Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS8919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
200.087.815-01 en 200.087.816-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 26 juli 2011 in de zaken met zaaknummers 200.087.815/01 en 200.087.816/01 van:

1. […],

2. […],

3. […],

allen wonende te […],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. G.P. Dayala te Amsterdam,

t e g e n

BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellanten sub 1, 2 en 3 en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder, de grootmoeder, de grootvader en BJAA genoemd.

1.2. Appellanten zijn in beide zaken op 23 mei 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 april 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 483993 / JE RK 11-530.

1.3. Beide zaken zijn op 27 juni 2011 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

• de moeder, de grootmoeder en de grootvader, bijgestaan door mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat

te Amsterdam;

• F.L.M. Huizinga namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

BJAA en […], de vader van de hierna te noemen minderjarigen [kind A] en [kind B] (hierna: de vader), zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 2002 en […] (hierna: [kind B]) [in] 2004 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De vader heeft de kinderen erkend. De moeder heeft het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen hebben geen contact met de vader.

2.2. Op 26 oktober 2008 is de moeder als gevolg van een hersentrombose in het ziekenhuis opgenomen. Zij heeft daarna circa zeven maanden in coma gelegen. De kinderen zijn door de grootouders in huis opgenomen, waar zij vanaf 10 november 2008 hebben gewoond. De moeder is na het ontwaken uit haar coma opgenomen in een revalidatiecentrum. De grootouders hebben de moeder opgevangen toen zij uit het revalidatiecentrum werd ontslagen. De moeder is gehandicapt en is voor haar verzorging grotendeels afhankelijk van de zorg van anderen. Voor communicatie is zij afhankelijk van een spraakcomputer.

De grootmoeder heeft in september 2010 drie TIA’s achter elkaar gehad. De kinderen zijn daarvan getuige geweest. Op 11 november 2010 zijn de kinderen uithuis geplaatst. Zij verblijven vanaf 21 december 2010 in een gezinshuis van Altra. Vanaf 3 januari 2011 gaan de kinderen naar een nieuwe school.

2.3. Bij beschikking van 20 oktober 2010 zijn de kinderen onder toezicht gesteld tot 20 april 2011. Bij beschikking van 11 november 2010 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gegeven. De kinderen verblijven in een gezinshuis.

2.4. Eind 2010 is het gezin van appellanten door BJAA aangemeld bij de Bascule te Amsterdam voor diagnostiek en behandeling.

2.5. BJAA heeft over zowel [kind A] als [kind B] een Plan van Aanpak (gezins)voogdij en op 3 januari 2011 een Evaluatie (gezins)voogdij opgesteld.

3. Het geschil in hoger beroep in beide zaken

3.1. Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van de kinderen op het daartoe strekkende verzoek van BJAA verlengd met ingang van 20 april 2011 voor de duur van een jaar. Tevens is daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder met ingang van 20 april 2011 verlengd voor de duur van zes maanden. Laatstgenoemde beslissing is gegeven op het verzoek van BJAA de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen gedurende dag en nacht voor verblijf in een accommodatie zorgaanbieder 24-uurs te verlengen voor de duur van een jaar.

3.2. Appellanten verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking;

a. de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen te beperken voor de duur van zes maanden en;

b. het inleidend verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

in de zaak met zaaknummer 200.087.815/01

4.1. Namens appellanten is ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat zij zich niet langer verzetten tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Hun grief tegen de verlenging behoeft derhalve geen bespreking.

in de zaak met zaaknummer 200.087.816/01

4.2. Aan de orde is de vraag of ten tijde van het geven van de bestreden beschikking de gronden voor verlenging van de uithuisplaatsing van de kinderen aanwezig waren en of deze gronden ook thans nog aanwezig zijn.

4.3. Appellanten stellen dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, bezien in het licht van de omstandigheid dat uithuisplaatsing een voor de kinderen zeer ingrijpende maatregel is. Volgens appellanten zijn ten aanzien van zowel de kinderen als henzelf niet zodanige zorgen aanwezig dat deze verhinderen dat zij de zorg voor de kinderen weer zelf ter hand nemen. Aangezien zij in staat zijn de kinderen vanuit de thuissituatie, met de nodige ambulante hulpverlening, een op hun behoeften aansluitende opvoeding en verzorging te bieden, ontbreekt de noodzaak tot uithuisplaatsing, aldus appellanten.

4.4. De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het hof niet te kunnen adviseren in deze zaak, omdat de Raad in de afgelopen jaren niet bij de kinderen betrokken is geweest en niet weet hoe het op dit moment met hen gaat. Daarnaast beschikt de Raad niet over een voor het geven van advies benodigde visie van BJAA over het perspectief op terugplaatsing van de kinderen.

4.5. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Niet is komen vast te staan dat er thans ten aanzien van de kinderen nog zorgen bestaan, die zouden kunnen rechtvaardigen dat zij nog langer uithuis geplaatst blijven. Ter zitting in hoger beroep hebben appellanten vele door BJAA gestelde feiten en vermoedens gemotiveerd betwist, terwijl de juistheid daarvan in onvoldoende mate is gebleken uit de stukken in het dossier. Gelet op zijn afwezigheid ter zitting heeft het BJAA zijn stellingen op dit punt niet toegelicht.

