Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6880

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
200.072.693/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenvattend komt het hof tot het oordeel dat, behoudens hetgeen onder 6.8. is overwogen, het optreden van de notarissen niet als passief, misleidend, onzorgvuldig, partijdig en onjuist kan worden aangemerkt. Het hof acht de gegrondheid van het zesde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.7. – reden voor het opleggen van de maatregel waarschuwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing gegeven op 24 maart 2011 en uitgesproken op 4 oktober 2011 in de zaak onder nummer 200.072.693/01 NOT van:

[KLAAGSTER],

wonende te [ ],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. L. Pronk,

t e g e n

1.[DE NOTARIS],

notaris te [ ],

2.[DE KANDIDAAT-NOTARIS],

kandidaat-notaris te [ ],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. W. Aerts, advocaat te Nijmegen.

1.Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 31 augustus 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Utrecht, verder de kamer, van 5 augustus 2010, waarbij de kamer de klachten van klaagster tegen geïntimeerden, verder de notaris, respectievelijk de kandidaat-notaris, en tezamen de notarissen genoemd, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Van de zijde van de notarissen is op 21 september 2010 een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klaagster is op 7 maart 2011 een brief – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen waarbij zij nadere stukken in het geding heeft gebracht en haar klachten verder heeft toegelicht c.q. aangevuld. Van de zijde van klaagster is op 14 maart 2011 nog een brief – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen waarbij zij nadere stukken in het geding heeft gebracht en een klacht heeft ingediend inzake “nieuw onwettig en laakbaar handelen” van de notaris.

1.4. Van de zijde van de notarissen is op 10 maart 2011 een brief met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen waarbij zij nadere stukken in het geding hebben gebracht.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 maart 2011. Klaagster met haar gemachtigde evenals de notaris en de kandidaat-notaris met hun gemachtigde zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2.De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.De feiten

3.1. De notarissen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt. Klaagster heeft tegen de vaststelling van de feiten zoals weergegeven onder b., c. en d. in de bestreden beslissing wel bezwaar gemaakt. Klaagster stelt dat de vaststelling van de feiten ten aanzien van deze onderdelen te summier is, althans een vertekend beeld van de zaak geeft. Het hof zal hiermee – voor zover relevant – bij de beoordeling rekening houden.

3.2. Voor het overige verwijst het hof naar de feiten zoals door de kamer vastgesteld in de bestreden beschikking.

4.Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notarissen – kort samengevat - dat zij hebben gehandeld in strijd met de zorg die zij als notaris, respectievelijk kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden. Klaagster acht de wijze waarop de notarissen de nalatenschap van de vader van klaagster, de heer [erflater] (verder: erflater), afwikkelden passief, misleidend, onzorgvuldig, partijdig en onjuist en voert hiertoe verscheidene klachtonderdelen aan. Voor zover klaagster in hoger beroep stelt, dat de kamer niet al haar klachtonderdelen in de beslissing heeft betrokken, zal het hof deze onderdelen alsnog in zijn beoordeling betrekken. De verschillende klachtonderdelen luiden als volgt.

4.2. Klachtonderdeel 1

Klaagster heeft mondeling en schriftelijk verlangd dat voor de taxatie van de ouderlijke woning aan het [adres 1], bij de NVM aangesloten makelaars zouden worden benoemd. Hoewel klaagster er op mocht vertrouwen dat haar verlangen zou worden ingewilligd heeft de kandidaat-notaris echter onder meer opdracht verstrekt aan een makelaar die als gevolg van royering geen lid meer was van de NVM. Op het daaropvolgende dringende verzoek van klaagster aan de notaris om geen verdere uitvoering te geven aan de aan deze makelaar verstrekte opdracht en hem geen taxatierapport te laten uitbrengen, is vervolgens door haar geen gevolg gegeven.

Klaagster acht zich door de gang van zaken door de notarissen misleid.

4.3. Klachtonderdeel 2

De taxatieopdracht die de kandidaat-notaris aan de twee makelaars heeft verstrekt was onjuist en onzorgvuldig geformuleerd. De verstrekte opdracht luidde: “taxatie naar de waarde van de woning in het economisch verkeer”, terwijl de opdracht volgens klaagster had moeten luiden: “taxatie naar de waarde van de woning in onbewoonde staat, vrij van huur en gebruik”. Bij de opdracht tot taxatie waren bovendien geen regels gesteld inzake de tijd waarbinnen de taxaties verricht moesten worden en was geen verbod opgenomen aan de makelaars om onderling overleg te voeren.

4.4. Klachtonderdeel 3

De uitgebrachte taxatierapporten zijn niet gelijktijdig door de notarissen aan alle erfgenamen toegezonden. De notarissen hebben bovendien toegestaan dat de overige erfgenamen zich bemoeiden met de benoeming van de taxateurs. Hiermee hebben de notarissen partijdig gehandeld.

4.5. Klachtonderdeel 4

De kandidaat-notaris heeft verzuimd de taxatierapporten te toetsen aan kwaliteitscriteria. Nu de twee taxaties zijn verricht op basis van onjuiste, dan wel verschillende gegevens, had de kandidaat-notaris dit wel moeten doen. De notarissen hebben meegewerkt aan misleiding van de taxateurs door de andere erfgenamen, door niet in te grijpen toen bleek dat de andere erfgenamen de taxateurs onjuiste informatie met betrekking tot het te taxeren registergoed hadden toegespeeld. Weliswaar zijn de onjuistheden in het rapport van één van de taxateurs nadien hersteld, maar dit heeft ten onrechte niet geleid tot bijstelling van de – gemiddelde – taxatiewaarde.

4.6. Klachtonderdeel 5

Nu een deugdelijke onderbouwing van hun bevindingen in de taxatierapporten van de makelaars ontbrak, had de notaris – zoals ook aan haar verzocht door klaagster – contact moeten opnemen met beide makelaars. Dit heeft de notaris echter geweigerd, dan wel nagelaten.

4.7. Klachtonderdeel 6

De notaris heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat klaagster op 3 maart 2009 met de overige erfgenamen een overeenkomst had gesloten waarin zou zijn overeenkomen dat klaagster haar erfdeel in de vorm van een bedrag in contanten zou ontvangen. Hiermee miskent de notaris het recht van klaagster op toedeling aan haar van één of meer goederen van de nalatenschap.

