Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS8922

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
200.085.894-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep voorlopige voorzieningen, doorbreking appelverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 26 juli 2011 in de zaak met zaaknummer 200.085.894/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. F.P. van Straelen te Alkmaar.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 21 april 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 28 maart 2011 van de rechtbank Alkmaar, met kenmerk 125404/ ES RK 10-1497.

1.3. De vrouw heeft op 18 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 30 mei 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 2007 gehuwd te Karatay (Turkije). Uit hun huwelijk is […] ([de minderjarige]) geboren [in] 2008. Zij oefenen gezamenlijk het gezag over haar uit.

2.2. Partijen zijn in juni 2010 naar Turkije vertrokken voor een zomervakantie.

De vrouw heeft in Turkije een verzoek tot echtscheiding ingediend.

2.3. Bij beschikking van de rechtbank Konya (Turkije) van 18 oktober 2010 is [de minderjarige] aan de vrouw toevertrouwd.

[de minderjarige] verblijft thans op een voor de vrouw onbekend adres.

2.4. Op 21 april 2011 heeft de vrouw een echtscheidingsverzoek in Nederland ingediend.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bij wege van voorlopige voorziening als bedoeld in art. 822 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), [de minderjarige] aan de vrouw toevertrouwd en de afgifte van [de minderjarige] aan de vrouw bevolen, uiterlijk binnen vier weken na betekening van die beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in eerste aanleg, althans het door haar verzochte af te wijzen, met veroordeling van haar in de kosten van de procedure.

3.3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ingevolge het bepaalde in art. 824 lid 1 Rv staat tegen een voorlopige voorziening, als bedoeld in art. 822 Rv geen hogere voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijk appelverbod worden doorbroken indien de rechter de desbetreffende regel ten onrechte heeft toegepast, dan wel heeft toegepast met verzuim van essentiële vormen, of ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

4.2. De man stelt dat er gronden bestaan voor doorbreking van voornoemd appelverbod. Hij voert daartoe onder meer aan dat de rechtbank Alkmaar zich gelet op het bepaalde in art. 10 lid 1 van het Verdrag inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband (Trb. 1979, 130) - waarbij Nederland en Turkije partij zijn -, van een beslissing had moeten onthouden en dat zij ten onrechte art. 822 Rv heeft toegepast.

4.3. Het hof volgt de man niet in zijn stelling. Art. 10 lid 1 van voormeld verdrag bepaalt dat, indien tevoren bij een autoriteit van een der Verdragsluitende Staten een vordering is ingesteld inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband, de autoriteiten der andere Verdragsluitende Staten zich ambtshalve van het nemen van een beslissing ten gronde inzake een bij hen ingestelde vordering betreffende hetzelfde onderwerp onthouden. Vaststaat dat de vrouw eerst in Turkije en nadien in Nederland een echtscheidingsverzoek heeft ingediend. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank evenwel geen oordeel gegeven op het echtscheidingsverzoek van de vrouw, maar op haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Een dergelijke voorziening kan niet als een beslissing ten gronde inzake het ontbinden, het slaken, het bestaan of het niet-bestaan, de geldigheid of de nietigheid van de huwelijksband worden aangemerkt.

Het antwoord op de vraag of de vrouw na het indienen van haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen tijdig een echtscheidingsverzoek in Nederland heeft ingediend en of de Nederlandse rechter bevoegd is van dat echtscheidingsverzoek kennis te nemen, is niet van belang voor het antwoord op de vraag of het appelverbod kan worden doorbroken.

4.4. In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van art. 10 van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel IIbis), rechtsmacht toekomt. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat [de minderjarige] tot haar vertrek naar Turkije in juni 2010 haar gewone verblijfplaats had in Nederland en aldaar staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij nadien een gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft verkregen. Gezien het vorenstaande was de rechtbank Alkmaar bevoegd van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen. De stelling van de man dat de vrouw, zo begrijpt het hof, misbruik van procesrecht maakt door in Nederland een echtscheidingsprocedure aanhangig te maken, is, wat er van de juistheid van die stelling zij, niet van belang.

4.5. De man keert zich eveneens tegen de oplegging van dwangsommen door de rechtbank. Voor zover de man daarmee heeft willen aanvoeren dat de rechtbank artikel 611a Rv ten onrechte heeft toegepast, vindt zijn betoog geen steun in het recht. Voor het overige behelst deze grief niet een tot de voor doorbreking van het appelverbod noodzakelijke grond -als genoemd onder 4.1-, zodat die grief geen nadere bespreking behoeft. Om dezelfde reden komt het hof evenmin toe aan bespreking van de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vrouw een spoedeisend belang bij haar verzoek heeft.

4.6. Het bovenstaande brengt mee dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.

4.7. Gelet op de uitkomst van de procedure en de onderbouwing van het verzoek van de man in hoger beroep, ziet het hof aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten, zoals door de vrouw is verzocht.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan de dag van deze uitspraak aan de zijde van vrouw begroot op € 1.788,- aan salaris advocaat en € 284,- aan griffierecht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.V.T. de Bie en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2011 door de oudste raadsheer.