Volgens de over ieder der kinderen opgestelde Evaluatie (gezins)voogdij van BJAA worden de risico’s op mishandeling van hen door de grootouders als klein ingeschat, terwijl appellanten hebben weersproken dat mishandeling heeft plaatsgevonden. Voorts blijkt uit deze Evaluaties dat inmiddels een aanvang zou zijn gemaakt met een gezinsonderzoek bij de Bascule. BJAA heeft in eerste aanleg gesteld dat tijdens dit gezinsonderzoek de mogelijkheden voor thuisplaatsing van de kinderen zullen worden bezien en als deze er zijn, welke familieleden eventueel daarbij zouden kunnen helpen. Na afronding van dit onderzoek zal volgens BJAA na ommekomst van een jaar kunnen worden beoordeeld of de grootmoeder en de moeder sterk genoeg zijn om de opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen. BJAA heeft daarop voor de rechtbank betoogd dat de uithuisplaatsing van de kinderen hangende dit onderzoek dient voort te duren. Uit een door appellanten ter zitting overgelegde brief van de Bascule van 20 juni 2011 blijkt evenwel dat BJAA geruime tijd na de aanmelding van het gezin van appellanten voor gezinsdagbehandeling, voor de Bascule onduidelijk heeft gelaten met welk doel deze behandeling zou moeten plaatsvinden. De grootouders hebben volgens deze brief in maart 2011 aan de Bascule te kennen gegeven dat zij graag bereid zijn hun medewerking aan een eventueel gezinsdagbehandelingstraject te geven, teneinde hen te ondersteunen, indien de kinderen weer bij hen komen wonen. De Bascule heeft toen medegedeeld, zo is ter zitting in hoger beroep namens appellanten verklaard, dat wellicht hulpverlening nodig is, maar dat daarmee niet vanuit de Bascule kan worden begonnen zolang de kinderen uithuis zijn geplaatst. De gezinsdagbehandeling heeft volgens de brief van de Bascule evenwel nooit plaatsgevonden, nu BJAA de aanmelding hiervoor op 7 april 2011, zijnde enkele dagen na de behandeling van de zaak ter zitting in eerste aanleg, heeft ingetrokken.

4.6. Appellanten stellen dat de uithuisplaatsing van de kinderen, die vanuit hun toenmalige school heeft plaatsgevonden, tot gevolg heeft gehad dat de kinderen plotseling en geheel onverwacht de voor hen vertrouwde omgeving hebben moeten verlaten. De kinderen hebben dit als beangstigend ervaren en hebben daarmee volgens appellanten nog steeds moeite. De overstap naar een andere school is voor [kind B] niet gunstig geweest, nu hij het afgelopen leerjaar dient te doubleren. De grootouders hebben daarnaast ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij indertijd logopedie hadden geregeld voor [kind B] vanwege zijn spraakproblemen. Hij ging hier wekelijks naar toe, maar sinds zijn uithuisplaatsing heeft hij geen logopedie meer gehad. De grootouders hebben als hun voornemen uitgesproken dat [kind B] na zijn thuisplaatsing weer naar logopedie gaat.

De grootmoeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het goed met haar gaat en dat zij in staat is de zorg voor de kinderen, naast de zorg voor de moeder, die dagelijks naar een dagverblijf gaat, op zich te nemen. Bovendien hebben de grootouders te kennen gegeven dat het vinden van een andere, grotere huurwoning voor hun gezin op korte termijn realiseerbaar is. De bereidheid van de grootouders om naar een grotere woning te verhuizen wordt bevestigd in de brief van de Bascule van 20 juni 2011. De grootouders hebben uiteen gezet dat een verhuizing echter pas zal plaatsvinden, indien duidelijk is dat de kinderen weer bij hen thuis worden geplaatst. Zo lang dat laatste niet vast staat, bestaat geen noodzaak voor het maken van hogere kosten, die een verhuizing met zich zal brengen. Voor zover de grootouders zoals zij ter zitting hebben verklaard willen verhuizen naar een landelijker omgeving waar meer rust en privacy heerst en er betere mogelijkheden voor een betaalbare grotere woning zijn, acht het hof dat zeker geen bezwaarlijk voornemen in het licht van de belangen van de kinderen.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene oordeelt het hof dat in het licht van de ontwikkeling van de kinderen de gronden voor en daarmee de noodzaak tot verlenging van de machtiging tot hun uithuisplaatsing thans niet langer aanwezig zijn. Het hof gaat daarbij wel ervan uit dat de grootouders overeenkomstig hun toezegging ter zitting in hoger beroep op zeer korte termijn zullen verhuizen naar een andere, grotere woning.

4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.087.815/01:

verwerpt het beroep tegen de bestreden beschikking van 5 april 2011 voor zover daarbij de ondertoezichtstelling van de kinderen is verlengd met ingang van 20 april 2011 voor de duur van een jaar;

In de zaak met zaaknummer 200.087.816/01:

vernietigt de bestreden beschikking van 5 april 2011 voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder is verlengd voor het tijdvak met ingang van heden en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van BJAA voor zover dit betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen met ingang van heden alsnog af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.R. Sturhoofd en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2011 door de oudste raadsheer.