4.8. Klachtonderdeel 7

Klaagster heeft de notaris uitdrukkelijk verzocht om haar moeder een schriftelijke verklaring ter ondertekening voor te leggen dat er geen andere bankrekeningen of verdere contanten tot de nalatenschap van erflater behoorden, dan de notaris op dat moment bekend waren. De notaris is ten onrechte niet op dit verzoek ingegaan.

4.9. Klachtonderdeel 8

De notaris verdraait de feiten door in haar brief van 27 november 2009 aan klaagster te vermelden dat zij eerst door een ongedateerde brief van de gemachtigde van klaagster, door de notaris ontvangen op 21 september 2009, op de hoogte werd gebracht van een in opdracht van klaagster op 17 augustus 2009 uitgevoerde contra-expertise met betrekking tot de voormalige echtelijke woning.

De notaris was daarvan al eerder op de hoogte.

4.10. Klachtonderdeel 9

De notaris heeft geen regie genomen en geweigerd om initiatieven te nemen om te komen tot een gesprek tussen klaagster en de overige erfgenamen. Indien de notarissen de nalatenschap op een professionele manier zouden hebben afgewikkeld had een civiele procedure – omtrent de wijze van verdeling van de nalatenschap – voorkomen kunnen worden.

4.11. Klachtonderdeel 10

De notaris heeft – in strijd met haar geheimhoudingsplicht – vertrouwelijke informatie en stukken uit het persoonlijke dossier van erflater en klaagster aan de andere erfgenamen ter inzage gegeven. Aan klaagster is daarentegen inzage in het nalatenschapsdossier van erflater en haar persoonlijke dossier door de notaris geweigerd. Bovendien is klaagster verzocht een afspraak te maken tot het zuiver aanvaarden van de nalatenschap van erflater zonder haar in te lichten over de zoektocht van de andere erven in het dossier van erflater en van klaagster, naar een eventuele bevoordeling die klaagster in het verleden zou hebben genoten.

4.12. Klachtonderdeel 11

De notaris heeft verschillende brieven en e-mails van klaagster onbeantwoord gelaten.

4.13. Klachtonderdeel 12

Hoewel in de opdrachtbevestiging van het kantoor van de notarissen staat vermeld dat notaris mr. [L] de supervisie zou hebben over de kandidaat-notaris is klaagster eerst op 17 augustus 2009 door mr. [L] er op gewezen dat niet hij, maar de notaris de supervisie had overgenomen.

4.14. Klachtonderdeel 13

De notaris heeft jegens de KNB, tot wie klaagster zich aanvankelijk om bemiddeling te verkrijgen met haar klachten had gewend, van inhoudelijk commentaar onthouden.

5.Het standpunt van de notarissen

5.1. De notarissen hebben de stellingen van klaagster gemotiveerd betwist en zich als volgt verweerd.

5.2. Ad klachtonderdeel 1

De inhoud van de brief van de kandidaat-notaris van 2 april 2009 – betreffende de akkoordverklaring aanwijzing taxateur woning en inboedel – was voldoende duidelijk en klaagster heeft deze brief bovendien voor akkoord getekend. In de desbetreffende brief wordt niet gesproken van een bij de NVM aangesloten makelaar maar van een “beëdigd” makelaar. Naar de mening van de

notarissen is het lidmaatschap van de NVM niet wezenlijk voor de kwalificatie van “beëdigd” makelaar. Pas in een later stadium heeft klaagster aan de kandidaat-notaris duidelijk gemaakt dat ook een lidmaatschap van de NVM van beide taxateurs voor haar van belang was. Vervolgens heeft klaagster inderdaad op 29 juni 2009 aan de notaris verzocht de opdracht aan deze makelaar stil te leggen. De andere erfgenamen wensten klaagster echter aan de afspraken van 2 april 2009 te houden. Uit navraag door de kandidaat-notaris bij de desbetreffende makelaar bleek overigens dat hij niet als makelaar door de NVM geroyeerd was, maar dat hij zijn NVM-lidmaatschap vrijwillig had opgezegd.

5.3. Ad klachtonderdeel 2

De door klaagster geuite bezwaren tegen de verstrekte taxatieopdracht zijn zowel aan de taxateurs als aan de andere erfgenamen kenbaar gemaakt. De taxateurs gaven echter meermaals aan achter hun waardering, dan wel taxatie te staan en geen redenen te zien tot aanpassing. De overige erfgenamen hebben daarnaast uitdrukkelijk te kennen gegeven geen herziening van de rapporten te wensen.

5.4. Ad klachtonderdeel 3

Van partijdig handelen van de notarissen of meewerken aan, dan wel toestaan van misleiding door de andere erfgenamen is geen sprake. In verband met de vakantie van klaagster heeft zij het eerst uitgebrachte taxatierapport eerder dan de overige erfgenamen ontvangen. De moeder van klaagster, verder de weduwe, had daarom verzocht het tweede taxatierapport als eerste te mogen ontvangen. Aan dat verzoek is gehoor gegeven.

5.5. Ad klachtonderdeel 4

Van het meewerken aan en toestaan van misleiding door de andere erfgenamen van de taxateurs is geen sprake. Nu beide ingeschakelde makelaars meermaals hebben aangegeven achter hun waardebepaling of taxatie te staan en geen redenen te zien tot herziening hiervan, was er voor de kandidaat-notaris geen aanleiding tot een verdere toetsing van deze waardebepalingen aan de kwaliteitscriteria.

5.6. Ad klachtonderdeel 5

In tegenstelling tot hetgeen klaagster beweert, hebben zowel de kandidaat-notaris als de notaris diverse keren telefonisch contact gehad met beide makelaars, in verband met de door klaagster geuite bezwaren.

