Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7143

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
200.087.982-01 en 200.087.982-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing, ingetrokken en nieuw indicatiebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 12 juli 2011 in de zaak met zaaknummer 200.087.982/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. E.F.E. Hoekstra te Heerhugowaard,

t e g e n

BUREAU JEUGDZORG ALKMAAR,

gevestigd te Alkmaar,

GEÏNTIMEERDE.

en in de zaak met zaaknummer 200.087.982/02 van:

[…],

wonende te […],

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. E.F.E. Hoekstra te Heerhugowaard,

t e g e n

BUREAU JEUGDZORG ALKMAAR,

gevestigd te Alkmaar,

VERWEERDER.

1. Het geding in hoger beroep en zelfstandig verzoek in hoger beroep

1.1. Appellante tevens verzoekster en geïntimeerde tevens verweerder worden hierna respectievelijk de moeder en BJZ genoemd. De heer […] (hierna: de vader) is belanghebbende.

1.2. De moeder is op 26 mei 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking gedateerd 12 mei 2011, doch volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal uitgesproken op 13 mei 2011, van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 128260 / OT RK 11-435.

1.3. De moeder heeft tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingediend.

1.4. De vader heeft op 27 juni 2011 in beide zaken een verweerschrift ingediend.

1.5. BJZ heeft op 28 juni 2011 in beide zaken een verweerschrift ingediend.

1.6. De moeder heeft op 30 juni 2011 schriftelijk een aanvullende grief ingediend.

1.7. De zaken zijn op 4 juli 2011 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- mevrouw S. Sultan, gezinsvoogd, en mevrouw J. Zwiers, gedragswetenschapper, namens BJZ,

- de vader, bijgestaan door mr. M. van der Weide, advocaat te Alkmaar,

- mevrouw D. van Dijk, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad).

2. De feiten

2.1. De vader en de moeder zijn [in] 2002 gehuwd. Hun huwelijk is op 2 februari 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 3 augustus 2006 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 2002 en […] (hierna: [kind B]) [in] 2005 (hierna tevens: de kinderen). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

2.2. De moeder heeft in het verleden twee maal aangifte gedaan tegen de vader wegens vermoedens van seksueel misbruik door hem van de kinderen. Deze zaken zijn geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

2.3. Bij beschikking van 4 mei 2010 van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar zijn de kinderen onder toezicht gesteld van BJZ. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 4 mei 2012.

2.4. De kinderen staan sinds januari 2011 onder behandeling van mw. drs. C.B.M. Blankendaal, orthopedagoge/psychologe bij Pedagogisch-psychologisch centrum “Het Antwoord”. Naar aanleiding van zorgelijke verhalen van de kinderen ten overstaan van de psycholoog over seksueel misbruik door de vader heeft BJZ op 17 februari 2011 besloten de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen met onmiddellijke ingang stop te zetten. BJZ heeft op 18 april 2011 aangifte gedaan tegen de vader wegens vermeend seksueel misbruik.

2.5. Bij beschikking van 31 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar is de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen opgeschort voor de duur van zes maanden.

2.6. De kinderen verblijven bij de moeder in afwachting van plaatsing op de observatie/behandelunit van het gezinshuis Parlan in Grootebroek.

2.7. In het dossier bevinden zich onder meer:

- het raadsrapport van 22 april 2010;

- plannen van aanpak d.d. 28 februari 2011 ten aanzien van de kinderen;

- evaluaties ondertoezichtstelling d.d. 17 maart 2011 ten aanzien van de kinderen;

- indicatiebesluiten betreffende de kinderen van 12 april 2010 en van 17 mei 2011.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een accommodatie zorgaanbieder(s) 24-uurs voor de duur van zes maanden, tot 4 november 2011, waarvan gedurende maximaal twaalf weken ter observatie, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit. Het meer verzochte is aangehouden tot de behandeling op zitting van 25 oktober 2011.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van BJZ een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlenen tot 4 mei 2012.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - naar het hof begrijpt: - het inleidend verzoek van BJZ alsnog af te wijzen.

