Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
23-000582-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7604, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:898, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak "Judo". Gevangenisstraf van 6 jaar voor diverse feiten waaronder mensenhandel en "loverboys". Algemene en bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs. Inhoud van “uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” en “misleiding”. Toewijzing aanzienlijke bedragen aan de benadeelde partijen. Seksuele gemeenschap met persoon in staat van bewusteloosheid en verminderd bewustzijn tengevolge van toedienen GHB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000582-10

datum uitspraak: 30 september 2011

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-529074-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

thans gedetineerd in PI Rijnmond locatie "De Schie" te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 30 november 2009, 2 en 9 december 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 8, 9 en 16 september 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1998 tot en met 30 september 2000

te Amsterdam en/of Alkmaar en/of Utrecht en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een of meer anderen, te weten [J. van O. ] en/of [J.D. ], en/of één of meer andere vrouwen,

door geweld en/of een of meer andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkhe(i)d(en), dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding tot prostitutie heeft gebracht,

dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat genoemde [J. van O. ] en/of [J.D. ] en/of een of meer andere vrouwen, daardoor in de prostitutie zou(den) belanden,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

(ten aanzien van [J. van O. ])(in de periode van 1 juli 1998 tot 30 september 2000)

- terwijl hij, verdachte, wist dat die [J. van O. ] kwetsbaar was en/of veel jonger dan verdachte was) een relatie met die [J. van O. ] aangeknoopt en/of gekregen en/of die relatie onderhouden, en/of

- die [J. van O. ] één of meerrnalen onderdak verschaft, en/of

- die [J. van O. ] laten zien en/of merken dat hij, verdachte, andere prostituees voor hem, verdachte, en/of voor zijn vriend(en) aan het werk had, waarbij hij, verdachte, tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat hij, verdachte, bereid was om dat werk op te geven ten behoeve van de relatie met die [J. van O. ], en/of

- die [J. van O. ] meermalen onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of gebracht in de prostitutie te gaan werken en/of aangezet tot prostitutie, (onder meer) door tegen haar te zeggen: "zullen we samen een goed leven gaan maken?" en/of door tegen haar te zeggen dat zij gingen sparen voor een gezamenlijke toekomst en/of een huis in Marokko en/of

- (telkens) voor (de deur van) de woning en/of de werkkamer van die [J. van O. ] gestaan om die [J. van O. ] (nauwlettend) in de gaten te houden en/of één of meer anderen de opdracht gegeven om die [J. van O. ] (nauwlettend) in de gaten te houden, en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen naar het werk en/of hotels gebracht en/of van het werk opgehaald, en/of

- die [J. van O. ] een tatoeage van/met de naam "[verdachte]" op haar arm laten zetten, en/of

- die [J. van O. ] gedwongen om voor hem, verdachte, één of meer vuurwapen(s) te verbergen en/of te bewaren ,en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen (met kracht) geslagen en/of geschopt, en/of

- die [J. van O. ] gedwongen om (ongeveer) 364 dagen per jaar, in elk geval bijna dagelijks, als prostituee te werken, en/of

- die [J. van O. ] gezegd en/of gedwongen om gedurende haar menstruatie door te gaan met prostitutiewerkzaamheden en daarbij een sponsje te gebruiken, en/of

- die [J. van O. ] (telkens) één of meer (afslank)pillen gegeven, zodat zij wakker kon blijven en dagelijks langdurig kon werken als prostituee, en/of

- die [J. van O. ] een of meer hondje(s) cadeau gegeven, nadat die [J. van O. ] aangaf eenzaam te zijn, en/of

- die [J. van O. ] één of meemalen met de dood bedreigd, en/of die [J. van O. ] (dreigend) de woorden toegevoegd: "Als je niet gaat, dan leg ik je om. Dan rijden we naar een meer en dan schiet ik je dood en dan dompel ik je in dat meer", althans woorden van gelijke aard of strekking, waarbij hij, verdachte, met die [J. van O. ] naar een meertje is gereden en (vervolgens) een vuurwapen op die [J. van O. ] gericht heeft gehouden, en/of

- (telkens) tegen die [J. van O. ] gezegd: 'Je bent niet veilig en als ik je wil doden dan doe ik dat toch wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- één of meermalen tegen die [J. van O. ] gezegd dat hij, verdachte, de familie van die [J. van O. ] zou vermoorden, en/of

- tegen die [J. van O. ] gezegd dat zij minimaal (ongeveer) ƒ 1.500,- per dag en in het weekeinde ƒ 3.000,- per dag moest verdienen met prostitutiewerkzaamheden, en/of

- (telkens, wanneer die [J. van O. ] zich verzette en/of aangaf niet (meer) te willen werken als prostituee) een (doorgeladen) vuurwapen tegen bet hoofd van die [J. van O. ] gehouden, en/of

- (gebruik makend van haar gevoelens voor hem) meermalen tegen die [J. van O. ] gezegd dat hij geldproblemen had en dat er onbetaalde rekeningen waren die betaald moesten worden en/of dat er verzekeringen betaald moesten worden en/of dat er toch geld verdiend moest worden, en/of

- die [J. van O. ] het gevoel gegeven dat zij geen keus had en/of dat zij in de prostitutie moest gaan en/of blijven werken, en/of

- die [J. van O. ] de indruk gegeven dat zij mocht stoppen met haar (gedwongen) prostitutiewerkzaamheden, terwijl die [J. van O. ] nog steeds door hem, verdachte, werd gedwongen om door te werken, en/of

- voor die [J. van O. ] een mobiele telefoon geregeld, waarop zij gebeld werd voor escortwerkzaamheden met of voor een derde, en/of

- (telkens) de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een bedrag van ongeveer ƒ 60.000,- per maand) en/of diverse sieraden en/of telefoons en/of andere (van klanten) ontvangen cadeaus van die [J. van O. ] afgepakt en/of laten afstaan,

en/of

(ten aanzien van [J.D. ])(in de periode van 1 september 1999 tot 31 januari 2000)

- (nadat hij in contact is gekomen met die [J.D. ] in het Wallengebied in Amsterdam en terwijl hij wist dat die [J.D. ] kwetsbaar en alleen was) tegen die [J.D. ] gezegd dat zij naar hem, verdachte, moest komen en/of zijn telefoonnummer aan die [J.D. ] gegeven, en/of

- die [J.D. ] opgehaald van haar werkplek en die [J.D. ] naar een hotel gebracht, en/of

- die [J.D. ] gezegd dat zij in Amsterdam prostitutiewerkzaamheden kon gaan verrichten, en/of

- tegen die [J.D. ] gezegd dat hij, verdachte, het door [J.D. ] verdiende geld zou bewaren, en/of

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een totaalbedrag van ongeveer ƒ 130.000,-, in elk geval een bedrag van gemiddeld ongeveer ƒ 10.000,- per week) van die [J.D. ] afgenomen en/of afgepakt en/of

- de slaapkamer van die [J.D. ] vernield, en/of de deur van de woning vernield, en/of

- die [J.D. ] één of meer pillen MDMA gegeven, zodat zij inde prostitutie zou (blijven) werken, en/of

- die [J.D. ] één of meer pillen MDMA gegeven met het doel deze pillen te doen verkopen door die [J.D. ],

(artikel 250ter, eerste lid, sub 1, wetboek van Strafrecht (oud))

Feit 2:

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005

te Amsterdam en/of Alkmaar en/of te Utrecht en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een of meer anderen, te weten [S.H.] en/of [M.C.] en/of [J. van O. ] en/of [M.P.] en/of [A. van D.] en/of één of meer andere vrouwen,

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot bet verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling

en/of

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [S.H.] en/of [M.C.] en/of [J. van O. ] en/of [M.P.] en/of [A. van D.] en/of één of meer andere vrouwen zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde(n), (sub I)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen van die [S.H.] en/of [M.C.] en/of [J. van O. ] en/of [M.P.] en/of [A. van D.] en/of één of meer andere vrouwen met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [S.H.] en/of [M.C.] en/of [J. van O. ] en/of [M.P.] en/of [A. van D.] en/of één of meer andere vrouwen zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van die handelingen, (sub 4)

en/of

die [S.H.] en/of [M.C.] en/of [J. van O. ] en/of [M.P.] en/of [A. van D.] en/of één of meer andere vrouwen, (telkens) door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen, (sub 6)

bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of bedreiging met die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of' dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of die misleiding en/of dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

(ten aanzien van [S.H.])(in de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005)

- (terwijl die [S.H.] prostitutiewerkzaamheden verrichtte in Den Haag) die [S.H.] met gebruikmaking van een personenauto heeft meegenomen naar Amsterdam en/of zijn woning in Den Haag, en/of

- (terwijl hij, verdachte, wist dat die [S.H.] kwetsbaar was) die [S.H.] voor een bedrag van ongeveer

€ 5.000,- heeft 'overgenomen' en/of gekocht van haar toenmalige vriend en/of pooier [S.K.], althans van een ander, en/of

- die [S.H.] één of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

- (alvorens hij, verdachte, die [S.H.] prostitutiewerkzaamheden liet verrichten) het haar van die [S.H.] heeft laten knippen en/of verzorgen, en/of

- het paspoort van die [S.H.] heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan, en/of

- (vervolgens) tegen die [S.H.] heeft gezegd dat als zij voor zichzelf wilde gaan werken, zij voornoemd paspoort kon terugkopen voor € 6.000,- en/of

- die [S.H.] onder druk heeft gezet en/of heeft gezegd dat zij nu voor hem, verdachte, prostitutiewerkzaamheden moest gaan verrichten, en/of

- die [S.H.] naar de Wallen in Amsterdam heeft gebracht en/of een kamer voor die [S.H.] heeft gehuurd, en/of

- condooms voor die [S.H.] heeft gekocht, en/of

- die [S.H.] heeft uitgelegd wat haar werktijden waren als prostituee, en/of

- die [S.H.] heeft gedwongen om voor de duur van (ongeveer) twee maanden aaneengesloten prostitutiewerkzaamheden te verrichten, waarbij die [S.H.] geen dagen vrijaf mocht hebben van verdachte, en/of

- die [S.H.] heeft gezegd en/of gedwongen om gedurende haar menstruatie prostitutiewerkzaamheden te (blijven) verrichten, en/of

- (telkens) een groot gedeelte van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden door die [S.H.] (te weten (ongeveer) € 75.000,-) heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en/of heeft afgepakt van die [S.H.], en/of

- (terwijl die [S.H.] prostitutiewerkzaamheden verrichtte) (telkens) in de buurt van die [S.H.] is gebleven en/of die [S.H.] (nauwlettend) in de gaten heeft gehouden, en/of één of meer anderen die [S.H.] in de gaten heeft laten houden, en/of

- die [S.H.] één of meermalen (met zijn vuisten) heeft geslagen en/of één of meerdere malen een kopstoot heeft gegeven, waardoor die [S.H.] (telkens) een blauw oog en/of een gescheurde wenkbrauw en/of een bloedlip opliep, althans pijn en/of letsel opliep, en/of

- die [S.H.] met een prullenbak op haar hoofd heeft geslagen, en/of

- (telkens) die [S.H.] heeft gedwongen om met hem, verdachte, en met één of meer van zijn vrienden seks te hebben, en/of

- die [S.H.] heeft gedwongen om € 5000,- te betalen in ruil voor haar vrijheid, en/of

- tegen die [S.H.] heeft gezegd dat zij, verdachte en zijn mededader(s) haar zullen doden en/of zullen laten doden als zij niet bij hem, verdachte, terug zou komen,

en/of

(ten aanzien van [M.C.])(in de periode van 1 oktober 2004 tot 1 januari 2005)

- (terwijl hij wist dat [M.C.] alleen en kwetsbaar was) met die [M.C.] een relatie is aangegaan, en/of tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik wil een serieuze relatie met jou" en "we gaan samen geld sparen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij, verdachte met die [M.C.] wilde gaan trouwen en kinderen met haar wilde, en/of

- die [M.C.] één of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

- tegen die [M.C.] heeft gezegd dat zij als prostituee op de Wallen in Amsterdam moest gaan werken, en/of die [M.C.] in de prostitutie heeft gebracht, en/of

- de verdiensten van de door [M.C.] verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan, waarbij hij, verdachte, tegen die [M.C.] heeft gezegd dat hij dit geld voor haar zou opsparen, en/of die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij dat geld van haar leende, en/of

- tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik ga jou pakken, Ik ga je leven kapotmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [M.C.] heeft gezegd en/of gedwongen om zeven dagen per week prostitutiewerkzaamheden te (blijven) verrichten, en/of

- (terwijl die [M.C.] prostitutiewerkzaamheden verrichtte) (telkens) in de buurt van die [M.C.] is gebleven en/of die [M.C.] nauwlettend in de gaten heeft (laten) (ge)houden,

en/of

(ten aanzien van die [J. van O. ])(in de periode van 30 september 2000 tot 1 januari 2005)

- (terwijl hij, verdachte, wist dat die [J. van O. ] kwetsbaar was en/of veel jonger dan verdachte was) een relatie met die [J. van O. ] is aangegaan en/of heeft gekregen en/of die relatie heeft onderhouden, en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

- die [J. van O. ] heeft laten zien en/of merken dat hij, verdachte, andere prostituees voor hem, verdachte, en/of voor zijn vriend(en) aan het werk had, waarbij hij, verdachte, tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat hij, verdachte, bereid was om dat werk op te geven ten behoeve van de relatie met die [J. van O. ], en/of

- die [J. van O. ] meermalen onder druk heeft gezet en/of er (zodoende) toe heeft aangezet en/of heeft gebracht om in de prostitutie te werken en/of heeft aangezet tot prostitutie, (onder meer) door tegen haar te zeggen: "zullen we samen een goed leven gaan maken?" en/of door tegen haar te zeggen dat zij gingen sparen voor een gezamenlijke toekomst en/of een huis in Marokko en/of

- (telkens) voor (de deur van de woning en/of de werkkamer van die [J. van O. ] is gaan staan om die [J. van O. ] (nauwlettend) in de gaten te houden en/of één of meer anderen de opdracht heeft gegeven om die [J. van O. ] (nauwlettend) in de gaten te houden, en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen naar het werk en/of hotels heeft gebracht en/of van het werk heeft opgehaald, en/of

- die [J. van O. ] een tatoeage van/met de naam "[verdachte]" op haar arm heeft laten zetten, en/of

- die [J. van O. ] heeft gedwongen om voor hem, verdachte, één of meer vuurwapen(s) te verbergen en/of te bewaren, en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of geschopt, en/of