5.7. Ad klachtonderdeel 6

Tijdens de bespreking met alle erfgenamen op 3 maart 2009 op het kantoor van de notarissen, is door de kandidaat-notaris voorgesteld om alle goederen – waaronder de woning en de inboedel – toe te delen aan de weduwe alsof er een langstlevende testament was. De kinderen zouden in ruil daarvoor hun erfdeel – direct uitkeerbaar – ontvangen in de vorm van een bedrag in contanten. Het desbetreffende voorstel is door de kandidaat-notaris verwoord in zijn brief aan alle erfgenamen van 27 maart 2009. Klaagster heeft pas in een veel later stadium – op of omstreeks 25 augustus 2009 – aangegeven haar erfdeel toch ook in de vorm van goederen – te weten inboedel – te willen ontvangen.

5.8. Ad klachtonderdeel 7

Door de notarissen is bij de – door de weduwe – opgegeven banken een overzicht gevraagd van alle ten tijde van het overlijden van erflater aanwezige bank- en girorekeningen. Hieruit zijn geen andere bank- en/of girorekeningen naar voren gekomen dan die in de correspondentie zijn vermeld. De weduwe is inderdaad niet ingegaan op het door klaagster ingediende verzoek tot een schriftelijke verklaring hieromtrent, maar daar staat de notaris buiten.

5.9. Ad klachtonderdeel 8

In haar verweerschrift in eerste aanleg heeft de notaris vermeld dat zij door de weduwe op maandagmorgen 17 augustus 2009 is geïnformeerd over het voornemen van de klaagster, met een taxateur langs te komen voor een contra-expertise. De weduwe heeft de notaris daarbij laten weten dat klaagster niet welkom was. De notaris heeft daar vervolgens – op verzoek van de weduwe – telefonisch contact over gehad met klaagster.

5.10. Ad klachtonderdeel 9

De notarissen is geen gebrek aan regie en initiatief te verwijten nu geen van partijen bereid was tot een gezamenlijke bespreking, dan wel mediation om uit de impasse te geraken. De stelling van klaagster dat zij zouden hebben geweigerd de nalatenschap op een professionele wijze af te wikkelen waardoor een civiele procedure – omtrent de wijze van verdeling van de nalatenschap – voorkomen had kunnen worden wordt dan ook betwist.

5.11. Ad klachtonderdeel 10

Ten aanzien van dit klachtonderdeel moeten de notarissen zich – deels – beroepen op hun verschoningsrecht, dan wel geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 22 Wet op het notarisambt en is het niet mogelijk inhoudelijk verweer te voeren. Voor zover het klachtonderdeel ziet op inzage van klaagster in haar persoonlijke dossier, is dit ongegrond aangezien klaagster op 14 december 2009 inzage heeft gekregen in haar dossier betreffende de levering aan klaagster van het onroerend goed gelegen aan de [adres 2]. Ook zijn er kopieën van diverse documenten gemaakt en aan klaagster afgegeven.

5.12. Ad klachtonderdeel 11

Bij de behandeling van de nalatenschap van erflater is door de

notarissen steeds getracht op alle door klaagster gestelde vragen en correspondentie antwoord te geven. Enkel voor zover het herhaalde verzoeken betrof is niet iedere keer gereageerd.

5.13. Ad klachtonderdeel 12

De notaris ziet in deze klacht geen aan haar gericht verwijt.

5.14. Ad klachtonderdeel 13

De notaris heeft op advies van de KNB kort en inhoudelijk gereageerd en is niet inhoudelijk op de zaak ingegaan aangezien reeds een civiele procedure tussen partijen liep.

6.De beoordeling

6.1. Voor zover door klaagster voor het eerst in hoger beroep klachten naar voren zijn gebracht, overweegt het hof dat hier geen kennis van kan worden genomen. Het hof zal daarom niet overgaan tot de behandeling van de klacht van klaagster over volgens haar “nieuw onwettig en laakbaar handelen” van de notaris, waaronder misbruik van een onherroepelijke volmacht, waarmee klaagster haar klacht in hoger beroep heeft uitgebreid. De nieuwe klacht die is vervat in de op 14 maart 2011 ter griffie van het hof ingekomen brief zal om dezelfde reden niet worden behandeld.

6.2. Met betrekking tot de hiervoor onder 4.2. tot en met 4.11. weergegeven klachtonderdelen oordeelt het hof als volgt.

6.3. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.2. – acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klaagster haar eis ten aanzien van de hoedanigheid van de makelaars – te weten bij de NVM aangesloten – tijdig duidelijk kenbaar had gemaakt. Deze eis is bovendien niet te herleiden uit de brieven van de kandidaat-notaris van 27 maart 2009 respectievelijk 2 april 2009, welke laatste brief ook door klaagster voor akkoord is getekend. Klaagster had weliswaar diverse aanmerkingen op deze brief van 2 april 2009, deze betroffen echter andere punten dan de hoedanigheid van de makelaars. Onder deze omstandigheden kan de kandidaat-notaris er geen verwijt van worden gemaakt dat een van de aangezochte makelaars niet bij de NVM was aangesloten.

Nu de stelling van klaagster dat één van de makelaars door het NVM geroyeerd was door de notarissen gemotiveerd is betwist en klaagster geen enkel bewijs aandraagt ter ondersteuning van deze stelling, gaat het hof aan deze stelling voorbij. De notaris kan derhalve niet worden verweten dat zij de taxatieopdracht – op deze grond – niet heeft beëindigd. Dat de notarissen zouden hebben getracht klaagster te misleiden, zoals klaagster met betrekking tot dit klachtonderdeel stelt, is het hof niet gebleken. Het is wel juist dat de notaris klaagster had moeten informeren over het feit dat de opdracht niet zou worden beëindigd. Het hof acht dit evenwel niet dusdanig onzorgvuldig dat dit klachtwaardig moet worden geacht.

6.4. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.3. – heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.5. Het derde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.4. – betreft het verwijt van partijdig handelen door het ongelijktijdig versturen van de taxatierapporten aan alle erfgenamen en door toe te staan dat de andere erfgenamen zich met de benoeming van de taxateurs bemoeiden. Het was inderdaad juister geweest als de kandidaat-notaris de twee taxatierapporten tegelijkertijd aan alle partijen had gestuurd. Het feit dat dit niet heeft plaatsgevonden acht het hof onder de gegeven omstandigheden echter geen blijk van partijdigheid zodat dit klachtonderdeel ongegrond verklaard dient te worden. Voor wat betreft het verwijt dat de notarissen hebben toegestaan dat andere erfgenamen zich met de benoeming van de taxateurs bemoeiden verenigt het hof zich met het oordeel van de kamer.