3.3. De moeder verzoekt voorts de schorsing van de werking van de bestreden beschikking te bevelen.

3.4. BJZ verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en daarbij te bepalen dat de machtiging uithuisplaatsing gericht is op het indicatiebesluit van 17 mei 2011, dan wel een machtiging uithuisplaatsing zorgaanbieder af te geven ter effectuering van het indicatiebesluit van 17 mei 2011 en het meer of anders - naar het hof begrijpt: door de moeder - verzochte af te wijzen.

3.5. De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep althans haar verzoek in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, alsmede het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep (200.087.982/01)

4.1. De kinderrechter heeft, ter effectuering van het door BJZ op 12 april 2011 genomen indicatiebesluit, machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie zorgaanbieder 24–uurs. Het desbetreffende indicatiebesluit vermeldde dit als eerste (en tevens enige) aanspraak en vermeldde als “geadviseerde zorgaanbieder” Orthopedagogisch Centrum ’t Gooi (hierna: OC ’t Gooi). In de bestreden beschikking zijn geen overwegingen gewijd aan de wenselijkheid van een bepaalde zorgaanbieder. Korte tijd na het afgeven van de bestreden beschikking heeft BJZ, toen bleek dat wegens te lange wachtlijsten bij OC ‘t Gooi de plaatsing van de kinderen daar geen doorgang kon vinden, het indicatiebesluit ingetrokken en met betrekking tot de kinderen op 17 mei 2011 een nieuw indicatiebesluit afgegeven, met daarin als vermelde zorgaanbieder Parlan, alwaar de plaatsing wel spoedig zou kunnen volgen. In dat laatste indicatiebesluit, afgegeven na de datum van de beschikking van de kinderrechter, luidt de eerste aanspraak nog steeds: “verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs”. Tevens zijn er twee aanspraken bijgekomen, te weten jeugdhulp accommodatie zorgaanbieder individueel en jeugdhulp thuis individueel.

De moeder heeft zich met een in een later stadium van de procedure aangevoerde grief op het standpunt gesteld dat BJZ, gezien voornoemde intrekking en vervanging van het indicatiebesluit, voordat tot een uithuisplaatsing van de kinderen bij zorgaanbieder Parlan kan worden overgegaan, bij de kinderrechter een nieuw verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderen moet indienen. De moeder is in die grief ontvankelijk, nu de overige belanghebbenden ter zitting in hoger beroep de rechtsstrijd daarover ondubbelzinnig hebben aanvaard.

De moeder meent dat een nieuw verzoek door BJZ aan de kinderrechter noodzakelijk is, omdat door intrekking van de indicatiebesluiten van 12 april 2011 de door de kinderrechter verleende machtiging niet meer tot effectuering van die besluiten kan dienen en een uithuisplaatsing thans op basis van de verleende machtiging niet meer mogelijk is. De machtiging uithuisplaatsing is immers verworden tot een onuitvoerbare lege huls, aldus de moeder. Indien het hof tevens dit oordeel is toegedaan, verzoekt de moeder het hof om haar wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. De moeder stelt zich voorts op het standpunt dat het hof niet zelf een machtiging tot uithuisplaatsing op basis van de nieuwe indicatiebesluiten van 17 mei 2011 kan afgeven, zoals door BJZ is bepleit, aangezien een dergelijke beslissing door het hof zou neerkomen op verlies van een instantie, aldus de moeder.

4.2. Anders dan de moeder betoogt, is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing op grond van de door de kinderrechter afgegeven machtiging mogelijk is en de noodzaak voor BJZ voor het indienen van een nieuw verzoek tot machtiging uithuisplaatsing bij de kinderrechter daarmee ontbreekt, nu in het latere indicatiebesluit weliswaar een andere zorgaanbieder is genoemd, maar de aanspraak op jeugdzorg dezelfde is gebleven.

