Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS7494

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2011
Datum publicatie
14-09-2011
Zaaknummer
09/00438
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking tot herindeling van de voor belanghebbende geldende sectorindeling premieheffing werknemersverzekeringen is ten onrechte niet ontvankelijk verklaard, ook voor zover het bezwaar betrekking heeft op de jaren 2002 tot en met 2005. De inspecteur is bevoegd op het bezwaar een beslissing te nemen en dient daarbij het oude recht inclusief het destijds gevormde beleid en jurisprudentie toe te passen. De inspecteur dient in het onderhavige geval echter geen verdergaande terugwerkende kracht te verlenen aan de beschikking tot herinderling dan reeds in de uitspraak op bezwaar is geschied.

Wetsverwijzingen
Wet financiering sociale verzekeringen 57
Wet financiering sociale verzekeringen 95
Wet financiering sociale verzekeringen 96
Wet financiering sociale verzekeringen 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/2294
FutD 2011-2233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P09/00438

14 juli 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde L.J.H. Hermans (Deloitte Belastingadviseurs B.V. te Eindhoven)

tegen een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden/kantoor Hoofddorp, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij brief van 14 december 2007 heeft belanghebbende een verzoek ingediend tot herziening van de voor haar geldende sectorindeling premieheffing werknemers-verzekeringen. Belanghebbende heeft verzocht tot herindeling van sector 52 (Uitzendbedrijven) in sector 20 (Havenbedrijven) met ingang van 1 januari 2007.

1.2. Bij beschikking, gedagtekend 17 november 2008, heeft de inspecteur belanghebbende met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 heringedeeld in sector 20.

1.3. Bij brief van 18 december 2008 heeft belanghebbende verzocht om herindeling in sector 20 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002.

1.4. De inspecteur heeft de onder 1.3 genoemde brief in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de beschikking van 17 november 2008 en heeft bij uitspraak, gedagtekend 12 mei 2009, het bezwaar primair niet-ontvankelijk verklaard voor zover het betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2006 en het bezwaar voor het overige gegrond verklaard. Bij de genoemde uitspraak heeft de inspecteur belanghebbende heringedeeld in sector 20 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006. Daarnaast heeft de inspecteur een vergoeding van € 322 toegekend voor de door belanghebbende in bezwaar gemaakte proceskosten.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld bij beroepschrift van 22 juni 2009, aangevuld bij brief van 17 juli 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is opgericht in 1994 en houdt zich blijkens haar in het handelsregister opgenomen bedrijfsomschrijving bezig met arbeidsplaatsbemiddeling en detachering. Met ingang van 1 januari 2002 heeft belanghebbende de detacheringsactiviteiten en het personeel van [Y] overgenomen.

2.2. [Y] was tot 1 januari 2002 voor de premieheffing werknemersverzekeringen ingedeeld in de sector 45 (Zakelijke Dienstverlening), risicopremiegroep III. Naar aanleiding van een in februari 2001 uitgevoerd indelingsonderzoek werd [Y] door GAK Nederland B.V. (hierna: het GAK) met ingang van 1 juli 2001 heringedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven), risicopremiegroep IIA (uitzendbedrijven die werken met overeenkomsten waarop een beding als bedoeld in artikel 7:691, lid 2, BW (uitzendbeding) van toepassing is). Nadat [Y] tegen dit besluit op 5 oktober 2001 beroep had aangetekend, hebben het GAK en [Y] overeenstemming bereikt over indeling in sector 52, risicopremiegroep IIB (uitzendbedrijven die werken met overeenkomsten zonder uitzendbeding), per 1 januari 2002. Het GAK heeft dit een en ander bij beschikking van 3 december 2001 aan [Y] medegedeeld, waarna [Y] haar bij de Centrale Raad van Beroep ingestelde beroep heeft ingetrokken.

2.3. In een brief van Accountantskantoor Ten Bolscher & Steunenberg B.V. te Rijssen aan het GAK van 19 december 2001 is onder meer het volgende vermeld:

“Betreft: [belanghebbende]

[[Y]]

(…)

Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud (…) berichten wij u als volgt:

[Belanghebbende] neemt per 1 januari alle (detacherings)aktiviteiten over van [[Y]]. (…)

De (sector)indeling van [belanghebbende] zal dan o.i. met ingang van 2002 gewijzigd moeten worden naar "026" [Hof: het equivalent van sectorindeling 52 voor de in geschil zijnde periode]; dezelfde indeling als [[Y]] zou hebben gehad in 2002.”

