Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
21-004730-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen schending redelijke termijn.

Toepassing HR 21 oktober 2003 (Drijfmest). Op grond van de in dit arrest genoemde criteria is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe verwevenheid tussen de BV's. Aldus is het hof van oordeel dat de juiste rechtspersoon is gedagvaard.

Verdachte had een MOT-melding moeten doen.

Vastgesteld kan worden dat verdachte bij de transactie op 29 september 2004 opzettelijk niet de identiteit van de cliënt op de bij de Wet identificatie bij dienstverlening op de voorgeschreven wijze heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

l

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004730-09

Uitspraak d.d.: 1 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Utrecht van 11 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [plaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 januari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr J.S. Pen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in de onderhavige zaak is overschreden. Het hof overweegt hiertoe het volgende. In 2005 is het onderzoek gestart, hetgeen echter niet meer inhield dan het uitvoeren van controles en het doen van waarschuwingen. Vanaf het moment dat de dagvaarding werd uitgebracht - hetgeen geschiedde op 18 november 2009 - kon verdachte redelijkerwijs de verwachting hebben dat zij vervolgd zou worden. De zitting in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 11 december 2009, waarna op dezelfde dag hoger beroep is ingesteld door verdachte. Het hof oordeelt dat niet gesteld kan worden dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM, hetgeen betekent dat dit verweer niet kan leiden tot de niet ontvankelijkheid van het OM. Wel komt het hof tot het oordeel dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en dat bij een eventuele strafoplegging dit gegeven in rekening dient te worden gebracht.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1:

zij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 21 april 2004 tot en met 21 april 2005 te Utrecht, althans in Nederland, telkens bedrijfsmatig een dienst heeft verleend, waarbij zij, verdachte, (telkens) opzettelijk in strijd met het bepaalde in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, de door hem verrichte ongebruikelijke transacties niet onverwijld heeft gemeld aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, als bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, immers heeft zij , verdachte, toen en aldaar bedrijfsmatig (telkens) een dienst verleend, waarbij sprake was van een of meer indicatoren als bedoeld bij of krachtens artikel 8 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, te weten: transacties waarbij voertuigen verkocht worden tegen gehele of gedeeltelijke contante betaling, waarbij het contant te betalen bedrag E15.000 of meer bedraagt:

- op 6 april 2005 E16.719,99 door [naam A] (D-1-3, D-1-6 en D-1-7); en/of

- op 28 september 2004 E140.000 door [naam B] (D-2-4 en D-2-6);

en deze ongebruikelijke transactie(s) telkens niet onverwijld gemeld onder verstrekking van de gegevens als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van genoemde wet aan het eerder gemelde meldpunt; Artikel 9 Wet melding ongebruikelijke transacties jo artikel 1 sub 2 jo artikel 2 sub 1 Wet op de economische delicten

feit 2:

zij op of omstreeks 28 september 2004 te Utrecht, althans in Nederland, (bedrijfsmatig) een dienst heeft verleend, terwijl zij opzettelijk niet de identiteit van de cliënt op de bij de Wet identificatie bij dienstverlening voorgeschreven wijze heeft vastgesteld, immers heeft zij een Bentley Continental GT verkocht aan [naam B] (D2-1) terwijl de identiteit van die [naam B] niet is vastgesteld en/of de identiteit van de in de koopovereenkomst genoemde cliënt [naam cliënt] is vastgesteld door middel van een (gefaxt) afschrift van diens (Nederlands) paspoort terwijl met de transactie contant geld was gemoeid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Door de verdediging is aangevoerd dat [verdachte] niet kan worden aangemerkt als verdachte. Niet [verdachte] wordt als contractpartner opgevoerd bij de verkoop van de Windstar en de Bentley, maar [naam BV]. Bovendien staat de rekening waarop betaald wordt, op naam van [naam BV]. Verdachte dient dan ook van de tenlastegelegde feiten te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. [verdachte] houdt zich bezig met de verkoop van Ford USA. [naam BV] spitst zich toe op de verkoop van de overige automerken. Alle verkopen vinden plaats binnen één administratie. Zowel op de factuur met betrekking tot de Windstar als op die van de Bentley staat de naam van [verdachte] vermeld. Daarnaast zijn de verkopers bij aparte BV’s ondergebracht, maar verrichten zij hun werkzaamheden wisselend voor de verschillende BV’s. Van een gedraging in de sfeer van een bepaalde rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