Met betrekking tot de in een indicatiebesluit vermelde zorgaanbieder heeft dat besluit, op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e. van de Wet op de jeugdzorg, slechts de status van een advies. Naar het oordeel van het hof biedt de door de kinderrechter afgegeven machtiging dan ook de mogelijkheid plaatsing bij een andere zorgaanbieder te doen plaatsvinden dan bij de in het aan die machtiging ten grondslag liggende indicatiebesluit geadviseerde, zolang het een plaatsing volgens dezelfde aanspraak op jeugdzorg betreft. In het onderhavige geval is deze aanspraak, te weten “verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs”, ook in het nieuwe indicatiebesluit niet veranderd. Dat BJZ het om hem moverende redenen noodzakelijk achtte, vanwege een wijziging van de beoogde zorgaanbieder, de oorspronkelijke indicatiebesluiten in te trekken en te vervangen door andere, maakt dit niet anders. De kinderrechter beoordeelt immers niet bij welke zorgaanbieder een minderjarige moet worden geplaatst, maar uitsluitend of de gronden voor een uithuisplaatsing zich voordoen, waarbij het belang van het kind de eerste overweging is. De grief faalt. Van verlies van een instantie is geen sprake.

4.3. Aan de orde is vervolgens de vraag of de kinderrechter terecht en op juiste gronden een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een accommodatie zorgaanbieder(s) 24-uurs voor de duur van zes maanden, tot 4 november 2011, heeft verleend en of deze gronden thans nog aanwezig zijn.

4.4. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er grote zorgen bestaan over het feit -daargelaten het waarheidsgehalte daarvan- dat de kinderen verscheidene uitlatingen hebben gedaan over seksueel misbruik door de vader, als ook over het bij [kind A] geconstateerde loyaliteitsconflict en haar concentratieproblemen op school en de zindelijkheidsproblematiek van [kind B] in zowel de thuissituatie als op school en bij de psycholoog. BJZ heeft naar het oordeel van het hof de - door de moeder aangedragen - alternatieven voor uithuisplaatsing afdoende onderzocht, getuige de uitleg die BJZ daaromtrent in de stukken en desgevraagd ter zitting heeft gegeven.

4.5. De Raad heeft ter zitting geadviseerd een FORA onderzoek te gelasten, zodat op basis van een duidelijke vraagstelling met de kinderen zowel apart als in bijzijn van hun ouders en ook met de ouders apart kan worden gesproken en voorts informanten kunnen worden benaderd.

4.6. Nog afgezien van wachtlijsten en de langere tijdsduur die gemoeid is met het door de Raad voorgestane FORA onderzoek vanuit de thuissituatie, is het hof van oordeel dat gezien de aard en ernst van de zorgen over de kinderen alsmede gezien de onderlinge strijd tussen de ouders, observatie van de kinderen op een neutrale plek op zo kort mogelijke termijn noodzakelijk is. Aldaar dient te worden onderzocht welke hulpverlening de kinderen nodig hebben en of dit mogelijk is vanuit de thuissituatie bij de moeder. Het hof overweegt daarbij dat spoedige observatie thans mogelijk is, nu de kinderen -blijkens mededeling van BJZ ter zitting- direct na aanvang van de zomervakantie op maandag 25 juli 2011 ter observatie in het gezinshuis van Parlan geplaatst kunnen worden. Dat betekent dat minstens de helft van de observatieperiode van de kinderen - van maximaal twaalf weken - in de zomervakantie valt, zodat hun schoolgang zo min mogelijk wordt gehinderd. Ten aanzien van de opmerking van de moeder dat de gezinsvoogd de kinderen zelf bijna nooit heeft gezien en zich baseert op oude, onjuiste informatie overweegt het hof dat, daargelaten de juistheid van die stelling, de zeer zorgelijke en recente kindsignalen zoals gemeld door onder meer het Pedagogisch-psychologisch centrum ‘Het Antwoord” in combinatie met de echtscheidingsproblematiek tussen de ouders reeds een observatie van de kinderen op een neutrale plek rechtvaardigen. Gelet op al het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

5. Beoordeling van het schorsingsverzoek (200.087.982/02)

5.1. Het hof overweegt dat de moeder, gelet op de in de zaak met zaaknummer 200.087.982/01 heden inhoudelijk genomen beslissing, geen belang meer heeft bij de door haar verzochte schorsing van de werking van de bestreden beschikking, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

5.2. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.087.982/01

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

in de zaak met zaaknummer 200.087.982/02

wijst het door de moeder verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, A.V.T. de Bie en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2011.