Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6864

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
200.083.699/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een (kandidaat-)notaris gedraagt zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig dat de eer en het aanzien van het notariaat niet worden of kunnen worden geschaad, zoals is voorgeschreven in artikel 1 lid 1 Vbg. De kandidaat-notaris doet in haar brief een aanbod tot dienstverlening aan cliënten van de oud-notaris, waarbij zij de hoop uitspreekt op een toekomstige samenwerking met hen. Deze handelwijze is in strijd met hetgeen een redelijk handelend (kandidaat-)notaris betaamt. Daarnaast is de handelwijze van de kandidaat-notaris in strijd met artikel 17 lid 1 Vbg op grond waarvan een (kandidaat-)notaris zich jegens zijn beroepsgenoten als een goed collega dient te gedragen.

Op grond van vorenstaande overwegingen is het hof, met de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is, doch ziet hierin onvoldoende aanleiding tot het opleggen van een maatregel. Het hof bevestigt de bestreden beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 4 oktober 2011 in de zaak onder nummer 200.083.699/01 NOT van:

[de kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [ ],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. [K],

t e g e n

[de oud-notaris],

oud-notaris te [ ],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. J.F.P.M. van Helvoort, advocaat te Best.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder de kandidaat-notaris, is bij een op 11 maart 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Hertogenbosch, verder de kamer, van 17 februari 2011, waarbij de kamer de klacht van geïntimeerde, verder de oud-notaris, tegen de kandidaat-notaris gegrond heeft verklaard zonder oplegging van maatregel.

1.2. Van de zijde van de oud-notaris is op 21 april 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 18 augustus 2011. De kandidaat-notaris, de oud-notaris, alsmede hun gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de

kandidaat-notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

3.1. De kandidaat-notaris is van 1 maart 2006 tot 1 februari 2010 bij de oud-notaris in dienst geweest. Per 1 februari 2010 is de kandidaat-notaris werkzaam bij [naam notariskantoor A] te [ ].

3.2. Op 31 maart 2010 is de oud-notaris door één van zijn zakenrelaties benaderd met de mededeling dat hij een brief van de kandidaat-notaris, gedateerd 26 maart 2010, had ontvangen met de navolgende inhoud:

“Beste (…),

Per 1 februari 2010 ben ik als kandidaat-notaris/estate-planner werkzaam bij [naam notariskantoor A] te [ ].

Ik ben als volgt bereikbaar:

(…)

Eerder heb ik op prettige wijze met je samengewerkt en ik hoop dat ik jou en je cliënten ook in de toekomst mag ontmoeten. Gelet op de afstand kunnen besprekingen/passeerafspraken ook bij jou op kantoor plaatsvinden.

Met vriendelijke groet,

[de kandidaat notaris]”

3.3. Begin april 2010 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden – waarbij het geluid met instemming van de oud-notaris op de luidspreker stond – tussen de oud-notaris en de kandidaat-notaris, met op de achtergrond aanwezig mrs. [S] en [W]. De oud-notaris heeft in dit telefoongesprek de kandidaat-notaris medegedeeld dat zij heeft gehandeld in strijd met de regels die voortvloeien uit de Wet op het Notarisambt (hierna: Wna) en de daarop gebaseerde Verordening Beroeps- en Gedragsregels (hierna: Vbg) en dat hij van de kandidaat-notaris een schriftelijk persoonlijk excuus verwachtte, alsmede een brief aan de door haar aangeschreven personen, ter herroeping van de laatste zinsnede in haar hiervoor aangeduide brief aan die personen. Tevens heeft hij de kandidaat-notaris in dat telefoongesprek medegedeeld dat hij zich het recht voorbehield om omtrent haar handelen een klacht in te dienen bij de kamer.

3.4. De kandidaat-notaris heeft vervolgens de oud-notaris haar excuses aangeboden en aan de – vijf – door haar aangeschreven personen een excuusbrief gestuurd.

