Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BT1698

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
200.084.223-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de verplichting van de onderhoudsplichtige om levensonderhoud te verschaffen geëindigd? De onderhoudsplichtige heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat de onderhoudsgerechtigde met een ander samenleeft als waren zij gehuwd; tussenbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 23 augustus 2011 in de zaak met zaaknummer 200.084.223/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. V.C.Th. van ’t Westende Meeder te Amersfoort,

t e g e n

[…],

wonende in de gemeente […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A. Alam Khan te Hoofddorp.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 21 maart 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 21 december 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 171637/10-2399 (es) en 173235/10-2976 (vd).

1.3. De man heeft op 12 mei 2011 nadere stukken ingediend en op 23 mei 2011 stukken die betrekking hebben op de procedure in eerste aanleg ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 24 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

1.5. De zaak is op 6 juli 2011 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen partijen, beiden bijgestaan door hun advocaten.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1998 gehuwd. De vrouw heeft de voormalig echtelijke woning in januari 2010 verlaten. Hun huwelijk is op 9 februari 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 december 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 1998 en […] (hierna: [kind B]) [in] 1999 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De kinderen verblijven bij de man.

2.2. Bij de echtscheidingsbeschikking is – voor zover thans van belang – de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

de ene week verblijft [kind B] op woensdag uit school van 12.15 uur tot 17.00 uur bij de vrouw, waarbij de vrouw [kind B] ophaalt en terugbrengt;

de andere week verblijven de kinderen bij voorkeur gedurende het weekend dat de huisgenoot van de vrouw werkt, van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw.

Ten aanzien van de schoolvakanties na 2011 zullen partijen een verdeling maken op het moment dat de schoolvakantieroosters bekend zijn.

2.3. Op 29 april 2011 hebben A.J. Hamming en R.P. van Zaalen van Hamming & Partners Recherche- en Adviesburo CV te Cothen (hierna: Hamming) een rapport uitgebracht naar aanleiding van een in opdracht van de man vanaf 23 februari 2011 tot en met 29 april 2011 door Hamming uitgevoerd onderzoek.

2.4. Bij beschikking van 21 juni 2011 van dit hof is het verzoek van de man de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking voor zover het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft te schorsen, afgewezen.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud bepaald van € 1.000,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tevens is bij de bestreden beschikking het verzoek van de man te bepalen dat hij geen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, afgewezen.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de vrouw voor zover dit betreft de uitkering tot haar levensonderhoud alsnog af te wijzen c.q. de uitkering op nihil te stellen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.3. De vrouw verzoekt het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het hof dient allereerst te beoordelen de stelling van de man dat zijn verplichting om de vrouw levensonderhoud te verschaffen is geëindigd ingevolge het bepaalde in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens de man leven de vrouw en […] (hierna: [X]) sinds januari 2010 samen als waren zij gehuwd, hetgeen door de vrouw wordt betwist.

4.2. Volgens vaste rechtspraak is voor een bevestigend antwoord van de vraag of sprake is van samenleven van de vrouw met [X] in de zin van artikel 1:160 BW vereist dat tussen hen een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uitgangspunt is daarbij dat het bepaalde in dit artikel restrictief wordt uitgelegd, gelet op de ingrijpende gevolgen die aan de toepassing ervan zijn verbonden.

4.3. Het hof overweegt op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting als volgt.

De vrouw heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg te kennen gegeven dat zij tijdelijk bij haar vriend verblijft. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting door de rechtbank op 25 november 2010, woont de vrouw in de tweekamerwoning van haar vriend. De vrouw heeft toen verklaard dat de kinderen, indien zij omgang met hen heeft, in de ene kamer slapen in aparte bedden en dat zij in de andere kamer slaapt met haar vriend. Hij wordt in het proces-verbaal door de vrouw ook als ‘haar partner’ aangeduid en zijn woning wordt door haar aangemerkt als ‘thuis’. Nadat de man ter zitting van 25 november 2010 had betoogd dat de vrouw met haar partner samenleeft als waren zij gehuwd, heeft de vrouw te kennen gegeven dat zij geen vaste relatie heeft met [X] en dat zij soms in een ander bed slaapt. Daarnaast is blijkens het proces-verbaal namens de vrouw verklaard dat zij geen huur betaalt, maar dat zij bijdraagt in de kosten van de boodschappen.

Vaststaat dat daar waar de vrouw haar vriend of haar partner heeft genoemd, zij hiermee [X] heeft bedoeld. De man heeft onbetwist gesteld dat [X] ongehuwd is en geen kinderen heeft.

