Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6718

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
21-004001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het opzet in het onderhavige geval ziet niet op de wederrechtelijkheid, doch slechts op de aanwezigheid van de geprepareerde dieren. Er hoefde derhalve geen opzet te zijn op het strafbare karakter van de gedraging. Met andere woorden; niet vereist is dat verdachte wist dat wat hij deed niet mocht. Nu verdachte wist dat hij de geprepareerde dieren(delen) in zijn bezit had, is het opzet hiermee reeds gegeven.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004001-10

Uitspraak d.d.: 31 mei 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Utrecht van 1 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [postcode en woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 maart 2008 te Utrecht, al dan niet opzettelijk (een) product(en) van en/of (een) de(e)l(en) van dieren behorende tot (een) beschermde inheemse en/of uitheemse diersoort(en), te weten:

- een geprepareerde kop van een tijger (Panthera tigris) en/of

- een geprepareerde zeeschildpad (Cheloniidae spp.) en/of

- een geprepareerde brilkaaiman (Caiman crocodilus) en/of

- een geprepareerde steenmarter (Martes fiona) en/of

- een geprepareerde bunzing (Mustela putorius) en/of

- een geprepareerde eekhoorn (Sciurus vulgaris) en/of

- een geprepareerde grote mantelmeeuw (Larus marinus),

heeft gekocht en/of verworven en/of ten verkoop voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij niet wist dat het strafbaar was om de geprepareerde dieren die in de tenlastelegging zijn genoemd in bezit te hebben. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat verdachte geen opzet had op het tenlastegelegde.

Het hof verwerpt dit verweer nu het opzet in het onderhavige geval niet ziet op de wederrechtelijkheid, doch slechts op de aanwezigheid van de geprepareerde dieren. Er hoefde derhalve geen opzet te zijn op het strafbare karakter van de gedraging. Met andere woorden; niet vereist is dat verdachte wist dat wat hij deed niet mocht. Nu verdachte wist dat hij de geprepareerde dieren(delen) in zijn bezit had, is het opzet hiermee reeds gegeven.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 maart 2008 te Utrecht, opzettelijk delen van dieren behorende tot beschermde inheemse en/of uitheemse diersoort(en), te weten:

- een geprepareerde kop van een tijger (Panthera tigris) en

- een geprepareerde zeeschildpad (Cheloniidae spp.) en

- een geprepareerde brilkaaiman (Caiman crocodilus) en

- een geprepareerde steenmarter (Martes fiona) en

- een geprepareerde bunzing (Mustela putorius) en

- een geprepareerde eekhoorn (Sciurus vulgaris) en

- een geprepareerde grote mantelmeeuw (Larus marinus),

heeft verworven en in voorraad heeft gehad heeft gebruikt voor commercieel gewin en onder zich heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht aannemelijk dat verdachte niet wist dat het strafbaar was om de geprepareerde dieren die in de tenlastelegging zijn genoemd -met uitzondering van de geprepareerde tijgerkop, waarvan verdachte heeft gezegd dat hij wel wist dat het bezit hiervan niet juist was- in bezit te hebben. Desondanks acht het hof een strafoplegging aangewezen teneinde te laten blijken dat de handelswijze van verdachte niet juist is geweest.

Deze strafoplegging, een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte, is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 13 van de Flora- en faunawet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en de verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr R. de Groot en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 31 mei 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.