4. Het standpunt van de oud-notaris

4.1. De kandidaat-notaris heeft een aantal tussenpersonen, van wie zij de adresgegevens uit het kantoorbestand van [naam notariskantoor B] had geput, geschreven op briefpapier van haar nieuwe notariskantoor en haar diensten aan deze tussenpersonen vanuit haar nieuwe werkkring aangeboden. Gelet op de binnen het notariaat geldende vrijheid van notariskeuze is deze handelwijze ongeoorloofd. De kandidaat-notaris heeft hiermee onrechtmatig gehandeld jegens de oud-notaris en een onrechtmatige daad gepleegd.

4.2. De kandidaat-notaris heeft met het versturen van haar brief gehandeld in strijd met de regels die de Wna en de Vbg daaromtrent stelt. Daarbij zijn in het bijzonder de regels die betrekking hebben op de eer en waardigheid van het ambt en het voorschrift dat een (kandidaat-)notaris zich als een goed collega dient te gedragen overtreden.

5. Het standpunt van de kandidaat-notaris

5.1. Na haar indiensttreding bij [naam notariskantoor A] heeft de kandidaat-notaris slechts aan een zeer beperkt aantal tussenpersonen (het gaat om vijf tussenpersonen) een brief verzonden. Deze brieven zijn uitsluitend verzonden aan die tussenpersonen met wie zij tijdens haar dienstverband met de oud-notaris zakelijke contacten onderhield en van wie zij in persoonlijke contacten een visitekaartje had gekregen. De kandidaat-notaris heeft hierbij niet geput uit de kantoorbestanden van de oud-notaris. Met het schrijven van de onderhavige brief, heeft de kandidaat-notaris uitsluitend – en op zeer beperkte schaal – haar ‘nieuwe visitekaartje’ afgegeven en is geen sprake van enige beperking in de vrijheid van notariskeuze.

Dat de kandidaat-notaris met het schrijven van haar brief onrechtmatig jegens de oud-notaris zou hebben gehandeld – hetgeen zij weerspreekt – staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter maar van de civiele rechter. Zij merkt in dit verband nog op dat het haar arbeidsrechtelijk vrijstond om zo te handelen, nu geen concurrentie- of relatiebeding in haar arbeidsovereenkomst met de oud-notaris was opgenomen. Met het versturen van haar brief heeft de kandidaat-notaris derhalve niet gehandeld in strijd met de eer en waardigheid van het notarisambt.

5.2. De handelwijze van de kandidaat-notaris is niet aan te merken als het bedrijven van – wervende – publiciteit ten aanzien van mogelijke opdrachtgevers, waardoor zij zich niet zou gedragen zoals een goede collega betaamt. Bovendien is de kandidaat-notaris onmiddellijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van de oud-notaris, door middel van het maken van excuses aan hem en door het verzenden van een excuusbrief aan de door haar aangeschreven tussenpersonen.

6. De beoordeling

6.1. Bij de boordeling van de klacht gaat het hof er vanuit – mede naar aanleiding van het besprokene ter terechtzitting in hoger beroep – dat de oud-notaris met zijn verwijt dat de kandidaat-notaris jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en een onrechtmatige daad heeft gepleegd, heeft bedoeld de kandidaat-notaris ten aanzien van haar handelwijze een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

6.2. Een (kandidaat-)notaris gedraagt zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig dat de eer en het aanzien van het notariaat niet worden of kunnen worden geschaad, zoals is voorgeschreven in artikel 1 lid 1 Vbg.

De laatste zinsnede in de brief van de kandidaat-notaris, die luidt:

“Eerder heb ik op prettige wijze met je samengewerkt en ik hoop dat ik jou en je cliënten ook in de toekomst mag ontmoeten. Gelet op de afstand kunnen besprekingen/passeerafspraken ook bij jou op kantoor plaatsvinden.”

geeft de brief – naast een informatief karakter, tevens, en anders dan de kandidaat-notaris meent – een wervend karakter. De kandidaat-notaris doet in haar brief immers, zoals volgt uit de hiervoor geciteerde tekst, een aanbod tot dienstverlening aan cliënten van de oud-notaris, waarbij zij de hoop uitspreekt op een toekomstige samenwerking met hen. Deze handelwijze is in strijd met hetgeen een redelijk handelend (kandidaat-)notaris betaamt.

