Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS8680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
200.079.185/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij niets hebben gedaan met de meldingen van klager dat hij bedreigd werd door de schuldeiser. Dat de situatie is geëscaleerd, waarbij klager daadwerkelijk mishandeld werd door de schuldeiser, is volgens klager mede veroorzaakt door het passieve gedrag van de gerechtsdeurwaarders. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, met uitzondering van het navolgende.

Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat het opleggen van een maatregel niet achterwege kan blijven. De gerechtsdeurwaarders stellen - terecht - dat zij met het doorsturen van de correspondentie van klager naar het door de schuldeiser ingeschakelde incassobureau, adequaat gehandeld hebben. Hen kan echter wel verweten worden dat zij klager of zijn gemachtigde hierover te laat hebben ingelicht. Van de gerechtsdeurwaarders had verwacht mogen worden dat zij na kennisneming van de door de gemachtigde van klager geschreven brief, waarin is vermeld dat klager door de schuldeiser was lastiggevallen, de situatie zoals door klager geschetst serieus zouden nemen. De door hen ingenomen passieve houding is daarbij niet op zijn plaats. Het hof is van oordeel dat dit handelen van de gerechtsdeurwaarders dermate laakbaar is dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 26 juli 2011 in de zaak onder nummer 200.079.185/01 GDW van:

[klager],

wonende te [ ],

APPELLANT,

gemachtigde: A.L.M. Gobits,

t e g e n

1. [de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

2. [de waarnemend gerechtsdeurwaarder],

waarnemend gerechtsdeurwaarder te [ ],

3. [de kandidaat gerechtsdeurwaarder],

kandidaat gerechtsdeurwaarder te [ ],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: F.J.A.M. Pijnenburg.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder klager, is bij een op 21 december 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlage – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder de kamer, van 30 november 2010, waarbij de kamer de klacht van klager tegen geïntimeerden, verder de gerechtsdeurwaarders, gegrond heeft verklaard en is afgezien van het opleggen van een maatregel.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 21 januari 2011 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 april 2011. De beide gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders - kort gezegd – dat zij niets hebben gedaan met de meldingen van klager dat hij bedreigd werd door de schuldeiser. Dat de situatie is geëscaleerd, waarbij klager daadwerkelijk mishandeld werd door de schuldeiser, is volgens klager mede veroorzaakt door het passieve gedrag van de gerechtsdeurwaarders.

4.2. Voorts maakt klager de gerechtsdeurwaarders een verwijt over de toonzetting in de brief van 12 maart 2010. Klager meent dat deze toonzetting een gerechtdeurwaarder onwaardig is.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders voeren aan dat de schuldeiser niet hun directe opdrachtgever was, maar het door hem ingeschakelde incassobureau. Alle brieven van klager zijn dan ook direct doorgezonden naar dit incassobureau. Volgens de gerechtsdeurwaarders hebben zij hiermee voldoende adequaat gereageerd op de mededelingen van klager dat hij bedreigd werd. Ten aanzien van de woordkeuze in de brief van 12 maart 2010 merken de gerechtsdeurwaarders op dat deze inderdaad wellicht anders had gekund. De gerechtsdeurwaarders menen dat hen geen enkel klachtwaardig handelen verweten kan worden.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, met uitzondering van het navolgende.