- die [J. van O. ] heeft gedwongen orn (ongeveer) 364 dagen per jaar, in elk geval bijna dagelijks, als prostituee te (blijven) werken, en/of

- die [J. van O. ] heeft gezegd en/of gedwongen om gedurende haar menstruatie door te gaan met prostitutiewerkzaamheden en daarbij een sponsje te gebruiken, en/of

- die [J. van O. ] (telkens) één of meer (afslank)pillen heeft gegeven, zodat zij wakker kon blijven en dagelijks langdurig kon (blijven) werken als prostituee, en/of

- die [J. van O. ] een of meer hondje(s) cadeau heeft gegeven, nadat die [J. van O. ] aangaf eenzaam te zijn, en/of

- die [J. van O. ] één of meermalen met de dood heeft bedreigd, en/of die [J. van O. ] (dreigend) de woorden heeft toegevoegd: "Als je niet gaat, dan leg ik je om. Dan rijden we naar een meer en dan schiet ik je dood en dan dompel ik je in dat meer", althans woorden van gelijke aard of strekking, waarbij hij, verdachte, met die [J. van O. ] naar een meertje is gereden en (vervolgens) een vuurwapen op die [J. van O. ] gericht heeft gehouden, en/of

- (telkens) tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat zij niet veilig was en dat, als hij haar wilde doden, hij dat toch wel ging doen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- één of meermalen tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat hij, verdachte, de familie van die [J. van O. ] zou vermoorden, en/of

- tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat zij minimaal (ongeveer) ƒ 1.500,- per dag en in het weekeinde ƒ 3.000,- per dag moest verdienen met prostitutiewerkzaamheden, en/of

- (telkens, wanneer die [J. van O. ] zich verzette en/of aangaf niet (meer) te willen werken als prostituee) een (doorgeladen) vuurwapen tegen het hoofd van die [J. van O. ] heeft gehouden, en/of

- (gebruik makend van haar gevoelens voor hem) meermalen tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat hij geldproblemen had en dat er onbetaalde rekeningen waren die betaald moesten worden en/of dat er verzekeringen betaald moesten worden en/of dat er toch geld verdiend moest worden, en/of

- die [J. van O. ] het gevoel heeft gegeven dat zij geen keus had en/of dat zij in de prostitutie moest gaan en/of blijven werken, en/of

- die [J. van O. ] de indruk heeft gegeven dat zij mocht stoppen met haar (gedwongen) prostitutiewerkzaamheden, terwijl die [J. van O. ] nog steeds door hem, verdachte, werd gedwongen om door te werken, en/of

- voor die [J. van O. ] een mobiele telefoon heeft geregeld, waarop zij gebeld werd voor escortwerkzaamheden met of voor een derde, en/of

- (telkens) de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een bedrag van ongeveer ƒ 60.000,- gulden per maand) en diverse sieraden en/of telefoons en/of andere (van klanten) ontvangen cadeaus heeft laten afstaan en/of heeft afgepakt,

en/of

(ten aanzien van [M.P.])(in de periode van 1 juli 2004 tot 1 januari 2005)

- (terwijl die [M.P.] als prostituee werkzaam was) met die [M.P.] een relatie is aangegaan en/of heeft onderhouden en waarbij hij, verdachte, zich voordeed als ene "Nino', en/of

- tegen die[M.P.] heeft gezegd dat hij, verdachte, haar wel zou helpen, en/of

- tegen die [M.P.] heeft gezegd dat zij haar spullen moest pakken en dat zij met hem, verdachte, mee moest gaan, en/of vervolgens die [M.P.] in een hotelkamer in Den Haag heeft ondergebracht, en/of

- (vervolgens) tegen die [M.P.] heeft gezegd dat zij vanaf dat moment voor hem, verdachte, moest werken als prostituee, en/of

- een nieuwe simkaart voor die [M.P.] heeft geregeld, en/of

- die [M.P.] een of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

- (telkens) aan die [M.P.] heeft gevraagd wat zij met haar prostitutiewerkzaamheden verdiend had, en/of (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten ongeveer (minimaal) € 17.500,-) van die [M.P.] heeft afgepakt en/of door die [M.P.] heeft laten afstaan, en/of

- die [M.P.] heeft gezegd en/of gedwongen om gedurende haar menstruatie door te gaan met prostitutiewerkzaamheden en daarbij een sponsje te gebruiken, en/of

- die [M.P.] een of meermalen heeft geslagen en/of die [M.P.] tegen een harde stenen rand van een bed heeft aangegooid, en/of

- die [M.P.] één of meermalen heeft verkracht, althans één of meermalen heeft gedwongen om seks met hem, verdachte, te hebben, en/of

- die [M.P.], nadat zij klaar was met prostitutiewerkzaamheden, (telkens) met gebruikmaking van zijn, verdachtes, auto heeft vervoerd,

en/of

(ten aanzien van [A. van D.])(in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005)

- (terwijl hij wist dat die [A. van D.] alleenstaande moeder was en kwetsbaar was) met die [A. van D.] een relatie is aangegaan en/of die relatie heeft onderhouden, en/of

- tegen die [A. van D.] heeft gezegd dat hij, verdachte voor haar en voor haar kind zou gaan zorgen, en/of

- die [A. van D.] onderdak heeft verschaft, en/of

- die [A. van D.] (telkens) heeft geslagen en/of geschopt, en/of

- (door het inspelen op de gevoelens van die [A. van D.]) die [A. van D.] onder druk heeft gezet en/of tegen die [A. van D.] heeft gezegd dat zij prostitutiewerkzaamheden moest gaan en/of blijven verrichten, en/of die [A. van D.] in de prostitutie heeft gebracht, en/of

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een totaalbedrag van ongeveer € 416.000,- in elk geval een bedrag van gemiddeld ongeveer € 400,- per week) van die [A. van D.] heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en/of die [A. van D.] weinig van haar verdiensten heeft laten houden, en/of

- die [A. van D.] (telkens) met gebruikmaking van zijn, verdachtes, auto naar haar werk heeft gebracht, en/of

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 26 november 2008

te Amsterdam en/of te Alkmaar en/of te Utrecht en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een of meer anderen, te weten [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen,

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of door dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen, (sub I)

en/of

die [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen

en/of

met één van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (sub 4)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van voornoemde [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen (sub 6)

en/of

die [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [A. van D.] en/of [M.C.] en/of [S.F.] en/of [A. van der H.] en/of een of meer andere vrouwen met of voor een derde, (sub 9)

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of die dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat voordeel trekken hierin dat hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

(ten aanzien van [A. van D.])(in de periode van 1januari 2005 tot 26 november 2008)

- (terwijl hij wist dat die [A. van D.] alleenstaande moeder was en/of kwetsbaar was) met die [A. van D.] een relatie is aangegaan, en/of die relatie heeft onderhouden, en/of

- tegen die [A. van D.] heeft gezegd dat hij, verdachte voor haar en voor haar kind zou gaan zorgen, en/of

- die [A. van D.] (meermalen) onderdak heeft verschaft, door haar in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven, en/of

- die [A. van D.] (telkens) heeft geslagen en/of geschopt, en/of

- (door het inspelen op de gevoelens van die [A. van D.]) die [A. van D.] onder druk heeft gezet en/of tegen die [A. van D.] heeft gezegd dat zij prostitutiewerkzaamheden moest gaan en/of blijven verrichten, en/of die [A. van D.] in de prostitutie heeft gebracht, en/of

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een totaalbedrag van ongeveer € 416.000,- in elk geval een bedrag van gemiddeld ongeveer € 400,- per week) van die [A. van D.] heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en/of die [A. van D.] weinig van haar verdiensten heeft laten houden, en/of

- die [A. van D.] met gebruikmaking van een honkbalknuppel een gebroken ellepijp heeft geslagen, en/of

- die [A. van D.] (telkens) met gebruikmaking van zijn, verdachtes, auto naar haar werk heeft gebracht, en/of

- tegen die [A. van D.] heeft gezegd: "Nu weet ik helemaal dat je niet bij je moeder bent. Ga niet doen alsof ik dom ben. Ik kom daar en breek je hele kankergebit', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- tegen de moeder van die [A. van D.] heeft gezegd: "Als ik haar nu in mijn handen krijg. Ik snij haar gewoon helemaal open. Wat dacht u daar van mama?" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- één of meermalen voor de deur van de ouders van die [A. van D.] is gaan staan en/of (telefonisch) contact heeft gezocht met die ouders, en/of

- de zoon van die [A. van D.] (te weten [naam zoon]) heeft meegenomen bij de ouders van die [A. van D.] vandaan, en/of

- (vervolgens) die [A. van D.] heeft opgebeld en/of heeft gezegd dat hij haar zoon had en/of dat zij bij hem terug moest komen,

en/of

(ten aanzien van [M.C.])(in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 mei 2007)

- (terwijl hij wist dat [M.C.] alleen en kwetsbaar was) met die [M.C.] een relatie is aangegaan, en/of tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik wil een serieuze relatie met jou" en "We gaan samen geld sparen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij, verdachte met die [M.C.] wilde gaan trouwen en kinderen met haar wilde, en/of

- die [M.C.] één of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

- tegen die [M.C.] heeft gezegd dat zij als prostituee op de wallen in Amsterdam moest gaan werken, en/of die [M.C.] in de prostitutie heeft gebracht, en/of

- de verdiensten van de door [M.C.] verrichte prostitutiewerkzaamheden (een geldbedrag van in totaal ongeveer € 702.000,-) heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan, waarbij hij, verdachte, tegen die [M.C.] zei dat hij dit geld voor haar zou sparen, en/of die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij dat geld van haar leende, en/of

- tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik ga jou pakken, ik ga je leven kapotmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [M.C.] heeft gezegd en/of gedwongen om zeven dagen per week prostitutiewerkzaamheden te (blijven) verrichten, en/of

- een vuurwapen tegen het hoofd van die [M.C.] heeft gehouden, en/of

- (terwijl die [M.C.] prostitutiewerkzaamheden verrichtte) (telkens) in de buurt van die [M.C.] is gebleven en/of die [M.C.] (nauwlettend) in de gaten heeft gehouden, en/of

- die [M.C.] heeft gedwongen een tatoeage te laten zetten met de naam "[verdachte]", en/of

- die [M.C.] heeft gedwongen en/of heeft gezegd één of meer geldbedragen over te maken naar een (Marokkaanse) bankrekening van hem, verdachte, en/of een ander, en/of

- (nadat die [M.C.] een nieuwe liefdesrelatie kreeg en naar haar familie in Roemenië is gegaan) die [M.C.] heeft opgebeld, en/of heeft gezegd dat zij terug moest komen bij hem, verdachte, en/of gezegd dat hij die [M.C.] en haar vriend zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of

(ten aanzien van [S.F.])(in de periode van 1 juli 2007 tot 1 september 2007)

- (nadat hij die [S.F.] in het uitgaansleven heeft leren kennen) met die [S.F.] een relatie is aangegaan en/of heeft onderhouden, en/of

- die [S.F.] heeft voorgesteld om bij hem, verdachte, te komen wonen, en/of

- die [S.F.] onderdak heeft verschaft door haar in zijn, verdachtes, woning te laten verblijven, en/of

- voor die [S.F.] een nieuwe simkaart en/of kleding en/of cadeaus heeft gekocht, en/of

- (telkens) tegen die [S.F.] heeft gezegd dat hij, verdachte, geld nodig had, en/of

- (kort nadat die [S.F.] met hem, verdachte is gaan samenwonen) die [S.F.] heeft voorgesteld dat zij voor hem, verdachte, in de prostitutie zou gaan werken, terwijl hij wist dat die [S.F.] alleen en/of kwetsbaar was en/of problemen met haar familie had, en/of

- (vervolgens) die [S.F.] het telefoonnummer van een (prostitutie)kamerverhuurbedrijf heeft gegeven, en/of met haar naar het prostitutiegebied in Amsterdam is gereden en/of geld heeft gegeven voor de huur van een werkkamer, en/of

- die [S.F.] wegwijs heeft gemaakt in de prostitutie en heeft gezegd hoeveel geld zij voor de prostitutiewerkzaamheden moest vragen, en/of

- tegen die [S.F.] heeft gezegd dat zij geen contact met anderen mocht hebben, en/of

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden (te weten een totaalbedrag van ongeveer € 3.500,-) van die [S.F.] heeft afgepakt en/of heeft laten afstaan aan hem, verdachte, en/of die [S.F.] weinig van haar verdiensten heeft laten houden, en/of

- die [S.F.] haar spaargeld aan hem, verdachte, heeft laten afstaan,

en/of

(ten aanzien van [A. van der H.])(in de periode van 1 december 2005 tot 26 november 2008)

- (nadat hij die [A. van der H.] in het uitgaansleven heeft leren kennen en hij wist dat zij veel jonger dan verdachte was) met die [A. van der H.] een relatie is aangegaan en/of heeft onderhouden, en/of

- die [A. van der H.] onderdak heeft verschaft, en/of

- (gebruikmakend van haar gevoelens voor hem) tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij niet met andere jongens om mocht gaan en/of mocht uitgaan en/of die [A. van der H.] (zodoende) onder druk heeft gezet, en/of

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat hij, verdachte, geldproblemen had en/of dat er geld verdiend moest worden, en/of

- die [A. van der H.] het gevoel heeft gegeven dat zij het geld moest gaan verdienen, waarbij hij, verdachte, de indruk wekte dat hij een toekomst wilde opbouwen met die [A. van der H.], en/of

- (vervolgens) tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij condooms moest gaan kopen, en/of

- aan die [A. van der H.] diverse telefoonnummers heeft gegeven voor het regelen van een prostitutiekamer, en/of tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij moest bellen en een kamer moest regelen, en/of

- (vervolgens) tegen [A. van der H.] heeft gezegd dat zij lingerie moest meebrengen, en/of die [A. van der H.] heeft opgehaald met de auto en heeft afgezet bij de werkplek in Amsterdam, en/of

- die [A. van der H.] geld heeft gegeven voor de huur van een werkkamer, en/of

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat ze het voor bet geld moest doen en dat ze niet aan de mannen moest denken waarmee zij seks zou hebben;

Subsidiair, doch slechts voor zover hetgeen in het voorgaande tekstblok over [A. van der H.] niet tot een bewezenverklaring of strafoplegging mocht leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 26 november 2008 te Amsterdam en/of te Alkmaar en/of te Utrecht en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een ander genaamd [A. van der H.], en/of een of meer andere vrouwen,

