijst, dat op 26 oktober 2008 onklaar is gemaakt, en ook is gekoppeld is aan de naam van de verdachte, niets te maken kan hebben met de verdachte, nu de [medeverdachte] op dat moment al in voorlopige hechtenis verbleef. Dit verweer wordt verworpen, nu het hof voor de bewezenverklaring enkel uit is gegaan van de wapens die blijkens de [naam bedrijf] lijst onklaar zijn gemaakt in de periode 1 juli 2007 tot en met 29 mei 2008. Dit wapen valt buiten deze periode en staat daarom aan de bewezenverklaring niet in de weg. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat na de arrestatie van [medeverdachte] opnieuw een wapen bij [naam bedrijf] besteld is op naam van de verdachte en dat het dus mogelijk is dat ook in de ten laste gelegde periode een ander dan [medeverdachte] op naam van de verdachte wapens heeft besteld en opgehaald overweegt het hof dat dit –gelet op hetgeen hiervoor omtrent het medeplegen van de invoer van de wapens in Nederland is overwogen en gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen- niet aannemelijk is geworden.

Ten laste gelegde periode

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het medeplegen, de invoer in Nederland en de hoeveelheid wapens, stelt het hof de pleegperiode voor feit 1 op 1 juli 2007 – 29 mei 2008 nu [medeverdachte] bij de rechter-commissaris op 8 april 2009 en ter terechtzitting bij het hof op 19 mei 2011 heeft verklaard in juni/juli 2007 voor het eerst met de verdachte bij [naam bedrijf] te zijn geweest (map 3 onderzoek Tsjechië, persoonsdossier [medeverdachte] doorgenummerde pagina 0059).

Gewoonte

Het hof overweegt ten aanzien van het ten aanzien van feit 1, tweede gedeelte, bewezenverklaarde onderdeel “terwijl hij en zijn mededader van het ter beschikking stellen van wapens een gewoonte hebben gemaakt” als volgt. Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte en zijn mededader meermalen in Spanje zijn geweest en dat de medeverdachte aldaar vanaf 1 juli 2007 meermalen wapens heeft gekocht. De medeverdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 19 mei 2011 als getuige verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij in totaal vier keer onklaar gemaakte wapens heeft vervoerd, dat hij deze met zijn auto vanuit Spanje naar Nederland, naar Amsterdam, heeft gebracht en dat hij de wapens daar heeft overhandigd aan iemand die op hem zat te wachten, een zekere [betrokkene 2].

Het hof is van oordeel dat daardoor sprake is geweest van het ter beschikking stellen van wapens die de verdachte en zijn mededader voorhanden hebben gehad, en dat de verdachte en zijn mededader van het ter beschikking stellen een gewoonte hebben gemaakt, dit gelet op het aantal keren dat de verdachten deze wapens voorhanden hebben gehad en deze ter beschikking van een ander hebben gesteld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat deze feiten onderling met elkaar in verband staan, zowel wat betreft de (objectieve) aard van de feiten als wat betreft de (subjectieve) gerichtheid van de daders.

Ten aanzien van het eerste gedeelte van het onder feit 1 ten laste gelegde zal het hof de verdachte vrijspreken van, kort gezegd, de “gewoonte”, nu bij dat gedeelte van de tenlastelegging slechts het gewoonte maken van het verhandelen van wapens ten laste is gelegd. Voor het verhandelen van de ingevoerde wapens acht het hof echter onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig.

Artikel 28/30 EG-verdrag

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 28 EG-verdrag importbeperkende maatregelen tussen lidstaten verboden zijn en dat het verschil in wetgeving omtrent de onklaargemaakte wapens in Nederland en Spanje hiermee conflicteert.

Het hof is van oordeel dat het verweer van de raadsman, met verwijzing naar hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen omtrent het medeplegen van de verdachten en de invoer in Nederland, geen doel treft. Met de in Spanje verkregen onklaargemaakte wapens zijn immers illegale handelingen verricht, te weten de (poging tot) invoer van deze wapens zonder consent in Nederland. Importbeperkende maatregelen zijn ingevolge het bepaalde in artikel 30 EG-verdrag toegestaan, indien deze gerechtvaardigd zijn uit hoofde van (onder meer) de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Dat doet zich hier voor, zodat het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III.

meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of categorie III, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte en zijn mededader van het ter beschikking stellen van wapens een gewoonte hebben gemaakt.

het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of categorie III.

meermalen gepleegd.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III.

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander een zeer groot aantal vuurwapens vanuit Spanje zonder consent ingevoerd in Nederland. Deze wapens betroffen weliswaar onklaargemaakte wapens, maar door een kleine aanpassing konden deze weer worden omgebouwd tot werkende vuurwapens. De verdachte en zijn mededader hebben van het ter beschikking stellen aan een derde of derden van de wapens die zij voorhanden hadden een gewoonte gemaakt.

Door het in Nederland (trachten in te voeren) van grote aantallen van dergelijke wapens is hier te lande een potentieel gevaarlijke situatie geschapen, waarbij de kans zonder meer aanwezig was dat van deze wapens op zeer gevaarzettende wijze gebruik zou worden gemaakt. Gebleken is ook dat een aantal van de op deze manier ingevoerde wapens betrokken is geweest bij schietincidenten in Nederland.

De verdachte heeft bijgedragen aan het gevaar van het ongecontroleerde bezit van voornoemde wapens voor onze samenleving. Niet gebleken is dat hij enige verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor de mogelijke gevolgen.

Voorts zijn bij de verdachte thuis onderdelen van wapens en munitie gevonden.

Hoewel het hof een kortere periode bewezen acht dan de rechtbank, doet dit niet af aan het feit dat het hof het ten laste gelegde, gelet op het bovenstaande, zeer strafwaardig acht en het hof weegt dit mee bij zijn beslissing omtrent de aan de verdachte op te leggen straf.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een lagere straf.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 mei 2011 is de verdachte eerder veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Deze voorwerpen, te weten de nummers 1 t/m 11 op de aangehechte beslaglijst betreffen voorwerpen met betrekking tot welk feit 3 is begaan. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 14, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen op de aangehechte beslaglijst met de nummers 1 t/m 11.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen op de aangehechte beslaglijst met de nummers 12 t/m 28.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. E. Mijnsberge en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. S.A.K. Ramdjan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 september 2011.

Mr. Aardema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.