6.6. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.5. – overweegt het hof dat het in beginsel tot de taak van een (kandidaat-)notaris behoort een taxatierapport aan een marginale controle te onderwerpen. Nu door de notarissen is aangevoerd – en door klaagster niet, althans onvoldoende is weersproken – dat zij de door klaagster geuite bezwaren ter kennis hebben gebracht van de betrokken makelaars, is het hof van oordeel dat zij – zij het laat – aan hun verplichting tot marginale toetsing hebben voldaan. Klaagster heeft haar verwijt dat de notarissen misleiding van de taxateurs door de overige erfgenamen, hebben mogelijk gemaakt en daaraan hebben meegewerkt, zo van de gestelde misleiding al sprake is, onvoldoende onderbouwd.

6.7. Wegens onvoldoende onderbouwing zal het hof het verwijt van klaagster – het vijfde klachtonderdeel zoals weergegeven onder 4.6. – dat de notarissen hebben geweigerd, dan wel hebben nagelaten om contact op te nemen met de makelaars, passeren.

6.8. Wat betreft het zesde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.7. – overweegt het hof als volgt. Naar aanleiding van een bericht per e-mail van klaagster de dato 25 augustus 2009 aan de notaris dat zij met betrekking tot haar erfdeel haar recht op goederen uit de nalatenschap van erflater deed gelden heeft de notaris op 25 september 2009 per e-mail geantwoord dat de weduwe zich op het standpunt stelde klaagster te houden aan de mondelinge overeenkomst, gemaakt tijdens de bespreking de dato 3 maart 2009 op het kantoor van de notaris, waarbij klaagster heeft aangegeven dat zij haar erfdeel in contanten uitgekeerd wenste te krijgen. Deze mededeling heeft de notaris in haar brief van 27 november 2009 aan klaagster herhaald. Door dit standpunt van de weduwe onder referte aan de bijeenkomst op haar kantoor op 3 maart 2009 zonder enige kanttekening over te brengen heeft de notaris de indruk gewekt het eens te zijn met het standpunt van de weduwe dat klaagster ermee akkoord was gegaan haar erfdeel in contanten te ontvangen.

Tijdens de bespreking van 3 maart 2009, waarbij alle erfgenamen en de kandidaat-notaris aanwezig waren, zijn echter enkel procedurele afspraken zijn gemaakt en geen afspraken omtrent de wijze van verdeling van de nalatenschap. Dit blijkt uit de door de kandidaat-notaris opgemaakte brief van 27 maart 2009, waarin de gemaakte afspraken zijn vastgelegd. Deze brief bevat – voor zover hier relevant – de volgende zinsneden:

“Door het overlijden zijn de erfgenamen voor het zojuist genoemde gedeelte eigenaar geworden van de goederen van de nalatenschap. Er is door het overlijden een zogeheten “onverdeeldheid” ontstaan. (…)

Om deze onverdeeldheid op te heffen is een verdeling nodig. (…)

Er zijn veel manieren van verdeling denkbaar. Het voorstel is gedaan om een zodanige verdeling te maken waarbij alle goederen (inclusief het woonhuis) aan uw moeder in eigendom toegedeeld worden, de kinderen krijgen in ruil daarvan een een uitbetaling van hun erfdeel in contanten. (…)”

Ondanks het feit dat de brief slechts melding maakt van een voorstel en ondanks het feit dat klaagster de notaris meermaals heeft gemeld dat er helemaal geen overeenkomst was, heeft de notaris zich tegenover haar niet van het hierboven weergegeven standpunt van de weduwe gedistancieerd. Het hof is, met de kamer, van oordeel dat deze handelwijze niet betiteld kan worden als misleidend of partijdig, maar acht het de notaris wel degelijk te verwijten dat zij klaagster met deze onjuiste uitleg van de afspraken van 3 maart 2009 onder druk heeft gezet. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

6.9. Ten aanzien van het zevende klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.8. – overweegt het hof dat, nu de weduwe de notaris had laten weten de door klaagster gewenste schriftelijke verklaring niet te zullen ondertekenen, het voorleggen van de notaris van een dergelijke verklaring ter ondertekening aan de weduwe niet zinvol was. De notaris kan derhalve niet verweten worden dat zij dat niet heeft gedaan.

6.10. Het achtste klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.9. – heeft betrekking op de volgende passage in de brief van de notaris aan klaagster van 27 november 2009:

“Ook heb ik uw echtgenoot voorgesteld mij een kopie te zenden van de contra-expertise, die in uw opdracht door een NVM makelaar is uitgevoerd. De heer Pronk maakte namelijk in zijn brief, ongedateerd en door mij ontvangen op 21 september j.l. melding van deze contra-expertise”

Het hof overweegt dat in de brief van de notaris van 27 november 2009 niet staat dat de notaris eerst door de brief van de gemachtigde van klaagster van het bestaan van de contra-expertise op de hoogte kwam. De bovenaangehaalde passage moet naar het oordeel van het hof worden begrepen in die zin, dat het feit dat de gemachtigde van klaagster in zijn brief aan de notaris melding maakte van de contra-expertise, voor de notaris aanleiding was kopie op te vragen van de contra-expertise die klaagster haar nog niet eerder had toegezonden.

6.11. Ten aanzien van het twaalfde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.13. – overweegt het hof dat, voor zover in het klachtonderdeel een aan de notaris gericht verwijt kan worden gelezen, dit verwijt geen doel treft nu uit het dossier blijkt dat klaagster reeds op 29 juni 2009 er van op de hoogte was dat de notaris de supervisie over de kandidaat-notaris had overgenomen.

6.12. Ten aanzien van het dertiende klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.14. – overweegt het hof dat het de notaris vrij stond de KNB te antwoorden zoals zij dat gedaan heeft.