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

te werven, vervoeren, over te brengen, te huisvesten, en/of op te nemen, met het oogmerk van uitbuiting van die [A. van der H.] en/of één of meer andere vrouwen,

en/of

die [A. van der H.] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen te dwingen en/of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen

en/of

opzettelijk voordeel te trekken uit de (voorgenomen) uitbuiting van die [A. van der H.] en/of een of meer andere vrouwen,

en/of

die [A. van der H.] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één van de voornoemde middelen te dwingen en/of te bewegen hem, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [A. van der H.] en/of een of meer andere vrouwen met of voor een derde

- (nadat hij die [A. van der H.] in het uitgaansleven heeft leren kennen en hij wist dat zij veel jonger was dan verdachte) met die [A. van der H.] een relatie is aangegaan en/of heeft onderhouden, en/of

- die [A. van der H.] één of meermalen onderdak heeft verschaft, en/of

-(gebruikmakend van haar gevoelens voor hem) tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij niet met andere jongens om mocht gaan en/of mocht uitgaan en/of die [A. van der H.] (zodoende) onder druk heeft gezet, en/of

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat hij, verdachte, geldproblemen had en/of dat er geld verdiend moest worden, en/of

- die [A. van der H.] het gevoel heeft gegeven dat zij het geld moest gaan verdienen, waarbij hij, verdachte, de indruk wekte dat hij een toekomst wilde opbouwen met die [A. van der H.], en/of

- (vervolgens) tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij condooms moest gaan kopen, en/of

- aan die [A. van der H.] diverse telefoonnummers heeft gegeven voor het regelen van een prostitutiekamer, en/of tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij moest bellen en een kamer moest regelen, en/of

- (vervolgens) tegen [A. van der H.] heeft gezegd dat zij lingerie moest meebrengen, en/of die [A. van der H.] heeft opgehaald met de auto en heeft afgezet bij de werkplek in Amsterdam, en/of

- die [A. van der H.] geld heeft gegeven voor de huur van een werkkamer, en/of

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat ze het voor het geld moest doen en dat ze niet aan de mannen moest denken waarmee zij seks zou hebben;

Feit 4:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 26 november 2008,

te Amsterdam en/of te Alkmaar en/of te Utrecht en/of te Den Haag, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, in elk geval alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s),

(telkens) één of meer geldbedrag(en) en/of een of meer betalingen en/of ontvangsten uit prostitutiewerkzaamheden van één of meer vrouw(en) verworven en/of voorhanden gehad, te weten (onder meer)

- ten aanzien van [S.H.] een totaalbedrag van (ongeveer) € 75.000,- en/of

- ten aanzien van [M.C.] een totaalbedrag van (ongeveer) € 702.000,- en/of

- ten aanzien van [J. van O. ] een bedrag van (ongeveer) ƒ 60.000,- per maand, in elke geval een geldbedrag, en/of

- ten aanzien van [M.P.] een totaalbedrag van (ongeveer) € 17.500,- en/of

- ten aanzien van [A. van D.] een totaalbedrag van (ongeveer) € 416.000,- en/of

- ten aanzien van [S.F.] een totaalbedrag van (ongeveer) € 16.000,-

en/of één of meer andere geldbedrag(en) en/of voorwerp(en), terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven;

Feit 5:

hij op of omstreeks 14 november 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

opzettelijk mishandelend

- [S. de la P.] één of meermalen (met gebalde vuist) met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, en/of

- [N. de la P.] één of meermalen (met gebalde vuist) met kracht tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor voornoemde [S. de la P.] en/of [N. de la P.] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

Feit 6:

hij op een tijdstip in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 15 augustus 2008

te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

aan [A. van D.] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm (gebroken ellepijp), heeft toegebracht, door voornoemde [A. van D.] met dat opzet één of meermalen met een honkbalknuppel, althans met een hard voorwerp tegen het lichaam, althans tegen de (linker)arm van die [A. van D.] te slaan;

Feit 7:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 26 november 2008

te 's-Gravenhage en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Alkmaar, in elk geval in Nederland,

opzettelijk mishandelend (telkens) [A. van D.] een of meermalen met gebalde vuist en/of met een hard voorwerp tegen het lichaam en/of tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [A. van D.] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 8:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 26 november 2008

te 's-Gravenhage en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of te Alkmaar, in elk geval in Nederland

(telkens) [A. van D.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een of meermalen met een honkbalknuppel gezwaaid in de richting van die [A. van D.] en/of (daarbij) de woorden gebezigd,

- "Jij betaalt!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of een of meermalen dreigend (telefonisch) de woorden gebezigd:

- "Ik kom daar en breek je hele kankergebit" en/of

- "Ik slacht jou" en/of

- "Jij solliciteert ernaar dat ik die kankernek helemaal opensnij", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of sms-berichten naar die [A. van D.] gestuurd, met daarin de tekst:

- "Zoals ik al zei ik weet alles en dan ook echt alles en jij gaat boeten" en/of

- "Nee, dat zei je ook over japa tot ik begon te verbouwen en op eens was de verhaal anders", en/of

- "fuck you ik ga morgen bij de je familie langs een voor een", en/of één of meer andere dreigende sms-berichten;

Feit 9:

hij op of omstreeks 30 mei 2008 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland,

met [V.K. ], van wie hij, verdachte, wist dat die [V.K. ] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [V.K. ] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [V.K. ], waarbij hij, verdachte

- die [V.K. ] een (longdrink)glas cola, met daarin (vermoedelijk) de drug [slachtoffer], althans een slaapverwekkend middel, heeft gegeven, en/of

- (vervolgens) die [V.K. ] heeft uitgekleed, en/of

- die [V.K. ] naar de slaapkamer heeft meegenomen, en/of

- met zijn penis de vagina van die [V.K. ] is binnengedrongen, terwijl die [V.K. ] meermalen buiten bewustzijn is geraakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot andere beslissingen komt ten aanzien van de bewezenverklaring.

Het bewijs

Algemene beschouwing met betrekking tot de tenlasteleggingen met betrekking tot mensenhandel

De onderhavige strafzaak is het resultaat van een omvangrijk, onder de noemer "13Judo", verricht onderzoek naar mensenhandel. Andere verdachten die in dit onderzoek zijn vervolgd zijn eerder dit jaar door dit hof, in andere samenstelling, berecht en veroordeeld. Het hof heeft van de arresten in deze zaken kennis genomen en heeft zich laten inspireren door de algemene overwegingen die daarin zijn opgenomen. De hierna volgende overwegingen zijn dan ook ten dele gelijkluidend aan de genoemde overwegingen.

In algemene zin wordt de rol van de verdachte in het dossier omschreven als die van "loverboy": in het kader van een affectieve relatie zouden vrouwen met wie de verdachte een relatie is aangegaan worden bewogen zich te prostitueren, waarna de verdachte voordeel zou trekken uit de opbrengst van die prostitutie. Aldus zou een situatie zijn ontstaan van seksuele uitbuiting die vervolgens met behulp van diverse dwangmiddelen door de verdachte in stand zou zijn gehouden.

Het hof heeft de juistheid van deze stellingen onderzocht. Het overweegt daaromtrent in algemene zin het volgende.

De complexiteit die de verhoudingen tussen de verdachte en de betrokken vrouwen kenmerkt, bemoeilijkt in aanzienlijke mate de rechterlijke taak van feitenvaststelling, van waardering van de rollen die elk van de betrokkenen heeft gespeeld, alsmede van hun onderlinge machts- en zeggenschapsverhouding.

Ten eerste laten de verhoudingen tussen de verdachte en de betrokken vrouwen - met name die, met wie hij een langdurige relatie heeft gehad - zich typeren door een onmiskenbare ambivalentie. Uit de door de vrouwen afgelegde verklaringen en ook overigens uit het dossier (waaronder ook uit de daarin opgenomen afgeluisterde telefoongesprekken) komt een beeld naar voren dat zij zich enerzijds in zeer sterke mate aangetrokken voelden tot de verdachte, maar anderzijds zich soms - en zeker naarmate de relatie langer duurde - ook wilden onttrekken aan zijn invloed.

Een ander aspect van de hiervoor bedoelde complexiteit betreft de kwetsbare omstandigheden waarin sommige van de vrouwen verkeerden toen zij met de verdachte in contact kwamen, in die zin dat zij afkomstig waren uit een problematische opvoedingssituatie of problematische familieverhoudingen, op straat leefden en/of afhankelijk waren van hulp en onderdak die hen door anderen werden verleend. Ook was in veel gevallen sprake van een leeftijdsverschil, in die zin dat de verdachte aanzienlijk ouder was dan die vrouwen, die bij de aanvang van de relatie veelal rond de 18 tot 20 jaar oud waren.

Het wettelijk kader met betrekking tot mensenhandel

Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, seksuele uitbuiting ten aanzien van verschillende vrouwen.

Gedurende de in de tenlastelegging vermelde pleegperioden is de wettelijke delictsomschrijving in het Wetboek van Strafrecht (Sr) enkele malen gewijzigd. Dit heeft geresulteerd in een deels cumulatieve tenlastelegging waarin, afhankelijk van de pleegperiode, de beschuldiging op uiteenlopende wijzen is verwoord.

De strafbepalingen, voor zover van belang in de onderhavige zaak, houden kort en zakelijk weergegeven, het volgende in.

In de periode 1 oktober 2000 tot 31 december 2004 was seksuele uitbuiting strafbaar gesteld in artikel 250a Sr. Per 1 oktober 2002 is een kleine wijziging van de delictsomschrijving van kracht geworden die in dit verband buiten beschouwing kan blijven. Met ingang van 1 januari 2005 zijn de bepalingen inzake seksuele uitbuiting, die tot dan toe waren opgenomen in de titel betreffende misdrijven tegen de zeden, in een aanmerkelijk gewijzigde redactie als artikel 273a Sr opgenomen in de titel betreffende misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Daarbij is in de delictsomschrijving het begrip "mensenhandel", dat tot 1 oktober 2000 in de voorloper van artikel 250a Sr (250ter Sr) was opgenomen, geherintroduceerd.

Een vernummering tot artikel 273f Sr, in werking getreden op 1 september 2006, heeft geen inhoudelijke wijziging gebracht in de bepaling zelf.

In bovengenoemde bepalingen is onder meer strafbaar gesteld, voor zover thans van belang en met abstrahering van de verschillen in redactie van de bepalingen, het, met toepassing van zekere dwangmiddelen, verrichten van handelingen, ertoe leidend dat een persoon zich prostitueert. Daarnaast is strafbaar gesteld het trekken van voordeel uit gedwongen vormen van prostitutie en het met gebruik van een van de in het eerste lid onder 1° genoemde middelen dwingen dan wel bewegen van een prostituee (een deel van) de opbrengst van (niet gedwongen) prostitutie af te staan.

Algemene overwegingen over de tenlastelegging van mensenhandel en de beoordeling ervan: het toetsingskader

Aan de verdachte is onder de feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegd dat hij telkens gebruik heeft gemaakt van de volgende dwangmiddelen:

- geweld of een andere feitelijkheid,

- bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,

- misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht,

- misbruik van een kwetsbare positie (ten aanzien van de feiten ten laste gelegd als overtreding van artikel 273a (oud) Sr en/of 273f Sr), en

- misleiding.

Voor de toepassing van deze wettelijke omschrijvingen van de onderscheiden dwangmiddelen acht het hof in deze zaak, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, het volgende van belang.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat instemming met seksuele uitbuiting niet in de weg hoeft te staan aan bewezenverklaring van die uitbuiting, indien één van de dwangmiddelen is gebruikt. Evenmin is de omstandigheid dat het slachtoffer voorafgaand aan de uitbuitingssituatie reeds werkzaam was als prostituee een beletsel voor een bewezenverklaring.

Voorts is beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer reeds voldoende om het gedwongen karakter van de prostitutie aan te nemen. Er hoeft geen sprake te zijn geweest van zodanige dwang of druk dat voor de betrokkene geen andere keuze meer mogelijk was.

Tot slot mag de rechter (mede) uit de omstandigheden afleiden dat sprake is van misleiding of van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Hoewel deze aan de wetsgeschiedenis ontleende elementen zowel elk afzonderlijk als in samenhang de drempel voor een bewezenverklaring onder omstandigheden kunnen verlagen, wordt daardoor het toetsingskader evenwel niet minder problematisch. In dat verband overweegt het hof het navolgende.

De wetgever heeft in 1997 het bordeelverbod opgeheven. Als onderdeel van deze wetgevingsoperatie is het verbod op exploitatie van vrouwen door prostitutie uit het Wetboek van Strafrecht verwijderd.

Het strafrecht is daarmee in het bijzonder een instrument geworden bij de bestrijding van onvrijwillige vormen van prostitutie. Met name in strafzaken waarin het verwijt inhoudt dat er sprake is geweest van zogeheten loverboy-activiteiten, vormt de vraag naar de afbakening van vrijwillige en gedwongen prostitutie de kern van de beoordeling.

De referentie voor de beoordeling van de vraag of sprake is van vrijwilligheid is de "gemiddelde mondige prostituee in Nederland", die, zo lijkt te zijn verondersteld, zelf bepaalt waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt. Daar tegenover staat de prostituee die feitelijk niet de mogelijkheid heeft zich te onttrekken aan exploitatie ten gevolge van het gebruik van geweld of andere dwang- of drukmiddelen, of die wordt misleid.

Het hof neemt aan, zoals hierna uit nadere bewijsoverwegingen uitgebreider zal volgen, dat de verdachte met enkele van de in de tenlastelegging vermelde vrouwen een onevenwichtige relatie heeft gehad, in die zin dat sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen hem en de betrokken jong-volwassen vrouwen, dat deze vrouwen kwetsbaar waren ten gevolge van een moeizame jeugd, dan wel ten gevolge van de omstandigheden waarin zij zich bevonden toen zij de verdachte ontmoetten en/of dat deze vrouwen (hevig) verliefd op hem waren. De verdachte daarentegen had reeds vanaf 1998 ervaring in de wereld van de prostitutie en liet verschillende vrouwen voor zich in de prostitutie werken. Dit brengt mee, dat kan worden aangenomen dat de verdachte in die gevallen een overwicht had op de betrokken vrouwen.

Voor een bewezenverklaring is echter voorts vereist dat sprake is geweest van misbruik van dit uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en bovendien, dat dit misbruik instrumenteel is ingezet om de vrouwen te bewegen zich beschikbaar te stellen voor seksuele handelingen met anderen tegen betaling.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 februari 2002 (LJN: AD5235) overwogen en beslist dat voor een bewezenverklaring van misbruik van overwicht is vereist, dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene, waaruit het overwicht voortvloeit dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat ten minste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn geweest.