De man heeft ter zitting in hoger beroep uitdraaien van chatberichten tussen de vrouw en [X] overgelegd die dateren van november 2009 en die getuigen van een affectieve relatie tussen hen. Namens de vrouw is ter zitting in hoger beroep bevestigd dat er in het verleden sprake is geweest van een affectieve relatie tussen haar en [X], maar dat deze van korte duur was, omdat er problemen waren rond de kinderen, en inmiddels is stukgelopen. Namens haar is naar voren gebracht dat zij thans alleen goede vrienden zijn.

In hoger beroep stelt de vrouw dat zij niet samenwoont met [X], die woont te [a], maar dat zij inwoont bij zijn moeder, [Y], te [b]. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

Gebleken is dat de woning van [Y] volgens de basisadministratie van de gemeente Haarlemmermeer vanaf 9 november 2010 het briefadres is van de vrouw en vanaf 1 april 2011 haar woonadres. Volgens het onderzoeksrapport van Hamming van 29 april 2011 is de vrouw evenwel nimmer in de woning van [Y] aangetroffen en is haar auto niet bij die woning gesignaleerd. De vrouw heeft haar stelling dat zij € 350,- per maand voor kost en inwoning aan [Y] betaalt, onvoldoende onderbouwd. Blijkens het rapport van Hamming verblijft de vrouw structureel bij [X] in zijn woning en is haar auto tijdens alle door Hamming uitgevoerde observaties bij [X]’ woning aangetroffen. De vrouw heeft betoogd dat zij haar auto weliswaar veelvuldig bij de woning van [X] parkeert, maar dat zij van daaruit naar vriendinnen loopt die daar in de buurt wonen, dan wel naar de woning van [Y] fietst om daar te overnachten. Het hof acht het betoog van de vrouw, dat door de man gemotiveerd is bestreden, evenwel onvoldoende aannemelijk.

Volgens het onderzoeksrapport van Hamming is de vrouw zowel in als buiten aanwezigheid van [X] in diens woning aangetroffen en zij zijn aldaar intiem zoenend gesignaleerd. De vrouw beschikt blijkens het rapport over de sleutels van de centrale ingang van het woningcomplex, van de brievenbus en de voordeur van [X]’ woning. Ze heeft er bezoekers ontvangen. Bovendien heeft ze verscheidene malen, al dan niet tezamen met [X], tassen met boodschappen in zijn woning binnengebracht, aldus het onderzoeksrapport van Hamming.

De vrouw heeft in hoger beroep te kennen gegeven dat zij het huis van [X] schoonmaakt en boodschappen haalt. Zij doet dit, zo stelt de vrouw, bij wijze van tegenprestatie, omdat [X] haar toestaat omgang met de kinderen in zijn woning te hebben en zij hem daarvoor niet kan betalen. De man heeft dit evenwel gemotiveerd weersproken.

Vaststaat dat indien de vrouw met beide kinderen tegelijkertijd omgang heeft, deze in de woning van [X] plaatsvindt. De man heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat de kinderen hem hebben verteld dat [X] altijd daarbij aanwezig is en dat de vrouw en [X] samen in een bed slapen. Volgens de man ondernemen de kinderen samen met de vrouw en [X] allerlei uitstapjes, zo heeft hij van de kinderen vernomen. [kind B] is met de vrouw en [X] een hele dag naar de familiedag van [X] geweest.

Uit het onderzoeksrapport van Hamming blijkt dat de vrouw kinderbijslag heeft aangevraagd op het adres van [X].

Het hof heeft voorts geconstateerd, dat op het aanvraagformulier voor een toevoeging ten behoeve van de vrouw d.d. 24 mei 2011 en op de loonstroken van de vrouw van Sodexo tot met 25 februari 2011 als haar adres opgeeft […] te [a], zijnde het adres van [X].

4.4. Al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat de man voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie waarin de vrouw en [X] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Het hof zal de vrouw toelaten tot het leveren van tegenbewijs op dit punt.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands door de man aannemelijk gemaakte stelling dat sprake is van samenleven van de vrouw en [X] in de zin van artikel 1:160 BW;

bepaalt dat de vrouw uiterlijk 23 september 2011 dit hof en de wederpartij op de hoogte stelt van de door haar aan te voeren bewijsmiddelen en/of de naam of namen van de te horen getuige(n);

bepaalt dat, indien de vrouw getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen plaatsvinden voor het lid van dit hof en deze kamer mr. R.G. Kemmers als raadsheer-commissaris, die tijd en plaats zal bepalen na schriftelijke opgave aan de griffie van het hof en de wederpartij van namen van te horen getuigen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, M.M.A. Gerritzen-Gunst en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.