Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS8666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
200.059.530/01 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat de gerechtdeurwaarder niet onjuist heeft gehandeld. Onbetwist heeft hij gesteld dat hij niet op de hoogte was van de betaling van de hoofdsom van klager aan zijn tandarts. Het beslag op de auto is reeds daarom niet onrechtmatig gelegd. De kosten van de betekening van het vonnis heeft klager niet voldaan. Nu deze kosten voor rekening van klager komen en hij deze niet heeft voldaan, ook niet nadat medewerkers van het kantoor van de gerechtsdeurwaarders hem de gang van zaken met betrekking tot de beslaglegging hadden uitgelegd is niet onbegrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder de beslaglegging heeft gehandhaafd. Het hof vernietigt de bestreden beslissing van de Kamer van Toezicht en verklaart de klacht ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 januari 2011 in de zaak onder nummer 200.059.530/01 GDW van:

[de gerechtsdeurwaarder],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

APPELLANT,

tegen

[klager],

wonende te [ ],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder: de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 11 maart 2010 ter griffie ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 2 maart 2010, waarbij het verzet van geïntimeerde, verder: klager gegrond is verklaard, de beslissing van de voorzitter, eveneens aan deze beslissing gehecht, is vernietigd en de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping.

1.2. Van de zijde van klager is op 19 april 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 november 2010, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

a) Klager is bij vonnis van de kantonrechter te [ ] van 17 februari 2009 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 433,20 aan zijn tandarts. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

b) Bij brief van 19 februari 2009 heeft de gemachtigde van klagers tandarts aan klager meegedeeld dat hij voormeld bedrag binnen 5 dagen dient over te maken, onder aanzegging van executiekosten indien dit niet gebeurt.

c) Op 16 maart 2009 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder het vonnis aan klager betekend en klager bevel gedaan om aan de gerechtsdeurwaarder binnen twee dagen de hoofdsom vermeerderd met de kosten van het exploot ad

€ 82,75 te voldoen.

d) Op 17 maart 2009 is de hoofdsom ad € 433,20 van de rekening van klager afgeschreven naar de rekening van zijn tandarts. Klager heeft de kosten van het exploot niet voldaan.

e) Op 22 april 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op de auto van klager en dit beslag aan klager overbetekend.

f) Klager heeft de gerechtsdeurwaarder diezelfde dag telefonisch meegedeeld dat de hoofdsom reeds is betaald aan de opdrachtgever.

g) Bij brief van 24 april 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder klager meegedeeld wat hij nog diende te betalen.

h) Omdat van klager geen reactie werd ontvangen is op 15 mei 2009 ten laste van klager beslag gelegd onder de Rabobank. Nadat het verschuldigde was afgedragen is het bankbeslag opgeheven.

i) Bij brief van 18 mei 2009 heeft mr. R.J. Voorink, advocaat te Zutphen de gerechtsdeurwaarder gemaand de door de Rabobank bij klager in rekening gebrachte kosten te voldoen nadat klager de kosten van betekening ad € 82,75 heeft voldaan.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij (tweemaal) onrechtmatig beslag heeft gelegd en nodeloos kosten heeft gemaakt.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft de stellingen van klager betwist en zich als volgt verweerd.

5.2. De gerechtsdeurwaarder heeft naar voren gebracht dat hij ten tijde van de beslaglegging op de auto niet op de hoogte was van de rechtstreekse betaling van klager aan zijn tandarts en dat, toen de zaak bij zijn kantoor in behandeling was gegeven, betalingen plaats dienden te vinden op zijn kantoorrekening. Toen betaling uit bleef heeft de gerechtsdeurwaarder- nadat klager geruime tijd in de gelegenheid is gesteld om rechtstreeks aan het vonnis te voldoen, dan wel een regeling te treffen – beslag gelegd op de auto van klager. In een later stadium, toen inmiddels - door de betaling van de hoofdsom door klager – een bankrekeningnummer van klager bekend was geworden en de gerechtsdeurwaarder op grond van uitlatingen van klager moest vrezen voor verduistering van de auto, is beslag gelegd op de bankrekening van klager onder de Rabobank. Dat laatste gebeurde tevens uit efficiëntie - en kostenoverwegingen in het belang van klager, aldus de gerechtsdeurwaarder.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat de gerechtdeurwaarder niet onjuist heeft gehandeld. Onbetwist heeft hij gesteld dat hij niet op de hoogte was van de betaling van de hoofdsom van klager aan zijn tandarts. Het beslag op de auto is reeds daarom niet onrechtmatig gelegd. De kosten van de betekening van het vonnis heeft klager niet voldaan. Nu deze kosten voor rekening van klager komen en hij deze niet heeft voldaan, ook niet nadat medewerkers van het kantoor van de gerechtsdeurwaarders hem de gang van zaken met betrekking tot de beslaglegging hadden uitgelegd is niet onbegrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder de beslaglegging heeft gehandhaafd.