2.4. Naar aanleiding van dit bericht heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekering (hierna: het UWV) ten name van belanghebbende een beschikking bekend gemaakt met dagtekening 25 maart 2002. In deze beschikking is, voor zover van belang, het volgende medegedeeld:

“Betreft: wijziging van de sectorindeling

(…)

Van uw accountant (…) hebben wij (…), middels zijn brief van 19 december 2001, vernomen dat u van [[Y]] (detacherings) activiteiten en personeel heeft overgenomen.

(…)

Op grond van uw nieuwe activiteiten wordt u ingaande 1 januari 2002 ingedeeld in de sector 052, risicogroep Uitzendbedrijven IIB.

(…)

Wettelijke basis

De beslissing over de indeling in sector en risicopremiegroep is genomen op grond van:

• artikel 97k, 97l en 97m van de [W]erkloosheidswet;

(…)

Bezwaar maken

Bent u het met de indeling van uw bedrijf niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de datum van deze brief bezwaar aantekenen bij [het UWV] (…).”

2.5. Tegen deze beschikking is door belanghebbende geen bezwaar aangetekend.

2.6. Bij brief van 14 december 2007 heeft de huidige gemachtigde de inspecteur verzocht de sectorindeling van belanghebbende met ingang van 1 januari 2007 te herzien en te wijzigen van sector 52 (Uitzendbedrijven) in sector 20 (Havenbedrijven).

2.7. Bij beschikking met dagtekening 17 november 2008 heeft de inspecteur als volgt op dit verzoek beslist:

“Beslissing op uw verzoek

Ik wijzig de sectoraansluiting. Uw cliënt wordt (…) per 1 januari 2008 aangesloten bij de sector met code 20 Havenbedrijven.

(…)

Als u het niet eens bent met de indeling per 1 januari 2008 in sector 20 Havenbedrijven kunt u binnen 6 weken na dagtekening van deze beslissing bezwaar aantekenen bij de Belastingdienst Holland-Midden kantoor Haarlem (…).”

2.8. Bij brief van 18 december 2008 heeft de gemachtigde onder andere het volgende aan de inspecteur geschreven:

“Met referte (…) aan onze brieven van 14 december 2007 en (…), verzoeken wij u tot herindeling van [belanghebbende] in de sector Havenbedrijven met ingang van 1 januari 2002.

(…) Cliënte is overwegend werkzaam in de logistieke branche, ordergericht in- en ompakken van goederen, en cliënte hanteert geen uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 BW.

Uit onderstaand overzicht vanaf 2001 blijkt dat cliënte met uitzondering van het jaar 2003 voor meer dan 50% van de premieloonsom activiteiten verrichtte, welke zijn toe te wijzen aan de sector Havenbedrijven. (…) Wij zijn van mening dat herindeling met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is, gelet op het feit dat [belanghebbende] per 1 januari 2002 alle detacheringsactiviteiten heeft overgenomen van [[Y]]. Gelet op de overname door [belanghebbende] van de afgesplitste activiteit van [[Y]], had naar onze mening door het UWV een indelingsonderzoek dienen plaats te vinden bij [belanghebbende] als overnemende partij met betrekking tot de mogelijk[e] gevolgen voor de sectorpremie.

(…)

Nu dit onderzoek is nagelaten is [belanghebbende] ernstig benadeeld, aangezien een onderzoek per datum overname van de afgesplitste bedrijfsactiviteiten onmiskenbaar geleid zou hebben tot een andere sectorindeling met een wezenlijk lagere sectorpremie.

(…)

Wij verzoeken u derhalve tot herindeling in de sector Havenbedrijven per 1 januari 2002, in casu 5 kalenderjaren voorafgaand aan ons verzoek van 14 december 2007.”

2.9. De inspecteur heeft de onder 2.8 vermelde brief in behandeling genomen als een tegen de beschikking van 17 november 2008 ingediend bezwaarschrift. Bij de bestreden uitspraak van 12 mei 2009 heeft de inspecteur hierop, voor zover relevant, als volgt beslist:

“Uitspraak op bezwaar

Ik kom u in uw bezwaar ten dele tegemoet en zal belanghebbende niet per 1 januari 2008, maar per 1 januari 2006 aansluiten bij de sector 20, Havenbedrijven. (…) Met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 1 januari 2006 stem ik niet in: primair niet, omdat ik u over de periode voorafgaande aan 1 januari 2006 in uw bezwaar niet ontvankelijk acht en subsidiair (mocht bij een eventuele beroepsprocedure de primaire grond geen stand houden) omdat het tot aan 1 januari 2006 op dit punt geldende beleid zich tegen verdergaande terugwerkende kracht verzet. Beide afwijzingsgronden zijn hieronder nader gemotiveerd.”