De tenlastelegging bevat - kennelijk ter uitwerking van het verwijt van misleiding - enkele onderdelen van sterk subjectieve aard, die door de rechtbank bewezen zijn verklaard. Het hof doelt hierbij onder meer op het aangaan en onderhouden van een relatie en het voorspiegelen van een mooie gezamenlijke toekomst. Ook voorwendsels en onoprechte beloften - wat daarvan overigens zij - behoeven bewijs, dat naar oordeel van het hof niet mag worden afgeleid louter vanuit een impliciet waardeoordeel over de relaties, zoals deze in het dossier worden gepresenteerd, of over de reputatie van de bedrijfstak.

Slechts als uit feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de uitingen van de verdachte wel onoprecht geweest moeten zijn, kan het bewijs van misleiding worden aangenomen.

De bewijsminimumregel ten aanzien van getuigenbewijs

De raadsman heeft bij pleidooi aandacht gevraagd voor de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en hij heeft gesteld dat met betrekking tot veel van de ten laste gelegde feiten niet aan het in deze regel vervatte vereiste is voldaan.

Volgens deze bepaling kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

De Hoge Raad heeft het belang van deze bepaling bij herhaling onderstreept door te overwegen dat deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Een nadere invulling wordt door de Hoge Raad echter niet gegeven met de motivering dat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van het concrete geval vergt.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid allereerst, dat voldoende is dat de bewezenverklaring als geheel door meer dan één bewijsmiddel wordt geschraagd, waaronder dient te worden verstaan dat er, buiten de getuigenverklaring, een tweede onafhankelijke bewijsgrond bestaat. Deze tweede bewijsgrond kan direct inhoudelijk betrekking hebben op één of meer onderdelen van de tenlastelegging, maar dit is niet noodzakelijk. In geval van een meer indirect verband tussen de eerste en de tweede bewijsgrond wordt de deugdelijkheid van de bewijsconstructie bepaald door de motivering die de rechter ervoor heeft gegeven. Een verklaring van een getuige waarin deze uitsluitend bevestigt hetgeen deze van de andere getuige heeft gehoord, kan zonder bijkomend bewijsmateriaal niet als zodanige tweede bewijsgrond gelden.

De aard van de ten laste gelegde feiten en de besloten relationele context waarin dit type misdrijven doorgaans wordt gepleegd brengen met zich dat aanvullend bewijs regelmatig bestaat in ondersteunende verklaringen die zijn gebaseerd op mededelingen die de betrokken aangeefsters of slachtoffers over de feiten of over de verdachte ten overstaan van derden hebben gedaan. Het hof zal telkens hebben te beoordelen of de getuigen nader hebben verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij wetenschap hebben gekregen van de informatie, of hun weergave daarvan aannemelijk is en of hieraan een oordeel valt te ontlenen over de betrouwbaarheid.

Partiële vrijspraken

Met betrekking tot [J.D. ] (feit 1, zaaksdossier 29)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 1 ten aanzien van [J.D. ] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot [J.D. ] ten laste is gelegd. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van [J.D. ] geen steun vinden in de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

[J.D. ] heeft verklaard dat zij, om van haar Turkse pooier af te komen, contact heeft opgenomen met de verdachte. Nadat de verdachte haar is komen ophalen hebben ze eerst enkele dagen in een hotel doorgebracht. Vervolgens is zij voor hem in de prostitutie gaan werken en kregen zij een relatie. Zij verklaart over deze relatie dat zij de verdachte leuk vond, maar dat 'verliefd' een groot woord was voor hoe zij zich voelde. Zij heeft niet verklaard dat de verdachte haar de relatie mooier heeft voorgespiegeld dan die daadwerkelijk was. Zij heeft ten overstaan van de rechter-commissaris voorts verklaard dat de verdachte haar, gedurende deze ongeveer drie maanden durende relatie, nimmer heeft mishandeld. Zij heeft weliswaar verklaard dat de verdachte het door haar verdiende geld innam, maar heeft niet duidelijk verklaard waarom ze zich daartegen niet heeft verzet. Voor zover de verdachte jegens haar agressief is geweest en haar eigendommen heeft vernield, lijken deze handelingen zich eerst na het beëindigen van de relatie met en haar werkzaamheden als prostituee voor de verdachte te hebben plaatsgevonden.

Reeds hierom kan het hof niet tot een bewezenverklaring komen.

Voorts overweegt het hof dat uit de zich in het dossier bevindende verklaringen waarnaar de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft verwezen, niet méér blijkt dan dat [J.D. ] voor de verdachte als prostituee werkzaam was. Niet blijkt daaruit of en zo ja met welke middelen de verdachte [J.D. ] ertoe heeft gebracht zich te prostitueren. Ten aanzien van de verklaring van de getuige [B.] merkt het hof nog op dat diens verklaring betrekking heeft op een moment dat de relatie tussen [J.D. ] en de verdachte reeds was geëindigd. Deze relatie was, zo blijkt uit de verklaringen van [J.D. ], op oudejaarsavond 1999 beëindigd. De verklaring van [B.] dat de verdachte [J.D. ] op 15 januari 2000 heeft uitgescholden en dat [J.D. ] bang voor hem was kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat de verdachte [J.D. ] ertoe heeft gebracht zich te prostitueren.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [J.D. ] is ten laste gelegd en zal het de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot [S.H.] (feit 2)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 2 ten aanzien van [S.H.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot [S.H.] ten laste is gelegd. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van [S.H.] innerlijk inconsistent en onvoldoende betrouwbaar zijn en bovendien geen steun vinden in de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

[S.H.] heeft meerdere verklaringen afgelegd bij de politie. Daaruit kan worden afgeleid dat het leven van [S.H.] wordt gekenmerkt door een aaneenschakeling van misbruik en mishandeling door verschillende mannen, zoals haar stiefvader en meerdere pooiers die haar 'doorverkochten'. Zij heeft verklaard dat zij op een gegeven moment 'van [verdachte]' was en voor hem als prostituee moest gaan werken, en voorts dat hij het door haar verdiende geld van haar afpakte. Hoe treurig het door haar geschetste beeld ook moge zijn, uit de zich in het dossier bevindende verklaringen en mutatie waarnaar de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft verwezen, waaruit niet méér naar voren komt dan dat [S.H.] voor de verdachte als prostituee werkzaam was en dat hij haar een blauw oog heeft geslagen, blijkt onvoldoende of en zo ja met welke middelen de verdachte [S.H.] ertoe heeft gebracht of bewogen zich te prostitueren, dan wel hem uit de opbrengst daarvan te bevoordelen.

Bij gebrek aan ondersteunend bewijs acht het hof derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [S.H.] is ten laste gelegd en zal het de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot [M.P.] (feit 2)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 2 met betrekking tot [M.P.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep tot vrijspraak gerekwireerd. Ook de verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van [M.P.].

Het hof acht, met de verdediging en de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [M.P.] is ten laste gelegd en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de door [M.P.] gereleveerde feiten en omstandigheden, hoe authentiek en geloofwaardig die ook lijken, op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Met betrekking tot [M.C.] (feit 2 en 3)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 2 en 3 ten aanzien van [M.C.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd.

De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem met betrekking tot [M.C.] ten laste is gelegd.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal heeft het hof niet de overtuiging bekomen dat de verdachte [M.C.] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en evenmin dat de verdachte enige handeling heeft ondernomen waardoor [M.C.] zich tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen en tapgesprekken, waaruit blijkt dat [M.C.] voor de verdachte als prostituee werkzaam was, blijkt hieromtrent onvoldoende.

Wel is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [M.C.] heeft bewogen hem uit de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden te bevoordelen, zoals hierna nader toegelicht.

Met betrekking tot [A. van D.] (feit 2 en 3)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 2 en 3 met betrekking tot [A. van D.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd.

De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder de feiten 2 en 3 met betrekking tot [A. van D.] ten laste is gelegd. Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat uit de verklaringen van [A. van D.] volgt dat zij vrijwillig in de prostitutie heeft gewerkt en dat uit verklaringen van getuigen het tegendeel niet kan blijken.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

[A. van D.] heeft verklaringen afgelegd bij de politie op 26 november 2008, bij de rechter-commissaris op 16 november 2009 en ter terechtzitting in hoger beroep op 8 september 2011. Op het punt van de - kort gezegd - seksuele uitbuiting heeft zij steeds verklaard dat zij een relatie heeft met de verdachte, maar dat zij vóórdat zij hem leerde kennen al in de prostitutie werkzaam was, dat de verdachte haar niet heeft gedwongen als prostituee te werken en dat zij door hem niet is gedwongen verdiensten uit haar werk als prostituee aan hem af te geven.

Naar het oordeel van het hof dient in een geval als het onderhavige, waarin het vermeende slachtoffer zelf heeft verklaard dat zich geen uitbuiting heeft voorgedaan, niet te snel van de onjuistheid van die verklaring te worden uitgegaan en dient de inhoud van die verklaring in aanzienlijke mate met bewijsmiddelen, waaruit het tegendeel blijkt, te worden gecompenseerd, wil een bewezenverklaring kunnen volgen.

Het hof stelt vast dat de zich in het dossier bevindende verklaringen, mutaties en telefoongesprekken waarnaar de advocaat-generaal in haar requisitoir heeft verwezen, voor die compensatie ontoereikend zijn. Weliswaar lijkt daaruit een patroon naar voren te komen van min of meer regelmatige mishandelingen en bedreigingen van [A. van D.], maar van een rechtstreeks verband tot haar werkzaamheden als prostituee is daaruit niet gebleken. Ook overigens heeft het hof in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen aangetroffen om tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte op dit punt met betrekking tot [A. van D.] is ten laste gelegd en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot [S.F.] (feit 3)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 3 met betrekking tot [S.F.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep op dit onderdeel tot vrijspraak gerekwireerd. Ook de verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van [S.F.].

Het hof acht, met de verdediging en de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [S.F.] is ten laste gelegd en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot [A. van der H.] (feit 3 primair)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 3 primair met betrekking tot [A. van der H.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring van het voltooide delict gerekwireerd. De verdediging heeft op in de pleitnota nader uiteengezette gronden bepleit dat de verdachte primair dient te worden vrijgesproken omdat [A. van der H.] degene was die met het idee is gekomen om als prostituee te gaan werken. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat [A. van der H.] zich niet daadwerkelijk beschikbaar heeft gesteld voor seksuele handelingen, zodat geen sprake is van een voltooid delict maar van een poging.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat [A. van der H.] zich uiteindelijk niet beschikbaar heeft gesteld voor seksuele handelingen, nu zij zich daartoe niet aan potentiële klanten heeft aangeboden. Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte met betrekking tot [A. van der H.] primair is ten laste gelegd en zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken. Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen de subsidiair ten laste gelegde poging, zoals hierna nader toegelicht.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Met betrekking tot [J. van O. ], (feiten 1 en 2, zaaksdossier 24)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 1 en feit 2 met betrekking tot [J. van O. ] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring van deze feiten gerekwireerd. De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de aangifte van [J. van O. ] voor wat betreft de essentie daarvan onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verklaringen van aangeefster [J. van O. ], hierna ook wel aangeduid met haar voornaam "[J.]" komen in essentie op het volgende neer.

Rond de tijd dat zij 18 jaar werd heeft zij een relatie gekregen met de verdachte en is zij met hem gaan samenwonen. Kort daarna heeft hij haar voorgesteld in de prostitutie te gaan werken, zodat zij samen een toekomst zouden kunnen opbouwen. Omdat zij zo verliefd op hem was, heeft zij dat gedaan. Zij heeft vervolgens vanaf het najaar van 1998 gedurende ongeveer drie jaar in de prostitutie gewerkt, waarbij de verdachte optrad als haar pooier. Hij haalde het door haar verdiende geld op en behield dat. Na ongeveer negen maanden wilde [J. van O. ] eigenlijk stoppen met haar werk als prostituee, maar de verdachte stond dat niet toe. De relatie tussen hen verslechterde, waarna de verdachte haar meermalen mishandelde en haar soms een pistool op het hoofd zette. Een aantal malen is [J. van O. ] gevlucht, maar steeds opnieuw wist hij haar te vinden en moest zij doorgaan met haar werk in de prostitutie. Zij moest veel werken en goed verdienen. Toen de verdachte [J. van O. ] na een vluchtpoging met een andere prostituee genaamd [G.] met veel geweld had teruggehaald, is zij door de verdachte de kamer door geslagen en mocht zij niet meer alleen naar buiten. Bij een andere vluchtpoging is zij naar haar moeder gegaan, die de verdachte meedeelde dat [J. van O. ] niet meer voor hem zou werken. De verdachte accepteerde dit niet en bedreigde zowel [J. van O. ] als haar moeder, waarna beiden zijn gevlucht naar het Blijf van mijn Lijf Huis in Haarlem. Vanaf ongeveer 2001 stortte [J. van O. ] geestelijk in en hoefde zij van de verdachte niet meer achter het raam te staan, maar moest zij nog wel rijke klanten bedienen als escortdame. Dat was niet meer full time. Uiteindelijk mocht zij in 2003 definitief stoppen met het werk in de prostitutie.

De essentie van deze verklaring, te weten dat zij jarenlang door de verdachte met onder meer geweld en bedreiging met geweld gedwongen is geweest in de prostitutie werkzaam te zijn, vindt onder meer steun in de verklaringen van de getuigen [moeder] (de moeder van aangeefster), [oma] (haar oma) en [W.Z.], en in een mutatie van de politie Haarlem.

De moeder van [J. van O. ], [moeder], heeft in haar verklaring bij de rechter-commissaris van 2 september 2009 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

[J.] is meermalen voor de verdachte gevlucht. Elke keer als dat gebeurde bedreigde de verdachte haar en andere familieleden met de dood, met de bedoeling [J.] weer te laten terugkeren naar hem. In 1999 is zij met [J.] naar het Blijf van mijn Lijf Huis in Haarlem gevlucht. [J.] was toen kapot, ze was als een meisje van vier. [J.] heeft haar verteld dat zij al haar geld aan de verdachte moest afdragen.

Uit een mutatie van de politie Haarlem van 17 november 2009 (pagina 100077) blijkt onder meer het volgende:

[J. van O. ] heeft zich op 14 november 1999 met haar moeder aan het politiebureau te Haarlem vervoegd en daar meegedeeld dat zij sinds kort met haar moeder in het Blijf van mijn Lijf Huis aldaar verbleef om escalatie te voorkomen met haar steeds gewelddadiger wordende vriend, die souteneur is. Hij zou haar sindsdien bedreigen met de dood en ook het gebruik van een vuurwapen niet schuwen.