6.3. Daarnaast is de handelwijze van de kandidaat-notaris in strijd met artikel 17 lid 1 Vbg op grond waarvan een (kandidaat-)notaris zich jegens zijn beroepsgenoten als een goed collega dient te gedragen. Het aanschrijven van tussenpersonen die cliënt zijn van een – voormalige – beroepsgenoot op de hiervoor omschreven wijze, gaat verder dan enkel het verspreiden van een ‘nieuw visitekaartje’. De kandidaat-notaris heeft hiermee de indruk gewekt, dat zij de aangeschreven tussenpersonen zou willen ‘meenemen’ naar haar nieuwe werkkring. Dat in haar arbeidsovereenkomst met de oud-notaris geen concurrentie- of relatiebeding was opgenomen maakt dit niet anders.

6.4. Op grond van vorenstaande overwegingen is het hof, met de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is, doch ziet hierin onvoldoende aanleiding tot het opleggen van een maatregel. Daarbij heeft het hof ten gunste van de kandidaat-notaris in aanmerking genomen dat niet eerder sprake is geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, de kandidaat-notaris aan de oud-notaris haar excuses heeft gemaakt alsmede een excuusbrief heeft gestuurd aan de door haar aangeschreven tussenpersonen. Bovendien is door de oud-notaris niet gesteld of anderszins gebleken dat uit de handelwijze van de kandidaat-notaris (im)materiële schade is voortgevloeid.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.6. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, M.W.E. Koopmann en G. Kleykamp-Van der Ben en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 oktober 2011 door de rolraadsheer.

KLN 10.07

17 februari 2011

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT 's-HERTOGENBOSCH

Neemt de volgende beslissing op de klacht van [de oud-notaris], hierna te noemen klager, tegen mevrouw [de kandidaat-notaris], kandidaat-notaris te [ ], hierna te noemen de kandidaat-notaris.

1. De procedure

1.1 Op 20 mei 2010 heeft klager een klacht ingediend tegen de kandidaat-notaris.

1.2 Op 26 juli 2010 heeft de raadsman van de kandidaat-notaris op de klacht gereageerd.

1.3 Op 18 augustus 2010 heeft klager gerepliceerd.

1.4 Op 8 september 2010 heeft de raadsman van de kandidaat-notaris gedupliceerd.

1.5 Bij brief van 28 september 2010 heeft de plaatsvervangend voorzitter besloten de behandeling van de klacht door te verwijzen naar de volle kamer van toezicht.

1.6 De kamer van toezicht heeft de klacht behandeld ter openbare vergadering van 20 januari 2011. Klager is verschenen. De kandidaat-notaris is in persoon verschenen, alsook haar raadsman, mr. [K].

2. De feiten

2.1 De kandidaat-notaris is tot 1 februari 2010 werkzaam geweest als kandidaat-notaris bij het notariskantoor van klager. Per 1 februari 2010 is zij werkzaam als kandidaat-notaris bij [naam notariskantoor A] te [ ].

2.2 De kandidaat-notaris heeft vijf tussenpersonen die tot het klantenbestand van klager behoren aangeschreven op briefpapier van [naam notariskantoor]. In de brief van 26 maart 2010 aan [X] heeft zij onder meer geschreven:

‘Per 1 februari 2010 ben ik als kandidaat-notaris/estate-planner werkzaam bij [naam notariskantoor] te [ ]’ en ‘Eerder heb ik op een prettige wijze met je samengewerkt en ik hoop dat ik jou en je cliënten ook in de toekomst mag ontmoeten. Gelet op de afstand kunnen besprekingen/passeerafspraken ook bij jou op kantoor plaatsvinden.’

3. De klacht en het verweer daartegen

3.1 Klager stelt, zakelijk weergegeven, het navolgende.

De kandidaat-notaris heeft tussenpersonen uit het klantenbestand van haar vorige werkgever aangeschreven op een wijze die maakt dat zij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 17 eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) en in verband met de artikelen 17 en 18, eerste lid, van de Verordening beroeps- en gedragsregels (Vbg). Hij heeft weersproken dat de kandidaat-notaris vergelijkbare brieven heeft verzonden op het moment dat zij bij klager in dienst trad.