6.13. Ten aanzien van de overige klachtonderdelen – zoals weergegeven onder 4.10. tot en met 4.12. – heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.14. Samenvattend komt het hof tot het oordeel dat, behoudens hetgeen onder 6.8. is overwogen, het optreden van de notarissen niet als passief, misleidend, onzorgvuldig, partijdig en onjuist kan worden aangemerkt.

6.15. Het hof acht de gegrondheid van het zesde klachtonderdeel – zoals weergegeven onder 4.7. – reden voor het opleggen van na te melden maatregel aan de notaris.

6.16. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.17. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep ingediende klachten;

- vernietigt de beslissing van de kamer, doch alleen voor zover daarbij het hiervoor onder 4.7. weergegeven zesde klachtonderdeel ongegrond is verklaard en verklaart dit klachtonderdeel gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

- bevestigt de beslissing van de kamer voor het overige en wijst af hetgeen overigens door klaagster is verzocht.

Deze beslissing is gegeven op donderdag 24 maart 2011 door mrs. A.L.G.A. Stille, M.W.E. Koopmann en F.A.A. Duynstee en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 oktober 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT

BESLISSING van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht op de klacht van:

[klaagster], wonende te [ ],

klaagster,

- t e g e n-

1. [de notaris], notaris te [ ],

2. [de kandidaat-notaris], kandidaat-notaris te [ ],

beklaagden, tezamen hierna ook te noemen: de notarissen

gemachtigde: mr. W. Aerts, advocaat te Nijmegen.

De procedure

Klaagster heeft zich bij brief van 29 januari 2010, met bijlagen, tot de Kamer van Toezicht te Arnhem gewend met klachten gericht tegen de notaris en tegen de kandidaat-notaris.

De notaris heeft bij brief van 23 februari 2010, met bijlagen, op de klachten geantwoord.

Klaagster heeft vervolgens bij brief van 23 februari 2010, met een groot aantal bijlagen, op het antwoord van de notaris gereageerd, waarna de notaris bij brief van 1 april 2010 heeft verwezen naar haar antwoord op de klachten.

Bij beslissing van 27 april 2010 heeft de president van het Gerechtshof te Amsterdam de zaak voor de behandeling daarvan naar deze Kamer verwezen.

Nadien heeft de gemachtigde van de notarissen nog enige stukken aan de Kamer toegezonden.

De klachten zijn op 24 juni 2010 mondeling behandeld. Daarbij waren klaagster en de notarissen met hun gemachtigde aanwezig. Klaagster was vergezeld van mr. Pronk die de klachten heeft toegelicht, mede aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. Mr. Aerts heeft het standpunt van de notarissen uiteengezet.

Na voortgezet debat, waarbij partijen ook zelf enige inlichtingen hebben verschaft, heeft de Kamer de uitspraak bepaald op heden.

De feiten

a. Op 22 februari 2009 is de heer [erflater], vader van klaagster, overleden. Bij leven heeft hij bij testament over zijn nalatenschap beschikt, laatstelijk op 12 november 1998. Daarbij heeft hij zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen was gehuwd, en zijn beide kinderen tot zijn enige erfgenamen benoemd.

b. De kandidaat-notaris is verzocht een verklaring van erfrecht op te stellen en de nalatenschap af te wikkelen. Op 3 maart 2009 hebben de erfgenamen een gesprek gehad met de kandidaat-notaris. Daarbij is de afspraak is gemaakt om een zodanige verdeling te maken waarbij alle goederen (inclusief het woonhuis) aan de moeder van klaagster in eigendom worden toegedeeld en aan de kinderen hun erfdeel in contanten wordt uitbetaald.

c. Tot de nalatenschap behoort -onder andere- erflaters deel in de woning gelegen aan het [adres 1] met inboedel, twee auto’s en bank- en spaartegoeden. De kandidaat-notaris heeft klaagster op 2 april 2009 een brief gestuurd met het voorstel dat zijn notariskantoor twee taxateurs zal aanwijzen om ieder van hen de waarde van de woning in het economisch verkeer, dat wil zeggen: in onbewoonde staat en vrij van huur en gebruik, voor partijen bindend te laten vaststellen. Het gemiddelde van die taxaties zou als grondslag dienen voor de berekening van ieders erfdeel. In zijn brief heeft de kandidaat-notaris klaagster verzocht om die brief, indien zij met het daarin verwoorde voorstel akkoord ging, voor gezien en akkoord te tekenen en aan de kandidaat-notaris terug te sturen. Klaagster heeft dat op 3 april 2009 gedaan. Nadien hebben de overige erven in dit kader nog voorgesteld om een aan de Belastingdienst verbonden taxateur aan te wijzen als een van de taxateurs. Klaagster heeft de kandidaat-notaris bij e-mailberichten van 17 en 22 april 2009 laten weten dat voorstel niet te aanvaarden maar wel een eerder door de kandidaat-notaris gedaan voorstel om twee of eventueel drie door de kandidaat-notaris aangewezen onafhankelijke NVM1- makelaar/taxateurs te laten taxeren. Vervolgens heeft de kandidaat-notaris Makelaardij [V] en Makelaardij [W] opdracht verstrekt taxaties te verrichten en hij heeft dit op 18 juni 2010 aan klaagster meegedeeld.

d. Op 2 juli 2009 heeft [X] van Makelaarskantoor [W] zijn taxatierapport uitgebracht. Daarbij was een brief gevoegd van 29 mei 2009 van de gemeente [ ] over het voornemen van die gemeente om het pand [adres 1] te [ ] aan te wijzen als gemeentelijk monument. Uit later verkregen informatie is gebleken dat de heer [X] geen lid (meer) is van de Nederlandse Vereniging voor Makelaars (NVM). Op 15 juli 2009 heeft makelaar [M] zijn taxatierapport uitgebracht.

Ook zijn de in de nalatenschap vallende roerende zaken getaxeerd.

2. De klacht:

Klaagster acht de wijze waarop de notarissen de nalatenschap afwikkelen op onderdelen misleidend, onzorgvuldig, partijdig en onjuist terwijl de notaris zich daarbij ook te passief heeft opgesteld. Om die reden maakt zij de notarissen een groot aantal verwijten.