De oma van [J. van O. ], [oma], heeft op 16 oktober 2009 bij de rechter-commissaris - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

Haar kleindochter [J.] heeft haar verteld dat ze in de prostitutie werkte. Het was haar opgevallen dat [J.] nooit geld had. Elke keer als haar kleindochter weg was, belde de verdachte haar kwaad op om te zeggen dat zij ervoor moest zorgen dat [J.] terugkwam en dat als zij daar niet voor zou zorgen hij van alles en nog wat zou doen. Zij is daardoor erg bang voor de verdachte geworden. Een voorbeeld van een bedreiging was dat hij haar of haar achterkleindochter zou gijzelen. Het is wel vijf of zes keer gebeurd dat hij zo heeft gebeld. [oma] is een keer opgebeld door een vriendin van [J.] met de naam [G.]. Die heeft haar toen gezegd dat de verdachte [J.] heel erg had geslagen en haar ook had meegenomen. Zij heeft [G.] toen gevraagd waarom de verdachte [J.] had gezocht en meegenomen. Deze antwoordde toen dat dat was omdat [J.] voor de verdachte moest werken in de prostitutie in Amsterdam. [J.] heeft haar dat later ook toegegeven.

De getuige [W.Z.] heeft op 2 september 2009 bij de rechter-commissaris - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

Zij werkte in de periode van 1999 tot 2003 in de prostitutie. Zij zag de verdachte en [J.] dagelijks. De verdachte en [J.] hadden een relatie. [J.] werkte ook in de prostitutie, zij waren collega's. [J.] werkte de hele nacht en de verdachte was steeds bij haar.

De verklaringen van deze getuigen berusten niet louter op wat zij van [J. van O. ] hebben vernomen. De getuigen [moeder] en [oma] zijn persoonlijk geconfronteerd met de agressie die bij de verdachte ontstond wanneer [J. van O. ] buiten zijn machtssfeer was en zijn in verband daarmee door hem met geweld bedreigd. Bovendien werden zij door hem onder druk gezet hem te helpen [J. van O. ] weer te vinden. De getuige [oma] heeft een deel van haar wetenschap voorts verkregen van een vriendin van [J. van O. ] genaamd [G.]. Deze verklaringen bieden steun aan de verklaringen van [J. van O. ] dat de verdachte haar met geweld en bedreiging met geweld dwong in de prostitutie werkzaam te zijn.

De getuige [W.Z.] heeft met eigen ogen gezien dat [J. van O. ] in de prostitutie werkzaam was en dat de verdachte steeds bij haar in de buurt was. Deze verklaring biedt steun aan de verklaring van [J. van O. ] dat de verdachte haar pooier was.

Naar het oordeel van het hof hebben de getuigen in voldoende mate verklaard over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij telkens hun wetenschap hebben verkregen en het acht hun verklaringen betrouwbaar, mede gelet op het feit dat deze verklaringen elkaar onderling versterken en tevens steun vinden in de mutatie van de politie Haarlem. De verklaring van [oma] over het telefoontje van [G.] komt bovendien in belangrijke mate overeen met de verklaring van [J. van O. ] over de vluchtpoging die zij met ene [G.] had ondernomen.

Het hof is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de verklaringen van deze getuigen en in genoemde mutatie.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte met [J. van O. ] een relatie is begonnen rond haar achttiende jaar, op een moment dat zij ten gevolge van (onder meer) een gewelddadige jeugd kwetsbaar was. Vervolgens heeft hij haar binnen korte tijd ertoe gebracht als prostituee aan het werk te gaan. Toen zij dat na enige tijd niet meer wilde en bovendien ontdekte dat zij niet zijn enige vriendin was, heeft zij meermalen getracht zich aan de relatie te onttrekken. Vanaf dat moment heeft de verdachte haar nog geruime tijd door geweld en bedreiging met geweld gedwongen in de prostitutie werkzaam te blijven.

Het hof is van oordeel dat het feit dat [J. van O. ] zodanig verliefd op de verdachte was dat zij bereid was tegen haar wil naar zijn uitdrukkelijke wens te handelen, alsmede het feit dat tussen hen sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil van bijna tien jaar, een uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van de verdachte op [J. van O. ] oplevert, waarvan hij misbruik maakte door haar onder druk te zetten om zich te prostitueren. Het hof is daarbij van oordeel dat het feit dat [J. van O. ] aanvankelijk niet, althans niet krachtig, tegen deze gang van zaken heeft geprotesteerd, niet afdoet aan het feit dat hij heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat hij haar door de druk die hij op haar uitoefende dit terwille van hun, wat hij noemde, gezamenlijke toekomst te doen, in haar keuzevrijheid beperkte. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de verdachte van [J. van O. ]'s problematische jeugd en haar daaruit voortvloeiende kwetsbaarheid op de hoogte was. Vanaf het moment dat zij zich tegen hem ging verzetten is hij vervolgens overgegaan tot het gebruik van de dwangmiddelen van geweld en bedreiging met geweld.

Met betrekking tot [M.C.] (feit 2 en 3, zaaksdossier 9)

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor hetgeen hem onder feit 2 en 3 ten aanzien van [M.C.] is ten laste gelegd. De advocaat-generaal heeft tot bewezenverklaring gerekwireerd.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van al hetgeen hem met betrekking tot [M.C.] ten laste is gelegd en heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [D.] en [S.] niet bruikbaar zijn voor het bewijs, nu hun verklaringen niet zijn gebaseerd op eigen wetenschap, maar op wat zij anderen hebben horen zeggen.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

De verklaringen van [M.C.] houden - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.

Zij heeft twee en een half jaar voor de verdachte gewerkt (naar het hof begrijpt: in de prostitutie). In december 2004 is zij begonnen hem het door haar verdiende geld af te staan. In het begin zei hij dat hij geld van haar wilde lenen en dat hij het zou terugbetalen. Daarna vroeg hij haar het geld aan hem te geven en beloofde dat hij het zou opsparen. Zij heeft dat geld van hem niet teruggekregen. Toen zij daarom vroeg zei hij dat hij het niet kon teruggeven omdat er iets met de bankrekening was, of iets dergelijks. Zij heeft toen gedacht dat ze beter naar haar land kon gaan en het geld achterlaten, omdat zij bang voor hem was. Zij heeft de relatie in april 2007 beëindigd. (verklaring aan de politie van 1 juli 2008, p. 200048-200050).

Toen de relatie net begonnen was zei hij: "Ik wil een serieuze relatie met jou". Zij was alleen en had geen vrienden. Ze was verliefd op hem. Hij heeft daar misbruik van gemaakt. Hij zei: "We gaan samen geld sparen". Hij kwam elke twee, drie dagen en zij gaf hem het geld (het hof begrijpt: dat zij in die dagen had verdiend). Hij zei: "Als we gaan samenwonen dan hoef je maar twee of drie jaar te werken. Dan ga je stoppen en gaan we trouwen en kinderen maken." Hij had al het geld en zij moest hem erom vragen als zij geld nodig had (verklaring aan de rechter-commissaris van 10 juli 2009, p. 2 en p. 4). Ze heeft in de jaren dat zij voor hem werkte veel verdiend. Ze heeft zelf weinig uitgegeven en wel eens geld overgemaakt naar Roemenië, maar dat was heel weinig. De verdachte heeft op haar verzoek in totaal 4.000 tot 6.000 euro naar haar overgemaakt toen zij al in Roemenië was (verklaring aan de rechter-commissaris van 6 oktober 2009, p. 3).

De verklaringen van [M.C.] vinden op meerdere onderdelen steun in de verklaringen van de verdachtef, in de tapgesprekken, en in de verklaringen van [D.] en van [S.].

De verdachte heeft hierover - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

Hij heeft met [M.C.] een knipperlichtrelatie gehad, toen hij al een relatie had met [A. van D.]. Hij moest voor haar, [M.C.], geld op zijn rekening zetten, omdat ze dat voor de belasting verborgen wilde houden. Hij heeft heel veel geld van haar op zijn rekening gestort (verklaring bij de rechter-commissaris van 19 november 2009, p. 5).

De getuige [S.], heeft - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

[S.] was in 2005 en enkele jaren daarna werkzaam als prostituee in de passage in Amsterdam. Ook [M.C.] (het hof begrijpt: [M.C.]) werkte daar als prostituee. Zij werkte echt veel en verdiende veel. [M.C.] heeft haar verteld dat ze verliefd was op de verdachte en dat ze met hem verder wilde en een kind met hem wilde. Iedere zomer zei ze weer dat ze zou gaan stoppen met werken, maar ze bleef maar werken. Elke keer zei ze tegen [S.] dat de verdachte nog even door wilde sparen (verklaring afgelegd bij de politie op 16 maart 2009).

De getuige [D.] heeft in haar verklaring aan de raadsheer-commissaris - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende verklaard.

Zij kent de naam '[M.C.]' als de naam van een ex van de verdachte die zij nooit persoonlijk heeft ontmoet. Toen zij, [D.], bij de verdachte woonde heeft ze meegemaakt dat de verdachte haar, [M.C.], ging zoeken in Vinkeveen. Ze heeft hem dat tegen [A. van D.] (het hof begrijpt: [A. van D.]) horen zeggen. Ze heeft later gehoord dat de verdachte [M.C.] nooit meer gevonden heeft. Zodra [M.C.] weg was, moest [A. van D.] weer gaan werken. [D.] heeft dit zelf meegemaakt want zij woonde daar toen.

Uit de bankbescheiden van de verdachte blijkt voorts onder meer het volgende.

Op de bankrekeningen van de verdachte is in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2007 (met betrekking tot welke periode in ieder geval voldoende vaststaat dat de verdachte zich de verdiensten van [M.C.] toeëigende) voor een aanzienlijk bedrag aan contante stortingen (ruim 237.000 euro) gedaan.

De uitwerking van de afgeluisterde telefoongesprekken en sms-berichten houden voorts - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in, waarbij Y staat voor de verdachte en M voor [M.C.].

"Y zegt dat hij naar Spanje wil. Samen met [M.C.] en daar wil gaan wonen. Y belt haar nog en zegt dat hij van haar houdt. Hij wil in Spanje een huis kopen met een zwembad. M zegt dat ze daar dan vijf jaar moet blijven werken." (p. 200073-200074)

"M zegt dat ze Y nooit ziet dus dat ze zich afvraagt wat voor relatie ze eigenlijk hebben. Y zegt dat hij gaat turven hoe vaak ze dat wel niet tegen hem zegt. Hij dacht dat ze het erover gehad hadden." (p. 200080)

"Y zegt dat ze dat geld (het hof begrijpt: het geld dat [M.C.] van een derde zal krijgen, naar het hof aanneemt als betaling voor haar seksuele diensten) dan moeten sparen en dan in Spanje wat kopen. En als ze dat hebben, gaan ze aan kinderen beginnen." (p. 200090).

"Y zegt dat hij geen geld heeft. Nee, zegt M, je hebt geen geld maar je hebt wel meer spullen in je huis dan ik. Hij heeft wel drie mille om nieuwe wielen te kopen en zijn auto opnieuw te spuiten voor vijf mille. Y zegt dat hij geen acht mille heeft betaald. Nee, zegt M, maar wel vijf of zes. Dat is 1 week werken."(p. 200093).

"M: Heb je het geld geteld of niet?

Y: Van giste... het grote? Nee, ik heb het niet geteld. Ik heb het zo in de safe gelegd.

M: Ik weet het wel, ik heb het drie keer geteld voordat jij kwam"(p. 200094).

SMS-bericht; "Je bent vergeten om geld bij me achter te laten om mijn haar te doen" (p. 200101)

"Y: ik heb je gevraagd hoeveel je nodig hebt. Je zegt 50 euro dus ik heb 50 euro neergelegd.

M: het is goed, ik doe mijn haar volgende week wel." (p. 200102).

Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van de getuigen [S.] en [D.], voor zover door het hof gehanteerd voor het bewijs, blijkt omtrent de wijze waarop en de omstandigheden waaronder zij hun wetenschap hebben verkregen. Het hof acht hun weergave daarvan ook aannemelijk. De verklaring van [S.] komt overeen met hetgeen [M.C.] zelf over de relatie met de verdachte heeft verklaard en deze verklaring komt weer overeen met de afgeluisterde telefoongesprekken. De verklaring van [D.] komt eveneens overeen met de verklaring van [M.C.], voor zover die inhoudt dat de verdachte het eind van hun relatie niet wilde aanvaarden en dat zij voor de verdachte gevlucht is naar Roemenië en niet meer naar hem is teruggekeerd. Het hof is daarom van oordeel dat de verklaringen van [M.C.] niet op zichzelf staan en voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat [M.C.] werkzaam was in de prostitutie, een relatie had met de verdachte en dat de verdachte het geld wat zij verdiende innam. Het hof gaat ervan uit dat hij met dit geld een aantal kosten ten behoeve van [M.C.] betaalde en een deel van het geld stortte op een bankrekening op zijn naam. Het hof gaat er voorts op grond van de verklaring van [M.C.] van uit dat de verdachte haar dit geld niet heeft teruggegeven, althans een belangrijk deel van dit geld voor zichzelf heeft gehouden. Het hof leidt in ieder geval uit het hiervoor weergegeven tapgesprek - waaruit het hof onder meer begrijpt dat de verdachte met het geld van [M.C.] zijn auto heeft laten opknappen - en uit de verklaring van [D.] dat na het vertrek van [M.C.][benadeelde 1][A. van D.] weer moest gaan werken af, dat de verdachte het door [M.C.] verdiende geld in ieder geval deels voor zijn eigen doeleinden gebruikte en dat [M.C.] voor hem een bron van inkomsten was. Ook acht het hof redengevend dat op de bankrekening van de verdachte contante stortingen zijn gedaan tot een aanzienlijk bedrag, zoals hiervoor al verwoord. De verklaring van de verdachte, dat het geld van [M.C.] op zijn rekening misschien 10.000 euro bedroeg, acht het hof onaannemelijk, gelet op het feit dat in de periode dat [M.C.] met de verdachte een relatie had als gezegd ongeveer 237.000,- euro op zijn rekening werd gestort en aangenomen moet worden dat [M.C.] wekelijks duizenden euro's verdiende, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de verdachte in die periode zelf inkomsten genoot of wel anderszins de beschikking had over geldbronnen die een dergelijk bedrag kunnen verklaren. Zijn partner, [A. van D.], heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij nooit heeft geweten van de stortingen op die (en/of) rekening. Gelet hierop neemt het hof als vaststaand aan dat deze gelden grotendeels afkomstig zijn van [M.C.]. Dat dit aanzienlijke bedrag is terugbetaald door de verdachte is door hem niet verklaard en ook niet aannemelijk geworden.