3.2 De kandidaat-notaris heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende opgeworpen.

De kandidaat-notaris betwist dat haar enig tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Zij realiseert zich evenwel dat zij in de ogen van klager ongewenst of onrechtmatig gedrag heeft laten zien. Klager heeft in het contract met de kandidaat-notaris geen relatiebeding laten opnemen. De kandidaat-notaris heeft in totaal vijf brieven aan tussenpersonen verzonden en daarin vermeld dat zij een nieuwe werkkring had. Deze brieven heeft zij verzonden (mede) op verzoek van de betreffende tussenpersonen. Deze brieven hebben naar haar mening geen wervend karakter. Met het sturen van de betreffende brieven is zij binnen de grenzen van de geldende gedragsregels gebleven. Daarnaast heeft zij dergelijke brieven ook geschreven op het moment dat zij bij klager in dienst kwam. De kandidaat-notaris heeft haar excuses aangeboden aan klager en aan de betreffende tussenpersonen.

4. De beoordeling

4.1 Een (kandidaat-)notaris dient zich jegens zijn of haar beroepsgenoot als een goede collega te gedragen (artikel 17, eerste lid, Vbg). Een (kandidaat-)notaris dient zoveel mogelijk te voorkomen dat de vrijheid van notariskeuze onnodig wordt beperkt (artikel 18, eerste lid, Vbg). Indien zij aan enkele van haar uit haar vorige werkkring bekende tussenpersonen een brief zou hebben gestuurd met haar nieuwe adresgegevens zou niet zonder meer onoorbaar ten opzichte van haar vorige werkgever zijn geweest. De kamer van toezicht oordeelt echter, dat - anders dan de kandidaat-notaris heeft betoogd - de inhoud van die brieven wel degelijk wervend is. Dat het in het onderhavige geval om het aanschrijven van ‘slechts’ vijf tussenpersonen gaat doet hieraan in het geheel niets af. De kandidaat-notaris heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 17 Wna, in verbinding met de artikelen 17, eerste lid, en artikel 18, eerste lid, van de Verordening beroeps- en gedragsregels. De kamer zal de klacht dan ook gegrond verklaren.

4.2 De kandidaat-notaris heeft zich gerealiseerd dat het versturen van de betreffende brieven niet correct was ten opzichte van klager en heeft hem haar excuses aangeboden. Zij heeft daarnaast een excuusbrief aan de vijf door haar aangeschreven tussenpersonen verzonden. Ook heeft nog een gesprek plaatsgevonden tussen de kandidaat-notaris en klager. Klager heeft de klacht ondanks deze excuses doorgezet.

4.3 In beginsel is in een geval als het onderhavige het opleggen van een maatregel in de vorm van een waarschuwing geboden. De kamer van toezicht zal rekening houden met het gegeven dat niet eerder bij de tuchtrechter is geklaagd over het handelen van de kandidaat-notaris. Daarnaast heeft zij klager en de door haar aangeschreven tussenpersonen haar excuses aangeboden en na het indienen van de klacht heeft een nader gesprek tussen de kandidaat-notaris en klager plaatsgevonden.

Klager heeft de kamer om een principiële uitspraak gevraagd. De kamer zal in het licht van deze feiten en omstandigheden volstaan met gegrondverklaring van de klacht en hieraan geen tuchtrechtelijke maatregel verbinden.

5. De beslissing

De kamer van toezicht:

verklaart de klacht gegrond.

Aldus gegeven te 's-Hertogenbosch door mr. J.P.M. van der Ham, plaatsvervangend voorzitter, mr. M.A.M. Kessels en mr. J.J.G.M. Kuijpers, leden, mr. H.G. Robers en mr. L.C.A.M. Meijers, plaatsvervangende leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2011, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift binnen dertig dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven waarbij van deze beslissing is kennis gegeven - bij het gerechtshof te Amsterdam, postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.