6.2. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat het opleggen van een maatregel niet achterwege kan blijven. De gerechtsdeurwaarders stellen - terecht - dat zij met het doorsturen van de correspondentie van klager naar het door de schuldeiser ingeschakelde incassobureau, adequaat gehandeld hebben. Hen kan echter wel verweten worden dat zij klager of zijn gemachtigde hierover te laat hebben ingelicht. Van de gerechtsdeurwaarders had verwacht mogen worden dat zij na kennisneming van de door de gemachtigde van klager geschreven brief van 20 oktober 2009, waarin is vermeld dat klager door de schuldeiser was lastiggevallen, de situatie zoals door klager geschetst serieus zouden nemen. De door hen ingenomen passieve houding is daarbij niet op zijn plaats. Uit de brief van de gemachtigde van klager blijkt dat deze ervan uitging dat de schuldeiser de rechtstreekse opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders was. De gerechtsdeurwaarders hadden de gemachtigde van klager onverwijld dienen te informeren dat zij de brief van 20 oktober 2009 aan hun opdrachtgever, niet de schuldeiser, maar diens incassobureau hadden doorgestuurd. Dat de gerechtsdeurwaarders eerst bij brief van 23 november 2009 naar de gemachtigde van klager hebben gereageerd op de brief van 20 augustus 2009 van de gemachtigde van klager en de hiervoor genoemde brief van 20 oktober 2009, is op zichzelf al tuchtrechtelijk laakbaar. Met de kamer is het hof voorts van oordeel dat de in de brief van 12 maart 2010 opgenomen,passage: “Een klacht indienen op basis van deze casus tegen een van onze deurwaarder wordt door ons gezien als misbruik/chantage en levert ons inziens klachtwaardig handelen van uzelf op” onbehoorlijk is. Een dergelijke wijze van communiceren acht het hof niet passend voor een gerechtsdeurwaarder.

6.3. Het hof is van oordeel dat dit handelen van de gerechtsdeurwaarders dermate laakbaar is dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.5. Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer voor wat betreft het niet opleggen van een maatregel en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

- legt de gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;

- bevestigt de beslissing voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 juli 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 30 november 2010 zoals bedoeld in artikel 43, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 207.2010 ingesteld door:

[ [,

wonende te [ ],

klager,

gemachtigde [ ],

tegen:

[ ], [ ] en [ ],

respectievelijk verbonden als gerechtsdeurwaarder; waarnemend gerechtsdeurwaarder en kandidaat gerechtsdeurwaarder aan [ ] Gerechtsdeurwaarders (hierna: [ ]), vestiging [ ], beklaagden.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 16 maart 2010, ingekomen op 19 maart 2010, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders.

Bij aangehechte brief van 22 april 2010, ingekomen op 23 april 2010, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2010. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De uitspraak is bepaald op 30 november 2010.

1. De feiten

a) Een aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarders te [ ] verbonden kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft op verzoek van [ ] te [ ] klager gedagvaard voor de kantonrechter te [ ]. Het kantoor te [ ] werd nadien ook belast met de tenuitvoerlegging van het naar aanleiding van vorenbedoelde dagvaarding verkregen vonnis d.d. 1 oktober 2009.

b) Bij brief van 20 augustus 2009 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarders geschreven dat hij van zijn cliënt had vernomen dat de schuldeiser met geweld betaling zou gaan afdwingen en dat hij erop vertrouwde, dat de gerechtsdeurwaarders die schuldeiser er op zouden doen wijzen dat hij daarmee zijn boekje te buiten zou gaan.

c) Bij brief van 20 oktober 2009 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarders medegedeeld dat de schuldeiser zijn cliënt daadwerkelijk had lastig gevallen. Hij heeft de gerechtsdeurwaarders nogmaals verzocht die schuldeiser tot de orde te doen roepen.

d) Bij brief van 23 november 2009 hebben de gerechtsdeurwaarders de gemachtigde van klager onder meer medegedeeld dat zijn brief aan hun opdrachtgever ([ ] te [ ]) is voorgelegd.

e) Bij brief van 2 februari 2010 heeft de gemachtigde van klager de gerechtsdeurwaarders verwezen naar zijn eerdere brieven en medegedeeld dat de schuldeiser zijn cliënt daadwerkelijk heeft mishandeld.

f) Bij brief van 19 februari 2010 hebben de gerechtsdeurwaarders aan klagers gemachtigde medegedeeld dat zijn brief is doorgeleid naar hun opdrachtgever.