Het feit dat [M.C.] zodanig verliefd op de verdachte was dat zij bereid was het door haar verdiende geld voor hun gezamenlijke toekomst door hem te laten beheren, alsmede het feit dat tussen hen sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil van veertien jaar en zij, in ieder geval aanvankelijk, in Nederland alleen was, zonder vrienden en familie, levert op een uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van de verdachte op [M.C.], waarvan hij misbruik maakte door haar haar geld aan hem te laten afstaan. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de verdachte zich van deze omstandigheden bewust was, nu hij met haar een relatie had en het volstrekt onaannemelijk is dat deze omstandigheden hem zouden kunnen zijn ontgaan.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte [M.C.] heeft misleid door haar voor te spiegelen dat hij alleen met haar een relatie had en met haar een gezamenlijke toekomst wilde opbouwen, terwijl hij op dat moment ten minste één andere serieuze relatie had (te weten met [A. van D.]). Daaruit, alsmede uit het feit dat de verdachte meermalen tijdens het hebben van de ene relatie andere relaties aanging kan worden afgeleid dat hij dit voornemen niet daadwerkelijk had. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de verdachte aan de rechter-commissaris dat hij met [M.C.] een knipperlichtrelatie had toen hij al met [A. van D.] was en de omschrijving van die relatie als een 'losse relatie'.

Met betrekking tot [A. van der H.] (feit 3, zaaksdossier 22)

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Uit de verklaring van [A. van der H.] van 1 december 2008 (pagina 200017), voor zover hier relevant, leidt het hof af dat zij de verdachte tijdens het uitgaan heeft leren kennen. De verdachte was toen dertig jaar oud, zij was zeventien. Zij vond de verdachte leuk. [A. van der H.] onderhield een seksuele relatie met hem en had het idee dat ze zijn vriendin was. Zij heeft voorts onder meer het volgende verklaard:

"Ongeveer een jaar geleden heeft [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte) het voor het eerst met mij over prostitutie gehad. Hij vertelde dat hij geen geld had en dat wij samen oud zouden worden. Hij wilde snel geld verdienen. Hij hield me voor dat ik dit voor onze toekomst moest doen. Ik weet niet hoe hij het voor elkaar heeft gekregen, ik hield van hem. [verdachte] heeft me vervolgens opdracht gegeven een (prostitutie)kamer in Amsterdam te regelen. Nadat ik die kamer had geregeld, belde hij me op en zei hij dat hij me kwam ophalen. Hij heeft me op de hoek afgezet en toen ik naar die kamer liep, belde hij me. Hij vertelde me nog een keer dat ik aan ons moest denken. Ik moest tijdens de seks niet aan die mannen denken, maar aan het geld. In de kamer kon ik alleen maar huilen. Ik ben er ook niet echt gaan staan. Hij heeft me daarna nog een keer naar Amsterdam gebracht. Toen heb ik ook niet gewerkt."

Haar verklaring vindt steun in zich in het dossier bevindende uitgewerkte sms-berichten en de schriftelijke weergave van afgeluisterde telefoongesprekken tussen [A. van der H.] en de verdachte (pagina 200025 e.v.), die - naar het oordeel van het hof - blijk geven van de manipulerende wijze waarop de verdachte heeft getracht [A. van der H.] zover te krijgen dat zij zich (voor hem) zou gaan prostitueren. De genoemde weergave van telefoongesprekken bevat - zakelijk weergegeven - onder meer de volgende passages, waarbij "A" staat voor [A. van der H.] en "Y" voor de verdachte:

"[verdachte] zegt dat ze beter uit elkaar kunnen gaan. [A. van der H.] kan beter iemand zoeken die niet zo serieus is als [verdachte] en jonger is als hem. Zij kan zijn dromen niet waarmaken.

A: Ja, maar het is niet leuk, weet je wel? Je kunt dat bij jou maar op 1 manier bewijzen."

Y: Nee, niemand heeft gezegd dat het leuk is toch.

A: Dat is het niet eens. Het kankerprobleem is, ik wil geen bekende tegen komen. Maar dat snap jij niet weet je. Voor jou is het makkelijk praten, jij zit lekker thuis.

Y: Ja wat wil je nu dat ik daarop zeg, daar waren we al klaar over toch? Over die discussie. Ik heb het nu over dat je niet luistert, dat je mij laat zitten en niet komt.

[verdachte] zegt vervolgens dat [A. van der H.] hem moet helpen om bij haar te blijven, ze moet hem overtuigen." (p. 200060-200061).

"A: Ik zeg toch, ik wil het wel doen, maar dan moet ik het tegen mijn zin in doen.

Y: Ja dus? Niemand doet het omdat ie daar zin in heeft. Dat heb ik je toch goed duidelijk gemaakt.

A: Ik weet dat ik bekenden tegen kom [verdachte], dat weet ik.

Y: Zoals ik zei het is goed joh, kijk nu ben je eerlijk. Dan zeg je nu van[verdachte], luister es, ik wil alles doen behalve dat. Dan moet je gewoon zeggen nee. Klaar. Je moet me niet aan de lijn houden. Dat is niet eerlijk. Nu maakt het mijn keus alleen maar makkelijker.

A: Ja kijk en dat bedoel ik. Kijk, als ik dat niet doe, dan is het bij jou altijd... Toch?

Y: Ja, tuurlijk. Want jij weet dat dat voor ons is. Klaar.

[verdachte] is er klaar mee. Hij hoopt dat [A. van der H.] iemand anders tegen komt zodat ze hem kan vergeten. [A. van der H.] vindt dat vies van [verdachte]." (p. 200062).

"Y: Die andere dingen wat jij mij wil voorstellen hoor je zo uit je zelf toch te doen.

A: Dat klopt zeker.

Y: 1. Omdat ik jouw vent ben 2. omdat je dat al beloofd hebt 3. omdat jij weet dat we over een maandje weg gaan en dat we geld nodig hebben. Nu hoor jij eigenlijk daar te zijn want we hebben geld nodig. Dan kunnen we daar effe leuke tijd doorbrengen samen met elkaar. Alleen, geen telefoon, geen andere wijven, geen andere jongens, niks. Zo hoort het.

[verdachte] zegt dat hij al anderhalf uur aan het bellen is met [A. van der H.] op zijn kosten wat hij zich niet kan veroorloven. Hij vraagt of ze hem niet meer wil bellen en niet meer wil sms-en. [A. van der H.] zegt dat ze dat niet kan en dat ze niet wil dat het zo is.

Y: Ja pech, is jouw probleem. Kijk nogmaals, als je dat echt van plan was of wilde, ja? Ik heb genoeg mensen. Ik ken zelfs mensen in Antwerpen. Ga niet tegen me zeggen dat mensen van Duindorp of Scheveningen daar komen.

A: Nee, natuurlijk komen ze daar niet. Waar ga ik daar slapen dan? En waar is [verdachte] dan? In Den Haag? O ja.

Y: [verdachte] komt wel. Ik zeg het heel onbeschoft tegen jou. [verdachte] komt wel als het gedaan is, tenminste als het bewezen is dat het echt zo is. Jij hebt me zo gemaakt. Ik kan er echt niks aan doen. Jij hebt het gedaan, ik niet.

A: Sjonge, dus ik heb het verpest.

[verdachte] zegt dat ze niet meer moet bellen of sms-en. [A. van der H.] zegt dat ze wil dat het goed gaat. [verdachte] zegt dat [A. van der H.] dat niet kan waarmaken. [A. van der H.] zegt van wel. [verdachte] zegt dat ze dat moet doen dan en dan pas contact met hem moet opnemen.

[A. van der H.] vraagt of ze wat mag vragen maar ze durft niet, bang dat [verdachte] ophangt. Ze vraagt of [verdachte] echt van haar hield. [verdachte] zegt dat ze het daar net over hebben gehad. Dat hij niet verdient dat zij hem zo behandelt." (p. 200066 en 200067).

Het hof begrijpt dat deze discussie betrekking heeft op het zich al dan niet prostitueren door [A. van der H.]. De betrouwbaarheid van dit bewijsmiddel staat niet ter discussie, nu de verdachte niet heeft betwist dit gesprek met [A. van der H.] te hebben gevoerd.

Het hof leidt met name uit dit gesprek af dat [A. van der H.] de verdachte kennelijk had beloofd de prostitutie in te gaan, maar dat zij hem tevens vertelde dat zij dit eigenlijk niet, of niet meer, wilde. Uit het gesprek wordt tevens duidelijk dat de verdachte aan het voortbestaan van de relatie tussen hen als voorwaarde stelde dat [A. van der H.] zich zou prostitueren. [A. van der H.], die kennelijk verliefd op de verdachte was, wilde niet dat de relatie zou eindigen en beloofde hem daarom opnieuw zich toch te zullen prostitueren.

Het hof is gelet hierop van oordeel dat, ook als [A. van der H.] oorspronkelijk het initiatief heeft genomen de prostitutie in te gaan, zij daarop kennelijk was teruggekomen en dat zij onder druk van de dreiging met het einde van de relatie toch op de wens van de verdachte inging, althans hem meedeelde daarop in te zullen gaan.

Het feit dat [A. van der H.] zodanig verliefd op de verdachte was dat zij bereid was tegen haar wil naar zijn uitdrukkelijke wens te handelen, alsmede het feit dat tussen hen sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil van dertien jaar, levert op een uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van de verdachte op [A. van der H.], waarvan de verdachte zich bewust was en waarvan hij misbruik maakte door haar onder druk te zetten om zich tegen haar wil te prostitueren. Het hof is daarbij van oordeel dat de verdachte uit hetgeen [A. van der H.] daarover tegen hem zei, alsmede uit het feit dat zij haar belofte aan hem dit te zullen doen al meermalen niet was nagekomen, heeft begrepen, althans heeft moeten begrijpen, dat hij haar in haar keuzevrijheid beperkte.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte [A. van der H.] heeft misleid door haar voor te spiegelen dat hij alleen met haar een relatie had en met haar een gezamenlijke toekomst wilde opbouwen, terwijl hij op dat moment ten minste één andere serieuze relatie had (te weten met [A. van D.]). Daaruit, alsmede uit het feit dat de verdachte meermalen tijdens het hebben van de ene relatie ook andere relaties aanging, kan worden afgeleid dat hij dit voornemen niet daadwerkelijk had. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de verdachte aan de rechter-commissaris dat hij met haar (het hof begrijpt: [A. van der H.]) eigenlijk geen serieuze relatie had.

Uit de verklaring van [A. van der H.] leidt het hof als gezegd af dat zij zich uiteindelijk niet daadwerkelijk beschikbaar heeft gesteld voor het verrichten van seksuele diensten, omdat zij de gordijnen van de door haar gehuurde werkkamer niet heeft geopend en niet achter het raam is gaan zitten om seksuele diensten aan te bieden. Naar het oordeel van het hof staat echter in voldoende mate vast dat [A. van der H.] er door de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte toe is gebracht een prostitutiekamer te huren, dat zij door de verdachte naar de werkplek in Amsterdam is gebracht en dat zij die werkkamer is ingegaan met het doel prostitutiewerkzaamheden te gaan verrichten. Om die reden acht het hof de subsidiair ten laste gelegde poging bewezen.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 4, 6 en 9

Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier witwassen, map 29)

De raadsman heeft - subsidiair en onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 2010 (LJN: BM4440) - bepleit dat het enkele voorhanden hebben van door eigen crimineel handelen verworven geld niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

Het hof overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een vrouw ertoe heeft gebracht jarenlang in de prostitutie werkzaam te zijn en dat hij zich (een groot deel van) de door die vrouw verdiende gelden heeft toegeëigend. Daarnaast heeft hij zich door middel van misbruik van overwicht en misleiding (een groot deel van) de door een andere vrouw in de prostitutie verdiende gelden toegeëigend. Het ging daarbij telkens om aanzienlijke bedragen.

De verdachte heeft verklaard dat hij geen geld heeft, maar dat hij daarentegen schulden heeft (persoonsdossier, pagina 20001 e.v.). Op de bankrekening van de verdachte bij de ABN-AMRO Bank is in de periode van 1 november 2003 tot en met juni 2007 voor een bedrag van ruim € 255.000,- aan contante stortingen gedaan. Zijn partner, [A. van D.], heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat zij nooit heeft geweten van de stortingen op die rekening en dat zij er niet naar om heeft gekeken. Het hof gaat er, gelet op die verklaring, van uit dat deze stortingen door de verdachte zijn gedaan. In de tweede helft van 2007 heeft de rekening een debetstand bereikt, die ook in 2008 heeft voortgeduurd. Ook nader onderzoek heeft niet geleid tot het terugvinden van deze aanzienlijke geldbedragen, afgezien van de bij de verdachte in beslag genomen flatscreens, een stereoset en sieraden, alsmede een aantal enveloppes met contant geld tot een bedrag van € 5.600,-.

Uit de genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het onder 4 bewezen verklaarde feit als gewoontewitwassen dient te worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 6 (zaaksdossier 7, [A. van D.])

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 6. Hij heeft erop gewezen dat [A. van D.] de juistheid van haar verklaring dat de verdachte haar met een honkbalknuppel zou hebben geslagen, bij de rechter-commissaris en ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft weersproken. Bovendien heeft zij een met argumenten onderbouwde verklaring gegeven waarom zij toen tegen de politie heeft gelogen.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

De verdachte is op 26 november 2008 omstreeks 6.30 uur in de woning op het adres [adres] te [woonplaats] aangehouden. De in die woning aanwezige [A. van D.] vertelde de verbalisanten toen dat de verdachte eerder met een honkbalknuppel haar ellepijp had gebroken en dat de betreffende honkbalknuppel in de keuken lag. Omstreeks 08.00 uur die dag vond op het politiebureau een oriënterend gesprek met [A. van D.] plaats. Zij verklaarde dat de verdachte erachter was gekomen dat ze met [M.O.A.] (het hof begrijpt: [M.O.A.]) omging en dat de verdachte haar daarom met een honkbalknuppel had mishandeld, waardoor de ellepijp van haar linkerarm was gebroken. Zij verklaarde voorts dat zij wegens haar letsel niet had kunnen werken en dat zij had geregeld dat de vriendin van [T.D.] (het hof begrijpt: [T.D.]) haar werkkamer in Utrecht voor een periode van zes weken kon overnemen (pagina 3000001). Omstreeks 10.23 uur op dezelfde dag legde zij een verklaring af als getuige. Zij durfde geen aangifte tegen de verdachte te doen. Zij verklaarde desalniettemin uitvoerig over hoe de verdachte haar in het algemeen mishandelde en bedreigde, en ook over het honkbalknuppel-incident. Zij verklaarde hierover dat zij in juni of juli van dat jaar [M.O.A.] tijdens het stappen had leren kennen en dat zij telefoonnummers hadden uitgewisseld. Half augustus had de verdachte een sms-bericht van [M.O.A.] aan [A. van D.] gelezen, waardoor hun omgang voor hem duidelijk werd. De verdachte was laaiend geworden en had haar met de honkbalknuppel geslagen. De volgende morgen waren zij samen naar het ziekenhuis gegaan. Haar ellepijp bleek gebroken en haar arm moest in het gips. Eigenlijk moest zij aan die arm worden geopereerd, maar dat wilde ze niet. Dit had wel tot gevolg dat ze die arm op het moment van het afleggen van haar verklaring nog niet kon strekken. In het ziekenhuis had ze gezegd dat ze gedronken had en met haar elleboog op de trap was gekomen (pagina 3000004 e.v.).