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de gerechtsdeurwaarder oog heeft gehad voor zowel het belang van zijn opdrachtgever als dat van klager. Daarnaar gevraagd heeft de gerechtsdeurwaarder nader uitgelegd dat, nadat het rekeningnummer van de bankrekening van klager bekend werd door de betaling van klager aan zijn tandarts, hij ten voordele van klager gekozen heeft voor beslaglegging op de bankrekening, omdat hiermede minder kosten gemoeid zouden zijn dan met handhaving van het beslag op de auto, inbewaringstelling van de auto en het entameren van een openbare verkoop. Gelet op dit een en ander acht het hof de beslaglegging op de bankrekening evenmin onrechtmatig.

6.2. Klager heeft erkend dat hij pas na de beslaglegging op de auto contact heeft opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Ook heeft hij niet weersproken dat hij in de gelegenheid is gesteld om de zaak in der minne te regelen. Betaling van de hoofdsom van de vordering ontslaat klager niet van de verplichting om de overige kosten die voortvloeien uit de betekening en de executie van het vonnis, te voldoen. Door niet of althans niet tijdig te reageren heeft klager bewust het risico genomen dat hij geconfronteerd werd met aanzienlijk hogere kosten.

6.3. Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, M.W.E. Koopmann en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 januari 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beschikking van 22 september 2009 zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer 349.2009 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen op 3 juni 2009 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Op 30 juni 2009 is het aangehechte verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder ontvangen.

1. De feiten

a) Klager is bij vonnis van de kantonrechter te [ ] van 17 februari 2009 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 433,20 aan zijn tandarts. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

b) Bij brief van 19 februari 2009 heeft de gemachtigde van klagers tandarts aan klager meegedeeld dat hij voormeld bedrag binnen 5 dagen dient over te maken, onder aanzegging van executiekosten indien dit niet gebeurt.

c) Op 16 maart 2009 heeft een medewerker van de gerechtsdeurwaarder het vonnis aan klager betekend en klager bevel gedaan om aan de gerechtsdeurwaarder binnen twee dagen de hoofdsom vermeerderd met de kosten van het exploot ad € 82,75 te voldoen.

c) Op 17 maart 2009 is de hoofdsom ad € 433,20 van de rekening van klager afgeschreven naar de rekening van zijn tandarts. Klager heeft de kosten van het exploot niet voldaan.

d) Op 22 april 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op de auto van klager en dit beslag aan klager overbetekend.

e) Klager heeft de gerechtsdeurwaarder diezelfde dag telefonisch meegedeeld dat de hoofdsom reeds is betaald aan de opdrachtgever.

f) Bij brief van 24 april 2009 heeft de gerechtsdeurwaarder klager meegedeeld wat hij nog diende te betalen.

g) Omdat van klager geen reactie werd ontvangen is op 15 mei 2009 ten laste van klager beslag gelegd onder de Rabobank. Nadat het verschuldigde was afgedragen is het bankbeslag opgeheven.

h) Bij brief van 18 mei 2009 heeft mr. [ ], advocaat te [ ] de gerechtsdeurwaarder gemaand de door de Rabobank bij klager in rekening gebrachte kosten te voldoen nadat klager de kosten van betekening ad € 82,75 heeft voldaan.

2. De klacht

Klager stelt zich op het standpunt – samengevat – dat

- er vanaf het moment dat hij de hoofdsom aan zijn tandarts had betaald geen executoriale titel meer bestond;

- de beslagen onrechtmatig zijn gelegd en de gehanteerde tarieven niet juist zijn;

- de gerechtsdeurwaarder onbehoorlijk handelt doordat hij klager nog steeds niet officieel heeft bericht dat het beslag is opgeheven;

- de gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders.

Klager heeft verzocht de gerechtsdeurwaarder te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.509,95 wegens geleden schade en tot het schrijven van een excuusbrief aan de Rabobank. Daarnaast heeft hij verzocht de gerechtsdeurwaarder een disciplinaire maatregel op te leggen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht onder overlegging van bewijsstukken bestreden en hiertegen aangevoerd – samengevat – dat klager de gemachtigde van de tandarts en de gerechtsdeurwaarder niet heeft geïnformeerd over de rechtstreekse betaling. Klager heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om te betalen zonder tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder. De gevolgen daarvan dienen voor zijn rekening te komen aldus de gerechtsdeurwaarder. Er was geen noodzaak te bevestigen dat het beslag was opgeheven omdat dit met klager is besproken door zowel de betrokken medewerker van de Rabobank als door de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder acht klager niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schadevergoeding.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn (kandidaat) gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

4.2 Ter beoordeling staat of de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging in voormelde zin oplevert. Die vraag wordt ontkennend beantwoord op grond van het navolgende.

4.3 Op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Gerechtsdeurwaarderswet rust op een gerechtsdeurwaarder een zogenaamde “ministerieplicht”. Gelet op deze door de wetgever aan de gerechtsdeurwaarder verleende monopoliepositie, is deze wettelijk verplicht om uitvoering te geven aan een opdracht tot het uitvoeren van een ambtshandeling zoals hier het betekenen van een vonnis. De overhandiging van het vonnis machtigt de gerechtsdeurwaarder ingevolge artikel 434 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot het doen van de gehele uit de aan hem overhandigde titel (het vonnis) voortvloeiende executie.