I. De taxaties van de onroerende zaak:

Klaagster heeft aangevoerd dat het haar stellige bedoeling was dat voor de taxatie van de ouderlijke woning makelaars zouden worden benoemd die bij de NVM zijn aangesloten. Zij heeft in dat verband gewezen op haar e-mailberichten van 17 en 27 april 2009 en van 6 mei 2009 waaruit dat blijkt. Niettemin heeft de kandidaat-notaris (ook) de heer [X] als makelaar aangewezen, van wie later bleek dat deze geen lid meer was van de NVM. Naar klaagster heeft vernomen is deze makelaar door de NVM geroyeerd. Klaagster voelt zich door deze gang van zaken misleid.

Klaagster verwijt de notaris ook dat geen gevolg is gegeven aan haar dringend verzoek geen verdere uitvoering te geven aan de opdracht tot taxatie aan makelaar [X] en hem geen taxatierapport te laten uitbrengen. Klaagster heeft dat verzoek gedaan toen deze makelaar-taxateur nog geen taxatie had uitgebracht. Bovendien is de opdracht die de kandidaat-notaris aan de makelaars heeft verstrekt onjuist, zo heeft klaagster gesteld. De opdracht die is vertrekt luidde: “waardebepaling woning in economisch verkeer”. Die maatstaf komt volgens klaagster neer op de vaststelling van de WOZ-waarde, terwijl naar haar mening getaxeerd had behoren te worden: “de waarde in onbewoonde staat, vrij van huur en gebruik”. Klaagster acht de opdracht tot taxatie zelf ook onzorgvuldig omdat daarbij geen regels waren gesteld wat betreft de tijd waarbinnen de taxaties moesten gebeuren en geen verbod aan de makelaars-taxateur was opgelegd om onderling overleg te hebben. Klaagster acht verder klachtwaardig dat de taxaties niet gelijktijdig aan alle erven toegezonden. Ook vindt zij het onjuist dat van de kant van de notarissen werd toegestaan dat de overige erven zich mochten bemoeien met de benoeming van taxateurs. Ter adstructie daarvan heeft zij gewezen op een brief van [J], mede-erfgenaam en broer van klaagster, waarin deze voorstelt mede een makelaar-taxateur te benoemen die werkzaam is bij de Belastingdienst.

Naar klaagster stelt heeft de kandidaat-notaris verzuimd de waarderingen van de makelaars-taxateur te toetsen aan kwaliteitscriteria. Dat had hij, nu de taxaties zijn gebaseerd op onjuiste gegevens, wel behoren te doen, aldus klaagster. Makelaar [X] is uitgegaan van een onjuist woonoppervlak en diens taxatie is negatief beïnvloed door kennis achteraf van het voornemen van de gemeente [ ] de woning in kwestie aan te wijzen als gemeentelijk monument terwijl makelaar-taxateur [V] blijkens diens rapport is uitgegaan van een onjuiste peildatum en een onjuist waarde-inzicht. In laatstbedoeld rapport zijn de onjuistheden nadien weliswaar hersteld, maar dat heeft niet geleid tot bijstelling van de taxatiewaarde. De notaris heeft geen contact willen opnemen met beide makelaars voor een deugdelijke onderbouwing van hun bevindingen, zo heeft klaagster gesteld. Uiteindelijk heeft klaagster zelf een derde taxatie van de desbetreffende woning laten verrichten.

II. Misleiding en partijdigheid:

De notaris miskent klaagsters recht op toescheiding aan haar van enige inventarisgoederen door haar mee te delen dat zij op 3 maart 2009 met de overige erven een overeenkomst heeft gesloten tot uitbetaling van haar erfdeel in contanten en werkt zodoende mee aan leugens en misleiding. Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij geen enkele overeenkomst dienaangaande heeft getroffen.

III. De overige verwijten:

De notaris weigert de moeder van klaagster te vragen schriftelijk te verklaren dat er geen andere bankrekeningen of verdere contanten tot de nalatenschap behoren dan de notaris bekend zijn.

De notaris weigert ook initiatief te nemen om te komen tot een gesprek tussen klaagster en de overige erven.

De notaris heeft de andere erven voorzien van vertrouwelijke informatie en stukken uit haar, klaagsters, dossier. Zo heeft zij inzage gegeven in het in opdracht van [ ], klaagsters echtgenoot, uitgebrachte taxatierapport met betrekking tot de woning aan de [adres 2]. De notaris weigert echter klaagster inzage te verschaffen in het dossier van haar vader en van haar.

Ten slotte verwijt klaagster de notaris dat deze brieven en e-mailberichten niet beantwoordt.

Het verweer:

Ad I. De taxaties van de onroerende zaak:

De notarissen hebben gesteld dat de inhoud van de brief van 2 april 2009 duidelijk is en dat klaagster die brief, getekend voor akkoord, aan de kandidaat-notaris heeft geretourneerd. De overige erfgenamen wensen klaagster aan die afspraken te houden. In die brief wordt niet gesproken over een NVM-makelaar. Naar de mening van de kandidaat-notaris was het lidmaatschap van de NVM niet wezenlijk voor hun kwalificatie. [X] is al vele jaren makelaar en als zodanig beëdigd. Eerst later is het de kandidaat-notaris duidelijk geworden dat ook een lidmaatschap van de NVM van beide taxateurs voor klaagster van belang was. Makelaar [X] heeft vele jaren ervaring als makelaar en heeft zijn lidmaatschap van de NVM uit eigen beweging recent opgezegd. Juist vanwege zijn jarenlange ervaring is hij door het notariskantoor benaderd. Makelaarskantoor [V] is plaatselijk goed bekend en is om die reden benaderd, zo heeft de kandidaat-notaris gesteld. De notaris heeft erkend dat klaagster haar heeft verzocht makelaar [X] te vragen zijn werkzaamheden te staken en zijn taxatierapport niet uit te brengen. De notaris heeft dat evenwel niet gedaan omdat de overige erven niet bereid bleken een andere makelaar de woning te laten taxeren.