Deze verklaringen van [A. van D.] vinden op essentiële onderdelen steun in de navolgende feiten en omstandigheden:

- op 25 september 2008 om 00.35 uur belde [M.O.A.] met de politie. Hij zei zich zorgen te maken over het welzijn van [A. van D.]. Hij vermoedde dat zij door haar ex-vriend [verdachte] was ontvoerd. Naar aanleiding van die melding hebben verbalisanten zich begeven naar de woning van de verdachte op het adres [adres] te [woonplaats], alwaar zij [A. van D.] aantroffen. Een van de verbalisanten nam waar dat een arm van [A. van D.] in het gips zat (pagina 2000057);

- op 26 november 2008 is in de woning van de verdachte door de politie een honkbalknuppel aangetroffen en in beslag genomen (pagina 200286-200289);

- uit een uitgewerkt tapverslag van een afgeluisterd telefoongesprek tussen [E.S.] (het hof begrijpt: [E.S.] en de verdachte blijkt dat de verdachte op 15 augustus 2008 om 18.26 uur naar [E.S.] belde. Hij vroeg [E.S.] om tegen [T.D.] (het hof begrijpt: [T.D.]) te zeggen dat zijn (verdachtes) vriendin in het gips loopt en dat de vriendin van [T.D.] er vanaf donderdag in kan. (pagina 2000062)

Aan de raadsman moet worden toegegeven dat [A. van D.] nadien op haar verklaringen van 26 november 2008 is teruggekomen. Bij de rechter-commissaris op 16 november 2009 heeft zij haar gebroken arm verklaard door een val van de trap, een dag nadat de verdachte haar met een honkbalknuppel had bedreigd, en ter terechtzitting in hoger beroep op 8 september 2011 heeft zij verklaard dat zij haar arm tijdens een beroving heeft gebroken.

Gelet echter op de authenticiteit van haar eerdere verklaringen, die bovendien steun vinden in andere bewijsmiddelen, en de evidente inconsistenties in haar latere verklaringen (mede) op dit onderdeel, zal het hof bij de beoordeling van de feiten toch uitgaan van de verklaringen van [A. van D.] van 26 november 2008.

De raadsman heeft voorts bepleit dat het precieze letsel bij [A. van D.] door het ontbreken van een medische verklaring niet kan worden vastgesteld, hetgeen aan een bewezenverklaring ter zake van zware mishandeling in de weg staat.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van [A. van D.] leidt het hof af dat de arm van [A. van D.] was gebroken. Immers [A. van D.] heeft dit zelf meermalen verklaard en op 25 september 2008, ten minste een maand na het incident, zat haar arm nog steeds in het gips. In het ziekenhuis is tegen [A. van D.] gezegd dat voor een goed herstel van de arm operatief ingrijpen nodig was. [A. van D.] heeft voorts door het letsel haar beroep gedurende ten minste zes weken niet kunnen uitoefenen. Dit leidt het hof af uit het feit dat zij haar werkplek in Utrecht voor die periode aan een ander (de vriendin van [T.D.]) ter beschikking heeft gesteld.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende vaststaat dat sprake is geweest van een gebroken arm. Dit levert op zwaar lichamelijk letsel en derhalve dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 9 (zaaksdossier 23, [V.K. ])

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 9. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de essentie van het strafrechtelijke feit, te weten het verrichten van seksuele handeling die mede bestaan uit lichamelijk binnendringen, wetende dat die persoon zich in een verminderde staat van bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerd, door geen andere bewijsmiddel wordt gedekt dan door de verklaring van aangeefster zelf.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Uit de verklaring van [V.K. ] van 1 december 2008 (pagina 200027 e.v.), voor zover hier relevant, komt het volgende naar voren.

[V.K. ] is bij de verdachte in Den Haag op bezoek gegaan. Zij heeft in zijn woning cola gedronken die een vreemde smaak had, waarna zij zich vreemd begon te voelen. Zij is eerst met haar drankje bij de verdachte gaan zitten die in bad was gegaan, waar ze zich opeens anders begon te voelen. Zij moest overal om lachen en kreeg de dingen niet helder mee. Vervolgens is zij op de bank in de woonkamer gaan zitten, waar de verdachte heeft zich bij haar gevoegd. Op de bank begonnen ze te zoenen, vervolgens zijn ze naar de slaapkamer gegaan. Zij voelde zich op dat moment heel vreemd en dit werd steeds erger. Zij was er niet helemaal bij en had totaal geen controle meer over haar lichaam. Tijdens de seks die daarop volgde is [V.K. ] meerdere keren 'out' gegaan; in ieder geval drie keer. Ineens was ze dan weer bij bewustzijn en zag ze Nino (het hof begrijpt telkens: de verdachte) boven zich. Ze werd uiteindelijk wakker toen ze naakt in bad lag. Ze kon zich niet herinneren hoe ze daar was gekomen. Ook in bad is ze nog een paar keer weggevallen. Ze werd dan telkens wakker als ze een straal koud water op haar lichaam voelde. Ze zag dat Nino dit deed. Uiteindelijk is zij uit bad gekomen en naar de bank gelopen. Zij weet nog dat Nino niet blij was dat ze overal natte voetstappen achterliet. Ze heeft Nino toen met iemand horen bellen. Ook daarna heeft het haar de nodige moeite gekost om echt wakker te worden, in haar auto te stappen en naar huis te rijden. Zij had tevoren geen alcohol gedronken.

De verklaring van aangeefster vindt op essentiële onderdelen steun in de navolgende feiten en omstandigheden:

- een uitgewerkt tapverslag van een afgeluisterd telefoongesprek tussen [V.K. ] en de verdachte (pagina 200012), waaruit blijkt dat zij op 29 mei 2008 om 23.28 uur bij de verdachte voor de deur stond;

- een uitgewerkt tapverslag van een afgeluisterd telefoongesprek van 30 mei 2008 om 01.10 uur tussen de verdachte en [A.S.] (pagina 200013), waaruit blijkt dat de verdachte vrouwelijk bezoek heeft, dat hij haar [slachtoffer] in een hem onbekende dosering heeft gegeven en dat hij haar nu niet meer wakker krijgt. Hij heeft ijs op haar hoofd gelegd en hij heeft haar klappen gegeven, maar hij krijgt haar niet wakker. Ook vertelt hij dat hij haar in bad heeft gelegd om haar wakker te krijgen, dat ze toen wakker is geworden en weer naar bed is gegaan en dat het hele huis nat is. Voorts vertelt hij -zakelijk weergegeven - dat hij seksuele gemeenschap met haar heeft gehad.

- de verklaring van de verdachte bij de rechter-commissaris, voorzover deze inhoudt dat hij in de nacht van 29 op 30 mei 2008 met [V.K. ] seksuele gemeenschap heeft gehad en dat hij haar voorafgaand daaraan [slachtoffer] heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van [V.K. ] zodanig authentieke elementen bevat, die steun vinden in hetgeen de verdachte telefonisch aan [A.S.] heeft verteld en in hetgeen hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard, dat de geloofwaardigheid van haar verklaring buiten redelijke twijfel staat. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verdachte eerst bij de rechter-commissaris heeft toegegeven aan [V.K. ][slachtoffer] te hebben gegeven, kennelijk nadat hij kennis had genomen van het feit dat zijn telefoongesprek met [A.S.] was afgeluisterd. Het hof acht die verklaring daarom onaannemelijk en acht daarom eveneens onaannemelijk zijn verklaring dat [V.K. ] hem daarom zou hebben verzocht.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 9 ten laste gelegde. Het hof stelt op grond van de verklaring van [V.K. ] voorts vast dat zij ten tijde van de geslachtsgemeenschap deels bewusteloos was - te weten op de momenten dat zij 'out' ging - en deels in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde - te weten op het moment dat de seksuele gemeenschap begon en op de momenten dat zij bijkwam en de verdachte (naar het hof begrijpt: al doende) boven zich zag. Het hof zal dan ook beide bestanddelen bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 deels primair en deels subsidiair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 1998 tot en met 30 september 2000 te Amsterdam, [J. van O. ], door geweld en een feitelijkheid en door bedreiging met geweld, dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, immers heeft hij, verdachte,

- terwijl hij, verdachte, wist dat die [J. van O. ] kwetsbaar en veel jonger dan verdachte was een relatie met die [J. van O. ] aangeknoopt en die relatie onderhouden, en die [J. van O. ] onderdak verschaft, en

- die [J. van O. ] laten zien en merken dat hij, verdachte, andere prostituees voor hem, verdachte, en voor zijn vrienden aan het werk had, waarbij hij, verdachte, tegen die [J. van O. ] heeft gezegd dat hij, verdachte, bereid was om dat werk op te geven ten behoeve van de relatie met die [J. van O. ], en

- die [J. van O. ] onder druk gezet en er zodoende toe aangezet in de prostitutie te gaan werken, onder meer door tegen haar te zeggen: "zullen we samen een goed leven gaan maken?" en door tegen haar te zeggen dat zij gingen sparen voor een gezamenlijke toekomst en een huis in Marokko en

- die [J. van O. ] meermalen naar het werk gebracht en

- die [J. van O. ] meermalen geslagen en

- die [J. van O. ] gezegd om gedurende haar menstruatie door te gaan met prostitutiewerkzaamheden en daarbij een sponsje te gebruiken, en

- die [J. van O. ] telkens afslankpillen gegeven, zodat zij wakker kon blijven en dagelijks langdurig kon werken als prostituee, en

- tegen die [J. van O. ] gezegd dat zij minimaal ongeveer ƒ 1.500,- per dag en in het weekeinde ƒ 3.000,- per dag moest verdienen met prostitutiewerkzaamheden, en

- telkens de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden afgepakt of laten afstaan.

Feit 2:

Ten aanzien van [J. van O. ]:

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2003 te Amsterdam en te Utrecht, in elk geval in [getuige 1][J. van O. ] door geweld en bedreiging met geweld heeft gedwongen en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen van die [J. van O. ] met een derde tegen betaling, terwijl hij wist dat die [J. van O. ] zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelde tot het verrichten van die handelingen,

bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld en dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en die misleiding en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,

- terwijl hij, verdachte, wist dat die [J. van O. ] veel jonger dan verdachte was een relatie met die [J. van O. ] heeft onderhouden, en die [J. van O. ] onderdak heeft verschaft, en

- die [J. van O. ] meermalen heeft geslagen en

- die [J. van O. ] meermalen naar het werk gebracht en

- (telkens, wanneer die [J. van O. ] zich verzette en/of aangaf niet (meer) te willen werken als prostituee) een vuurwapen tegen het hoofd van die [J. van O. ] heeft gehouden, en/of

- voor die [J. van O. ] een mobiele telefoon heeft geregeld, waarop zij gebeld werd voor escortwerkzaamheden met een derde en

- telkens verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden en diverse sieraden en/of telefoons en/of andere (van klanten) ontvangen cadeaus heeft laten afstaan en/of heeft afgepakt,

en

Ten aanzien van [M.C.]:

hij op tijdstippen in de periode van 1 december 2004 tot 1 januari 2005 te Amsterdam en Den Haag en in elk geval in Nederland, [M.C.], door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

bestaande dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en die misleiding en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat hij, verdachte,

- terwijl hij wist dat [M.C.] alleen en kwetsbaar was met die [M.C.] een relatie is aangegaan, en tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik wil een serieuze relatie met jou" en "we gaan samen geld sparen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij, verdachte met die [M.C.] wilde gaan trouwen en kinderen met haar wilde,

- tegen die [M.C.] heeft gezegd dat zij als prostituee op de Wallen in Amsterdam moest gaan werken, en

- verdiensten van de door [M.C.] verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, waarbij hij, verdachte, die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij dat geld van haar leende.

en

Feit 3 primair

Ten aanzien van [M.C.]:

hij in de periode van 1 januari 2005 tot 1 mei 2007 te Amsterdam en in elk geval in Nederland,

[M.C.], telkens door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie [M.C.] heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [M.C.] met een derde,

bestaande die misleiding en dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat misbruik van een kwetsbare positie en dat voordeel trekken hierin dat hij verdachte

- terwijl hij wist dat [M.C.] alleen en kwetsbaar was tegen die [M.C.] heeft gezegd: "Ik wil een serieuze relatie met jou" en "We gaan samen geld sparen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en die [M.C.] de indruk heeft gegeven dat hij, verdachte met die [M.C.] wilde gaan trouwen en kinderen met haar wilde, en

- die [M.C.] onderdak heeft verschaft, en

- de verdiensten van de door [M.C.] verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, waarbij hij, verdachte, tegen die [M.C.] zei dat hij dit geld voor haar zou sparen.

Feit 3 subsidiar

Ten aanzien van [A. van der H.]

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 26 november 2008 te Amsterdam en te Den Haag, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [A. van der H.], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

te werven met het oogmerk van uitbuiting van die [A. van der H.],en die [A. van der H.] te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen en opzettelijk voordeel te trekken uit de voorgenomen uitbuiting van die [A. van der H.]