1. Het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; 2. De gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

3. De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf; 4. De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Gelet op hetgeen hiervoor is omschreven, is het hof, met inachtneming van de genoemde criteria uit het Drijfmest-arrest , van oordeel dat er sprake is van een nauwe verwevenheid tussen de BV’s. Aldus is het hof van oordeel dat de juiste rechtspersoon is gedagvaard.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in april/mei 2005 met betrekking tot de verkoop van de Ford Windstar in totaal een bedrag van € 16.179,99 contant heeft ontvangen, waarvan € 2000,- reeds was aanbetaald. Op 29 september 2004 heeft met betrekking tot de verkoop van de Bentley een contante storting van € 140.000,- plaatsgevonden op de rekening van verdachte. In het kader van de Wet melding ongebruikelijke transacties dient melding te worden gemaakt van een ongebruikelijke transactie. Een transactie is ongebruikelijk wanneer deze voldoet aan één of meerdere indicatoren. Bij objectieve indicatoren is melding verplicht. Voor beide stortingen geldt dat er is voldaan aan een objectieve indicator, aangezien het transacties boven € 15.000,- met contant geld betreffen. Op basis van het voorgaande overweegt het hof dat verdachte een MOT-melding had moeten doen.

Met betrekking tot het de transactie aangaande de Bentley wordt door de verdediging nog aangevoerd dat de meldingsplicht bij de [naam bank] rustte in plaats van bij verdachte. Namens verdachte is verklaard dat er geen MOT-melding is gedaan omdat zij er van uitging dat de [naam bank] dat wel zou doen. Hiertoe overweegt het hof dat een ieder hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft. De wettelijke verplichting blijft bestaan, ongeacht of de [naam bank] wel of geen melding zou hebben gedaan.

Op grond van genoemde bewijsmiddelen kan vastgesteld worden dat verdachte bij de transactie op 29 september 2004 opzettelijk niet de identiteit van de cliënt op de bij de Wet identificatie bij dienstverlening op de voorgeschreven wijze heeft vastgesteld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

zij in de periode van 21 april 2004 tot en met 21 april 2005 te Utrecht, telkens bedrijfsmatig een dienst heeft verleend, waarbij zij, verdachte, (telkens) opzettelijk in strijd met het bepaalde in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, de door hem verrichte ongebruikelijke transacties niet onverwijld heeft gemeld aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, als bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, immers heeft zij , verdachte, toen en aldaar bedrijfsmatig (telkens) een dienst verleend, waarbij sprake was van een of meer indicatoren als bedoeld bij of krachtens artikel 8 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, te weten: transacties waarbij voertuigen verkocht worden tegen gehele of gedeeltelijke contante betaling, waarbij het contant te betalen bedrag E15.000 of meer bedraagt:

- op 6 april 2005 E16.719,99 door [naam A]; en

- op 28 september 2004 E140.000,- door [naam B];

en deze ongebruikelijke transacties telkens niet onverwijld gemeld onder verstrekking van de gegevens als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van genoemde wet aan het eerder gemelde meldpunt.

feit 2:

zij op 28 september 2004 te Utrecht, bedrijfsmatig een dienst heeft verleend, terwijl zij opzettelijk niet de identiteit van de cliënt op de bij de Wet identificatie bij dienstverlening voorgeschreven wijze heeft vastgesteld, immers heeft zij een Bentley Continental GT verkocht aan [naam B] terwijl de identiteit van die [naam B] niet is vastgesteld en de identiteit van de in de koopovereenkomst genoemde cliënt [naam cliënt] is vastgesteld door middel van een (gefaxt) afschrift van diens (Nederlands) paspoort terwijl met de transactie contant geld was gemoeid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijk begaan van voorschriften gesteld bij de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij de Wet identificatie bij dienstverlening.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof oordeelt dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en zal dit gegeven bij de strafoplegging in rekening brengen. Anders dan de rechtbank zal het hof dan ook een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties en de artikelen 2 en 8 van de Wet identificatie bij dienstverlening.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 15.000,00 (vijftienduizend euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 1.000,00 (duizend euro), niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr R. de Groot en mr J.F.L. Roording, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit en mr A.S. Poelman, griffiers,

en op 1 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr J.F.L. Roording is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.