Ad II. Misleiding en partijdigheid:

De notarissen hebben gesteld dat in een gesprek op 3 maart 2009 op hun kantoor partijen de afspraak hebben gemaakt dat alle goederen aan de moeder van klaagster zouden worden toegedeeld, in ruil waarvoor aan de kinderen hun erfdeel in contanten zou worden uitbetaald. Die afspraak is ook neergelegd in de brief van 27 maart 2009 die de kandidaat-notaris aan klaagster heeft toegezonden. De notarissen hebben erop gewezen dat taxatie van de tot de nalatenschap behorende goederen juist werd gedaan en nodig was om uitvoering te geven aan deze afgesproken wijze van verdelen.

Ad IV. Overige verwijten:

De notaris heeft gesteld dat zij bij alle haar opgegeven banken navraag heeft gedaan naar het bestaan van banktegoeden ten tijde van het overlijden van de erflater. Het verzoek van klaagster om op schrift te verklaren dat er geen andere bankrekeningen tot de nalatenschap behoren heeft zij aan de moeder van klaagster overgebracht. De mede-erfgenamen hebben verklaard dat er geen andere bankrekeningen zijn dan die welke de notaris bekend zijn, maar de moeder van klaagster weigert om op het verzoek van klaagster in te gaan om haar verklaring op dit punt op schrift te stellen.

De notarissen hebben verder gesteld dat geen van partijen bereid was om in een gezamenlijke bespreking of door middel van mediation te trachten tot een oplossing van hun geschilpunten te komen. In dat verband heeft zij gewezen op brieven van de raadsman van de overige erfgenamen aan klaagster.

Met betrekking tot het verwijt aan de notaris dat zij de overige erfgenamen vertrouwelijke informatie heeft verschaft uit haar, klaagsters, dossier heeft de notaris erop gewezen dat, waar klaagster doelt op het taxatierapport dat destijds is uitgebracht omtrent het pand [adres 2], dit rapport mede behoort tot het dossier van de moeder van klaagster, aangezien deze mede-eigenaar was van het desbetreffende pand. De notaris heeft erop gewezen dat de moeder van klaagster ook kopieën van stukken heeft gevraagd uit een dossier van de erflater die door de inmiddels gedefungeerde notaris [Z] waren opgesteld. Zij heeft aan dat verzoek voldaan voorzover haar uit die stukken is gebleken dat de moeder van erflater daadwerkelijk bij die bespreking(en) aanwezig is geweest en op afgifte waarvan zij ook recht had. Zij heeft de toelaatbaarheid nog geverifieerd bij de oud-notaris [Z], zo heeft de notaris gesteld.

De notaris heeft als verklaring voor het niet gelijktijdig toezenden van de taxatierapporten meegedeeld dat klaagster vanwege haar vakantie een rapport eerder toegezonden heeft gekregen dan de overige erfgenamen, om welke reden de notaris er goed aan meende te doen het andere rapport wat eerder aan de overige erfgenamen toe te zenden dan aan klaagster.

De notaris heeft ten slotte erkend dat zij niet alle brieven en e-mailberichten van klaagster aan haar heeft beantwoord, maar daaraan toegevoegd dat zij alleen die post niet heeft beantwoord voor zover klaagster zich in die brieven herhaalde.

De beoordeling van de klacht:

4.1 De Kamer stelt voorop dat, waar een (kandidaat)-notaris bij de afwikkeling van een nalatenschap wordt geconfronteerd met ruziënde erfgenamen, van hem of haar mag worden verlangd dat deze bij de erfgenamen aandringt op het nemen van beslissingen en op het voeren van overleg tussen die erfgenamen. In dat kader dient de (kandidaat-)notaris zich actief op te stellen en suggesties te doen om uit een impasse te geraken. Niet gezegd kan worden dat de notarissen zich niet hebben ingespannen om de erfgenamen op de punten die hen verdeeld houden tot elkaar te brengen. Zo is van de kant van de notarissen voorgesteld de verschillende taxatie-uitkomsten te betrekken bij de vaststelling van de waarde van de ouderlijke woning en is ook voorgesteld te trachten de geschillen door middel van mediation te overbruggen. Elk van partijen hield evenwel onverkort vast aan haar standpunt of stelde een eenmaal gemaakte afspraak nadien toch weer ter discussie. Bij die stand van zaken kunnen de notarissen de nalatenschap niet tot ieders tevredenheid verder afwikkelen en dienen de erfgenamen hun geschillen ter beslechting daarvan aan de rechter voor te leggen. Dat is inmiddels gebeurd. Klaagster heeft zich ter zake het geschil over de taxaties door de makelaars-taxateur van de woning gewend tot de Geschillencommissie Makelaardij en de andere erven hebben zich met betrekking tot de verdeling van de onverdeelde gemeenschap van goederen die heeft bestaan tussen de erflater en diens echtgenote gewend tot de civiele rechter.

4.2. M.b.t. de taxaties van de onroerende zaak

Met betrekking tot de klacht over de bewoordingen van de door de kandidaat-notaris verstrekte opdracht tot taxatie (naar klaagster stelt: de waarde in het economisch verkeer hetgeen neerkomt op vaststelling van de WOZ-waarde) merkt de Kamer op, dat blijkens artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken de (WOZ-)waarde die aan een onroerende zaak dient te worden toegekend wordt bepaald op de waarde indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Naar het oordeel van de Kamer komt dit uitgangspunt overeen met de waarderingsgrondslag zoals klaagster die geformuleerd had willen zien. Het spreekt vanzelf dat de notarissen niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor feitelijke onjuistheden in de uitgebrachte taxatierapporten.

De Kamer wil aannemen dat het van aanvang af de bedoeling van klaagster was dat de te benoemen makelaars-taxateur lid zouden zijn van de NVM. Dat de kandidaat-notaris dit niet aanstonds als zodanig heeft onderkend valt hem niet te verwijten. Enerzijds niet omdat het al of niet aangesloten zijn bij de NVM op zichzelf geen kwalificatie inhoudt van de deskundigheid en de integriteit van de te benoemen deskundige, anderzijds niet omdat klaagster deze voorwaarde aanvankelijk klaarblijkelijk onvoldoende stellig kenbaar heeft gemaakt. In dit verband merkt de Kamer op dat in de brief van 2 april 2009 die klaagster voor akkoord heeft getekend ook niet die voorwaarde is opgenomen. Gelet op dit een en ander kan niet gezegd worden dat de kandidaat-notaris onjuist heeft gehandeld door [X] als makelaar-taxateur aan te wijzen.