g) Vervolgens is tussen de gemachtigde van klager en de gerechtsdeurwaarders verder gecorrespondeerd bij brieven van 24 februari 2010 en 3, 10 en 12 maart 2010.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat deze klaarblijkelijk niets hebben gedaan om de schuldeiser tot de orde te doen roepen en de Koninklijke weg te bewandelen, maar hem blijkbaar oogluikend als een ordinaire straatvechter zijn gang hebben laten gaan om de vordering te incasseren. Het passieve gedrag van de gerechtsdeurwaarders en met name de nalatigheid om hun opdrachtgever aan te zetten om de schuldeiser tot de orde te roepen, ligt naar de mening van klagers gemachtigde aan de basis van de escalatie. Dit en de door de gerechtsdeurwaarders gebruikte bewoordingen in hun brief van 12 maart 2010 is een gerechtsdeurwaarder onwaardig

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarders hebben de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt hierna op het verweer ingegaan.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (kandidaat-) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk (kandidaat-)gerechtsdeurwaarder betaamt. Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarders een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Ter zitting is gebleken dat de aanwezige gerechtsdeurwaarder [ ] van oordeel is dat de klacht niet tegen hem gericht geacht dient te zijn. De Kamer is van oordeel dat de interne bevoegdheidsverdeling en verantwoordelijkheden bij [ ], geen beperkingen met zich dienen te brengen voor de externe verantwoording bij de tuchtrechter. Het ligt op de weg van een organisatie als [ ] om in het verweerschrift aan te geven tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht gericht dient te worden geacht. Nu daarover in het verweerschrift en ter zitting geen duidelijkheid is verstrekt, anders dan dat het kantoor van [ ] te [ ] betreft, ziet de Kamer aanleiding de klacht gericht te achten tegen de in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarders. Hierbij is in aanmerking genomen dat de klacht gericht is tegen mevrouw [ ] en de andere verantwoordelijke gerechtsdeurwaarders van de vestiging van [ ] te [ ]. De brieven van de gemachtigde van klager zijn ook steeds beantwoord door de in de aanhef genoemde en aan de vestiging [ ] verbonden, gerechtsdeurwaarders. Ten overvloede wordt overwogen dat het kantoor van de gerechtsdeurwaarders voortaan eenvoudigweg bij de beantwoording van een klacht kan aangeven wie de betrokken gerechtsdeurwaarder(s) is/zijn.

4.4 De Kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarders niet adequaat hebben gereageerd op de herhaalde meldingen dat de schuldeiser klager bedreigde. Dat de schuldeiser niet de directe opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarders was, maar het door hem ingeschakelde incassobureau, maakt dit niet anders, temeer nu de gerechtsdeurwaarder ook dat niet hebben uitgelegd aan klager of diens gemachtigde. Vorenstaande leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat zij daardoor tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld.

4.5 Dit ligt anders ten aanzien van het gegeven dat de gerechtsdeurwaarders eerst bij brief van 23 november 2009 hebben gereageerd op de brieven van de gemachtigde van klager van 20 augustus 2009 en 20 oktober 2009. Omdat de beantwoording van bovengenoemde brieven zo lang uitbleef, terwijl die beantwoording daarenboven blijk geeft van een passieve houding van de gerechtsdeurwaarders, en de gerechtsdeurwaarders klager ook niet tijdig hebben medegedeeld dat de brieven ter beantwoording waren doorgezonden, is dit onderdeel van de klacht terecht voorgesteld.

4.6 Zeker van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij communiceert op een wijze die in het algemeen als passend en fatsoenlijk mag worden beschouwd. De Kamer is van oordeel dat de brief van de gerechtsdeurwaarders aan de gemachtigde van klager van 12 maart 2010 niet aan vorenstaande eis voldoet. Vooral de opmerking in de voorlaatste alinea’: “Een klacht indienen op basis van deze casus tegen een van onze deurwaarder wordt door ons gezien als misbruik/chantage en levert ons inziens klachtwaardig handelen van uzelf op’ acht de Kamer onbehoorlijk en een gerechtsdeurwaarder onwaardig. Ook gelet daarop dient de klacht gegrond te worden verklaard.

4.7 Gelet op het gewicht van de gegrond verklaarde klachten zal aan de gerechtsdeurwaarders geen maatregel worden opgelegd.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart de klacht gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarders geen maatregel op.

Aldus gegeven door mr. C.M. Berkhout, voorzitter, mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend voorzitter en mr. A. C.J.J.M. Seuren lid en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2010 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.