4.4 Op grond van het navolgende kan niet gezegd worden dat de door de gerechtsdeurwaarder gemaakte kosten onnodig en daardoor in strijd met artikel 10 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders, zijn gemaakt zoals klager aanvoert.

4.4 Klager is door de gemachtigde van zijn tandarts bij brief van 19 februari 2009 in de gelegenheid gesteld binnen 5 dagen aan het vonnis te voldoen. Hierbij is hij gewezen op de (gevolgen van) inschakeling van de gerechtsdeurwaarder. Klager erkent dat hij eerst op zaterdag 14 maart 2009 per bankgiro de opdracht tot betaling van het verschuldigde bedrag aan de tandarts heeft verricht. Klager kon toen echter niet meer volstaan met betaling van de hoofdsom aan zijn tandarts. Dit moet hem ook duidelijk zijn geworden omdat de dagvaarding van 16 maart 2009 duidelijk vermeld dat klager € 433,20 aan hoofdsom en € 82,75 aan explootkosten dient te betalen aan de gerechtsdeurwaarder.

4.6 Voorts kan niet gezegd kan worden dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte de executie heeft voortgezet nadat het vonnis was betekend. Klager weigerde immers de met de executie samenhangende kosten te voldoen.

4.6 Klagers stelling dat de door de gerechtsdeurwaarder gehanteerde tarieven niet juist zijn slaagt niet omdat de door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten niet strijdig zijn met het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders zoals dat gold ten tijde van belang.

4.7 Dat de gerechtsdeurwaarder klager niet separaat heeft bericht dat het beslag is opgeheven is evenmin tuchtwaardig. Dit beslag is immers pas opgeheven nadat klager akkoord was gegaan met voldoening van het verschuldigde, zodat de gerechtsdeurwaarder er op kon en mocht vertrouwen dat klager dit wist.

4.8 Gelet op vorenstaande kan niet gezegd worden dat de gerechtsdeurwaarder door de wijze waarop hij zich in het onderhavige geval van zijn taak heeft gekweten de goede en onafhankelijke vervulling van zijn ambt, dan wel het aanzien daarvan, heeft beschaamd of belemmerd.

4.9 Het verzoek van klager met betrekking tot het vergoeden van de schade zal de Kamer passeren, reeds daarom omdat voor dergelijke verzoeken in een tuchtprocedure geen plaats is.

5. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt beslist als volgt.

BESCHIKKING

De voorzitter

- wijst de klacht als zijnde kennelijk ongegrond af.

Aldus gewezen op 22 september 2009 door mr. A.W.J. Ros, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beschikking kan klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing schriftelijk verzet doen bij de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 2 maart 2010 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet met nummer 610.2009 ingesteld door:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 22 september 2009 (zaaknummer 349.2009) heeft de voorzitter van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klager tegen beklaagde ingediende klacht.

Bij brief van 28 september 2009 is klager een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden. Op 10 oktober 2009 heeft klager tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 januari 2010. Klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Bij e-mail van 20 november 2009 heeft de secretaris van de Kamer aan de gerechtsdeurwaarder geantwoord dat om praktische redenen naast het verzet ook de klacht inhoudelijk zou worden behandeld en de gerechtsdeurwaarder bij verstek dus niet opnieuw zou kunnen reageren.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 2 maart 2010.

2. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager samengevat aangevoerd dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter, omdat niet alle feiten juist zijn vastgesteld en niet op alle argumenten zoals verwoord in de klacht is ingegaan.

3. De ontvankelijkheid van het verzet.

Klager heeft het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in zijn verzet kan worden ontvangen.

4. De inleidende klacht

Klager verweet de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat dat deze onrechtmatig beslag heeft gelegd en nodeloos kosten heeft gemaakt.

5. De beslissing van de voorzitter

De voorzitter heeft geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder niet in strijd heeft gehandeld met de tuchtrechtelijke norm. De voorzitter was van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 Naar het oordeel van de Kamer heeft de gerechtsdeurwaarder in hoge mate onzorgvuldig gehandeld, omdat gebleken is dat aan het beslag op de auto van 22 april 2009, geen gevolg is gegeven en de gerechtsdeurwaarder al op 15 mei 2009 opnieuw beslag ten laste van klager beslag heeft gelegd op diens bankrekening, terwijl de hoofdsom inmiddels al was voldaan. Deze tweede beslaglegging was daardoor voorbarig en de kosten daarvan zijn nodeloos veroorzaakt. Dit onderdeel van de klacht acht de Kamer gegrond en rechtvaardigt de na te melden maatregel op te leggen.

6.2 Gebleken is dat waar in de beschikking onder 4.3 “vonnis” is vermeld, “bevel tot betaling” is bedoeld.

6.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt de beslissing van de voorzitter;

- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond;

- legt voor het gegronde deel van de klacht aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

- bepaalt dat waar in de beschikking sub 4.3. “de overhandiging van het vonnis” is vermeld, moet worden gelezen: het bevel tot betaling.

Aldus gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H. Dubois en mr. A.C.J.J.M. Seuren (plaatsvervangend) leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2010 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.