- met die [A. van der H.] een relatie is aangegaan en heeft onderhouden, en

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij niet met andere jongens om mocht gaan en

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat hij, verdachte, geldproblemen had en dat er geld verdiend moest worden, en

- die [A. van der H.] het gevoel heeft gegeven dat zij het geld moest gaan verdienen, waarbij hij, verdachte, de indruk wekte dat hij een toekomst wilde opbouwen met die [A. van der H.], en

- vervolgens tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij condooms moest gaan kopen, en

- aan die [A. van der H.] diverse telefoonnummers heeft gegeven voor het regelen van een prostitutiekamer, en tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat zij moest bellen en een kamer moest regelen, en

- vervolgens tegen [A. van der H.] heeft gezegd dat zij lingerie moest meebrengen, en die [A. van der H.] heeft opgehaald met de auto en heeft afgezet bij de werkplek in Amsterdam, en

- die [A. van der H.] geld heeft gegeven voor de huur van een werkkamer, en

- tegen die [A. van der H.] heeft gezegd dat ze het voor het geld moest doen en dat ze niet aan de mannen moest denken waarmee zij seks zou hebben;

Feit 4:

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 26 november 2008, in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens geldbedragen uit prostitutiewerkzaamheden van vrouwen voorhanden gehad, te weten

- ten aanzien van [M.C.] een bedrag en

- ten aanzien van [J. van O. ] een bedrag

terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

Feit 5:

hij op 14 november 2007 te 's-Gravenhage opzettelijk mishandelend

- [S. de la P.] éénmaal met gebalde vuist met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, en

- [N. de la P.] meermalen met gebalde vuist met kracht tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor voornoemde [S. de la P.] letsel heeft bekomen en [S. de la P.] en [N. de la P.] pijn hebben ondervonden;

Feit 6:

hij op een tijdstip in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 15 augustus 2008 te 's-Gravenhage aan [A. van D.] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm (gebroken ellepijp), heeft toegebracht, door voornoemde [A. van D.] met dat opzet met een honkbalknuppel, tegen de linkerarm te slaan;

Feit 7:

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 november 2008 te 's-Gravenhage in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend telkens [A. van D.] tegen het lichaam en/of tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor voornoemde [A. van D.] telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Feit 8:

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 26 november 2008 te 's-Gravenhage in elk geval in Nederland telkens [A. van D.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend met een honkbalknuppel gezwaaid in de richting van die [A. van D.]

en

telefonisch de woorden gebezigd:

- "Ik kom daar en breek je hele kankergebit" en

- "Ik slacht jou" en

- "Jij solliciteert ernaar dat ik die kankernek helemaal opensnij"

Feit 9:

hij op 30 mei 2008 te 's-Gravenhage met [V.K. ], van wie hij, verdachte, wist dat die [V.K. ] in staat van bewusteloosheid en verminderd bewustzijn verkeerde, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [V.K. ], waarbij hij, verdachte

- die [V.K. ] de drug [slachtoffer] heeft gegeven, en

- met zijn penis de vagina van die [V.K. ] is binnengedrongen, terwijl die [V.K. ] meermalen buiten bewustzijn is geraakt;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 deels primair en deels subsidiair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel;

het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot mensenhandel;

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd;

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling;

het onder 7 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd;

het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid en verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en acht maanden met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, kort gezegd, schuldig gemaakt aan mensenhandel en een poging daartoe. Hij is liefdesrelaties aangegaan met drie veel jongere en kwetsbare vrouwen, die hij een gezamenlijke toekomst voorspiegelde. Zij zijn daardoor in hevige mate verliefd op hem geworden. Het hof heeft geoordeeld dat de aldus ontstane intensieve afhankelijkheid van die vrouwen door de verdachte is misbruikt en dat hij hen heeft misleid. De verdachte heeft hen te kennen gegeven dat zij middels werkzaamheden in de prostitutie geld moesten verdienen omdat hij geldgebrek had en er gespaard moest worden voor een gezamenlijk toekomst. Twee vrouwen hebben zich jarenlang ten behoeve van hem en de voorgespiegelde gezamenlijke toekomst geprostitueerd. Een derde slachtoffer heeft gezegd dat zij dit zou doen maar heeft daarvan uiteindelijk afgezien, nadat zij daartoe al vergaande voorbereidingen had getroffen. De verdachte heeft eerstgenoemde twee vrouwen ernstig financieel benadeeld doordat hij zich de opbrengsten van hun werkzaamheden (grotendeels) heeft toegeëigend.

Het eerste slachtoffer is door de verdachte ook door misbruik van overwicht en misleiding tot prostitutie gebracht en na enige tijd door geweld en bedreiging met geweld gedwongen haar werkzaamheden voort te zetten. De verdachte heeft daarmee op flagrante wijze misbruik gemaakt van haar fysieke en psychische integriteit. Dat het handelen van de verdachte bij haar diepe sporen heeft nagelaten waarmee zij nog lang zal hebben te kampen, blijkt reeds uit hetgeen haar advocaat namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van dergelijke feiten in het algemeen een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde kunnen ondervinden.

Door het zich toeëigenen en het vervolgens voorhanden hebben van de verdiensten uit genoemde mensenhandel heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met een honkbalknuppel aan [A. van D.], aan gewone mishandeling en aan bedreiging van die [A. van D.], met wie hij een relatie heeft. Daardoor heeft de verdachte inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Bovendien gaven de bedreigingen, zoals zij ter terechtzitting ook heeft verklaard haar gevoelens van angst en onveiligheid. Een en ander klemt te meer nu het geweld zich heeft afgespeeld in de relationele sfeer.

Voorts heeft de verdachte naar aanleiding de bestuurster van een auto, wier rijgedrag de verdachte kennelijk niet aanstond, in haar gezicht gestompt en daarna heeft hij meerdere malen de bijrijdster in haar gezicht gestompt.

Door zich op deze zeer agressieve wijze te gedragen, heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bovendien veroorzaken misdrijven als deze, gepleegd op klaarlichte dag en op de openbare weg, gevoelens van onbehagen en onveiligheid in de samenleving.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het hebben van seksuele gemeenschap met iemand die in staat van bewusteloosheid en verminder bewustzijn verkeert. Hij heeft aan [V.K. ], naar haar zeggen heimelijk, [slachtoffer] toegediend, waardoor zij meerdere keren het bewustzijn heeft verloren. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden seksuele gemeenschap met [V.K. ] te hebben. Hierdoor heeft de verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [V.K. ]. De verdachte heeft de bevrediging van zijn eigen seksuele lusten gesteld boven het aan [V.K. ] toekomende recht op zelfbeschikking over haar lichaam.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 augustus 2011 is hij eerder ter zake van strafbare feiten veroordeeld, hetgeen het hof in zijn nadeel meeweegt.

De verdachte heeft er blijk van gegeven zijn eigen behoeften ver boven de wensen en behoeften van anderen te stellen, goedschiks dan wel kwaadschiks. Hij heeft daarbij de rechten van anderen meermalen en soms langdurig met voeten getreden. Het hof acht dit bijzonder kwalijk.

Bij de weging van een en ander acht het hof het, gelet op de ernst van de feiten en de ernstige gevolgen daarvan, onontkoombaar dat aan de verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd. Gelet echter op het feit dat het hof - anders dan de advocaat-generaal - niet bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [A. van D.], [J.D. ][getuige 2][S.H.], [M.P.] en [S.F.] acht het hof oplegging van een gevangenisstraf zoals gevorderd door de advocaat-generaal te zwaar. Het hof acht de gevangenisstraf die de rechtbank heeft opgelegd, ook al spreekt het hof vrij van een aantal feiten die de rechtbank wel bewezen heeft geacht, gelet op de ernst van de bewezen feiten passend en geboden.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes jaren.

De hierna te noemen in beslag genomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. De zaktelefoon, I-phone, en het kentekenbewijs zullen aan de verdachte worden teruggegeven. Op de overige in beslag genomen voorwerpen rust conservatoir beslag, zodat het hof daarover geen beslissing zal nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 243, 250a (oud), 250ter (oud), 273a (oud), 273f, 285, 300, 302 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [J. van O. ]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 115.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsman van de verdachte heeft deze vordering betwist door te stellen dat de verdachte zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair wordt door de verdediging de hoogte van de vordering betwist.

Ten aanzien van de materiële schade van [J. van O. ]

Ten aanzien van de materiële schade heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 100.000,00. Het hof overweegt hieromtrent dat op grond van de bewijsmiddelen vast staat dat de benadeelde partij inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden aan de verdachte heeft afgestaan, althans dat de verdachte zich deze heeft toegeëigend.

Anderzijds blijkt uit het dossier dat er ook kosten zijn gemaakt ten behoeve van of door de benadeelde partij, die van deze verdiensten moeten worden afgetrokken.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof schat deze als volgt. Bij de berekening van de materiële schade is uitgegaan van een periode van drie jaren en vier maanden full time werk, zijnde 172 weken, (zie ook het proces-verbaal witwassen, pagina's 002 en 003), waarin de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 668.736,00 (172 weken x 6 dagen per week X € 648,00 per dag) door prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat de verdachte het grootste deel van deze verdiensten onder zich heeft gekregen. Daarvan moeten worden afgetrokken kosten die de verdachte ten behoeve van de benadeelde partij heeft betaald en gelden die door hem aan haar zijn teruggegeven. Het hof schat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dat de verdachte ten minste een tiende deel daarvan heeft genoten en niet aan de benadeelde partij heeft teruggegeven en zal bij wijze van voorschot op de schadevergoeding een bedrag van 10 % toekennen, zijnde een bedrag van € 66.873,00.

Het hof is van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade voor het overige een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade van [J. van O. ]

Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte ernstige schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 15.000,00 gevorderd ter vergoeding van de door haar als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde geleden immateriële schade. De benadeelde partij heeft daartoe aangevoerd dat mentaal veel schade is aangericht, dat sprake is van nachtmerries en herbelevingen. De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 15.000,00.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [M.C.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 357.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.000,00, waarbij een schadevergoeding van € 35.000,00 is toegekend ten aanzien van de materiële schade en een schadevergoeding van € 5.000,00 ten aanzien van de immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het openbaar ministerie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering (met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel).

De raadsman van de verdachte heeft deze vordering betwist door te stellen dat de verdachte zich niet schuldig acht aan de hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair wordt door de verdediging de hoogte van de vordering betwist. Ten aanzien van de materiële schade is namens de verdachte aangevoerd dat deze hoogte daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdachte zich gerefereerd.

Ten aanzien van de materiële schade van [M.C.]

Ten aanzien van de materiële schade heeft de benadeelde partij een bedrag gevorderd van € 351.000,00. Het hof overweegt hieromtrent dat op grond van de bewijsmiddelen vast staat dat de benadeelde partij inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden aan de verdachte heeft afgedragen, althans dat de verdachte zich deze heeft toegeëigend.

Anderzijds blijkt uit onder meer tapgesprekken en de verklaring van de benadeelde partij zelf dat er ook kosten zijn gemaakt voor onder meer de woning, kleding, kapper en het (taxi)vervoer van de benadeelde partij, die van deze verdiensten moeten worden afgetrokken. Voorts heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bedragen aan de benadeelde partij dan wel haar familie heeft terugbetaald.

De vordering betreft een algemene berekening die niet nader met stukken, zoals een belastingaangifte of administratie, is onderbouwd. Anderzijds is de betwisting van de vordering door de verdachte en zijn stelling bij de rechter-commissaris dat hij bedragen heeft terugbetaald evenmin nader onderbouwd. Voorts is uit de in beslag genomen bankoverzichten van de verdachte gebleken dat er in de periode van 1 januari 2005 tot 1 april 2007 een bedrag van in totaal ruim € 237.000,00 op zijn ABN-Amrobankrekening door middel van contante stortingen is gestort, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij geld van de benadeelde partij [M.C.] op zijn rekening heeft gestort.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Het hof schat deze als volgt. Bij de berekening van de materiële schade is uitgegaan van een periode van twee jaren en drie maanden (1 januari 2005 tot 1 april 2007, zijnde 117 weken), waarin de benadeelde partij een bedrag in totaal € 702.000,00 (117 weken x 6 dagen per week X € 1.000,00 per dag) door prostitutiewerkzaamheden heeft verdiend. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat de verdachte het grootste deel van deze verdiensten onder zich heeft gekregen. Daarvan moeten worden afgetrokken kosten die de verdachte ten behoeve van de benadeelde partij heeft betaald en gelden die door hem aan haar zijn teruggegeven. Het hof schat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dat de verdachte ten minste een tiende deel daarvan heeft genoten en niet aan de benadeelde partij heeft teruggegeven en zal bij wijze van voorschot op de schadevergoeding een bedrag van 10 % toekennen, zijnde een bedrag van € 70.200,00.

Het hof is van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de materiële schade voor het overige een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding.

Ten aanzien van de immateriële schade van [M.C.]

Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte ernstige schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 6.000,00 gevorderd ter vergoeding van de door haar als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde geleden immateriële schade. De benadeelde partij heeft daartoe aangevoerd dat mentaal veel schade is aangericht, dat sprake is van nachtmerries en herbelevingen. Uit een door de benadeelde partij overgelegde verklaring van een psycholoog blijkt dat mogelijk sprake is van een posttraumatische stoornis bij de benadeelde partij. De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 6.000,00.

Conclusie ten aanzien van de vordering van [M.C.]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 76.200,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [S.H.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 33.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [M.P.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 22.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [S. de la P.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 494,07. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 deels primair en deels subsidiair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 deels primair en deels subsidiair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1, 2, 3 deels primair en deels subsidiair, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 bewezen verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- zaktelefoon, Iphone (3498150)

- DVS kentekenbewijs (3498195) kenteken + autopapier nr. 32 slk2.

Vordering van de benadeelde partij [J. van O. ]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [J. van O. ] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 81.873,00 (eenentachtigduizend achthonderddrieënzeventig euro) aan materiële en immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [J. van O. ], een bedrag te betalen van € 81.873,00 (eenentachtigduizend achthonderddrieënzeventig euro) aan materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [M.C.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [M.C.] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 76.200,00 (zesenzeventigduizend tweehonderd euro) aan materiële en immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [M.C.], een bedrag te betalen van € 76.200,00 (zesenzeventigduizend tweehonderd euro) aan materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [S.H.]

Verklaart de benadeelde partij, [S.H.], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [M.P.]

Verklaart de benadeelde partij, [M.P.], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering van de benadeelde partij [S. de la P.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [S. de la P.] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 494,07 (vierhonderdvierennegentig euro en zeven cent) bestaande uit € 94,07 (vierennegentig euro en zeven cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [S. de la P.], een bedrag te betalen van € 494,07 (vierhonderdvierennegentig euro en zeven cent) bestaande uit € 94,07 (vierennegentig euro en zeven cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. C.N. Dalebout en mr. H.P. Wooldrik, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 september 2011.