De kandidaat-notaris heeft, naar het oordeel van de Kamer, ook niet laakbaar onzorgvuldig gehandeld door geen regels te stellen aan de opdracht zoals een verbod van onderling contact en een termijn waarbinnen het rapport dient te worden uitgebracht en evenmin door die taxaties niet aan enige kwaliteitscriteria. Deze toets en deze attitude liggen immers in beginsel besloten in de veronderstelde deskundigheid van en gedragscode voor de makelaars-taxateur.

Het overbrengen door de notaris van het voorstel van de overige erfgenamen om een aan de Belastingdienst verbonden taxateur mede te benoemen kan bezwaarlijk worden gezien als het toestaan zich met de benoeming van taxateurs te bemoeien.

Met betrekking tot het verzoek van klaagster om makelaar [X] zijn rapport niet te laten uitbrengen overweegt de Kamer dat het de notaris, toen het haar bekend werd dat een zodanig lidmaatschap voor klaagster van belang was, de notaris dit verzoek heeft overgebracht aan de overige erfgenamen. De inwilliging van dat verzoek stuitte evenwel bij de overige erfgenamen af op hun vasthouden aan afspraken zoals neergelegd in de door klaagster getekende brief van 2 april 2009. Die opstelling van de overige erfgenamen valt de notaris niet te verwijten. Klaagster heeft niet gesteld dat de notaris het belang dat zij aan dat lidmaatschap bleek te hechten onvoldoende heeft overgebracht aan de overige erfgenamen of anderszins in gebreke is gebleven in haar poging gehoor te vinden voor de wens van klaagster, noch is daarvan gebleken.

Bij het door [X] uitgebracht taxatierapport is weliswaar een brief van 29 mei 2009 gevoegd van de gemeente Apeldoorn over de beoordeling van dat pand als potentieel monument, niet duidelijk is echter of, en zo ja in welke mate, die brief van invloed is geweest op de taxatie door [X]. De enkele bijvoeging van die brief bij dat rapport is, naar het oordeel van de Kamer, onvoldoende voor de veronderstelling van klaagster dat de notarissen zouden hebben meegewerkt aan misleiding van klaagster of dat zij dat de overige erfgenamen zouden hebben toegestaan.

4.3 M.b.t. de misleiding en partijdigheid:

Naar de verklaring van klaagster heeft zij eerst later begrepen wat de betekenis was van de door de kandidaat-notaris voorgestelde wijze van verdeling om uit de onverdeeldheid te geraken. Die omstandigheid kan de notarissen niet worden verweten. Van meewerken aan misleiding of van partijdigheid is, naar het oordeel van de Kamer, dan ook geen sprake.

4.4 M.b.t. de overige klachten:

Uit de verklaring van de notaris dat de moeder van klaagster weliswaar heeft verklaard dat niet meer bankrekeningen tot de nalatenschap behoren dan de notaris reeds bekend zijn, maar dat zij weigert dit op schrift te stellen volgt dat de notaris, anders dan klaagster haar verwijt, niet heeft geweigerd dit verzoek aan de moeder van klaagster door te geleiden.

Ook het verwijt dat de notaris weigert initiatief te nemen om te komen tot een gesprek tussen klaagster en de overige erven is niet terecht nu de stelling van de notarissen, dat geen van partijen bereid was tot onderling overleg of mediation, onweersproken is gebleven.

De notaris heeft met de mededeling dat het taxatierapport is uitgebracht omtrent de tot aan de moeder van klaagster in (mede-)eigendom toebehorende woning aan de [adres 2] een afdoende verklaring gegeven voor het verstrekken van een kopie van het taxatierapport aan haar moeder. Overigens is niet aannemelijk geworden dat de notaris meer of andere stukken aan de moeder van klaagster heeft verstrekt dan waartoe zij gerechtigd was. De Kamer is van oordeel dat de notaris zich terecht heeft beroepen op haar geheimhoudingsplicht.

Klaagster heeft het verweer van de notaris dat zij alleen de post niet heeft beantwoord voor zover vragen of mededelingen daarin werden herhaald niet weersproken. De Kamer acht het niet beantwoorden van deze post niet verwijtbaar.

Voor wat betreft de niet gelijktijdige toezending van taxatierapporten ware het beter geweest als die rapporten gelijktijdig aan beide partijen zouden zijn toegestuurd, maar dat dit niet is gebeurd acht de Kamer tuchtrechtelijk niet laakbaar.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat voor de klachten geen grond bestaat. De Kamer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de klachten, en vooral het verstrekkende verwijt dat de notarissen partijdig hebben gehandeld, voortvloeien uit de veronderstelling van klaagster dat de notarissen gehouden zijn haar instructies op te volgen. Deze gehoudenheid hebben de notarissen niet. Bij de verdeling van een gemeenschappelijk vermogen heeft de notaris zo veel ruimte als de gezamenlijke deelgenoten de notaris geven. Dit betekent dat de notaris de wensen van een deelgenoot pan kan honoreren als de overige deelgenoten daarmee instemmen. Dat deze beperking in de ogen van klaagster voor haar nadelig is geweest maakt begrijpelijk dat klaagster teleurgesteld is, maar het is onjuist om die teleurstelling te wijten aan “partijdig” handelen van de notarissen.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

De Kamer:

verklaart de klachten ongegrond.

Gewezen te Utrecht door mr. H.M.M. Steenberghe, plaatsvervangend voorzitter, mr. E.J.M. Kerpen, mr. W.C. Stein, mr. P. Krepel en mr. H. Hilberts, leden, bijgestaan door mr. L. Heij, secretaris, en op 5 augustus 2010 door mr. P. Krepel in het openbaar uitgesproken .

mr. L. Heij mr. P. Krepel

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de verzenddatum daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Civiele Griffie, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Aan partijen toegezonden op: 5 augustus 2010.