3. Geschil in beroep

3.1. In geschil is primair of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar voor zover het betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2006. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, is in geschil of de inspecteur alsnog aan de bestreden beschikking tot herindeling van belanghebbende in sector 20, Havenbedrijven, verdergaande terugwerkende kracht dient te verlenen, te weten tot 1 januari 2002.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 heeft voldaan aan de materiële voorwaarden voor indeling in sector 20.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Relevante regelgeving

4.1.1. De indeling van het bedrijfsleven in sectoren was in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005 geregeld in artikel 97k tot en met artikel 97n Werkloosheidswet (hierna: WW), welke bepalingen – voor zover thans relevant – als volgt luidden:

Artikel 97k

1. Onze Minister deelt het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat (…).

(…)

Artikel 97l

1. Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 97k vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.

(…)

Artikel 97m

1. De werkgever die op grond van artikel 97l bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan schriftelijk melding bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen binnen een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te stellen termijn.

(…)

3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deelt een werkgever mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 97l is aangesloten. Indien de mededeling afwijkt van de melding, bedoeld in het eerste lid, geldt de mededeling als een beschikking.

4.1.2. Artikel 129d WW hield in de periode tussen 1 mei 2002 en 1 januari 2006 het volgende in:

Tegen een besluit op grond van artikel 97k, 97l, 97m of 97n kan een belanghebbende beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

4.1.3. Met ingang van 1 januari 2006 is in werking getreden de Wet financiering sociale verzekeringen, hierna aangeduid als Wfsv (Wet van 16 december 2004, Stb. 2005, 36).

In artikelen 57, 95, 96 en 97 van de Wfsv is - voor zover thans relevant - het volgende bepaald:

Artikel 57. Premieheffing door de rijksbelastingdienst

De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.

Artikel 95. Sectorindeling

1. Bij regeling van Onze Minister (…) wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.

(…)

Artikel 96. Aansluiting bij sector

1. Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.

(…)

Artikel 97. Mededeling aansluiting

1. De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.

2. De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten.

4.1.4. Met ingang van 1 januari 2006 zijn onder andere de artikelen 42, 44 en 46 Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (Wet van 16 december 2004, Stb. 2005, 37; hierna aangeduid als Invoeringswet Wfsv), in werking getreden. Deze artikelen luiden – voor zover thans van belang – als volgt:

“Artikel 42. Overgangsrecht

(…)

2. Met betrekking tot de financiering van de Werkloosheidswet (…) over de kalenderjaren, gelegen voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijft het recht zoals dit gold voor die datum, van toepassing.

(…)

Artikel 44. Geldigheid beschikkingen

1. De beschikkingen die het UWV (…) voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet heeft genomen op grond van een wettelijke bepaling die door de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van de Wet financiering sociale verzekeringen en van deze wet komt te vervallen, en die betrekking hebben of mede betrekking hebben op een periode, gelegen na de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijven na die datum van kracht.

2. Tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, behoren de beschikkingen die door het UWV zijn genomen op grond van de hierna genoemde wettelijke bepalingen en die met ingang van de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet gelden als een beschikking, genomen op grond [van] het artikel, de artikelen of de paragraaf van de Wet financiering sociale verzekeringen die daarbij is genoemd:

(…)

d. de artikelen 97k of 97m van de Werkloosheidswet: de artikelen 95 of 97;

Artikel 45. Bezwaarschriftenprocedures

1. Het UWV, onderscheidenlijk de SVB, onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen is bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet is ingediend tegen een beschikking als bedoeld in artikel 44 en waarop op die datum nog niet is beslist, met toepassing van het recht zoals dit voor die datum gold.

2. In afwijking van het eerste lid is de inspecteur bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat na de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet wordt ingediend en dat betrekking heeft op een beschikking van het UWV als bedoeld in artikel 44, tweede en derde lid. Op een bezwaarschrift als bedoeld in dit lid wordt beslist met toepassing van het recht zoals dit geldt met ingang van de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet.”

4.1.5. In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wfsv is over de artikelen 42 tot en met 44 onder meer het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 3, blz. 31-33):

“In [Hof: artikel 42] wordt de hoofdregel van het overgangsrecht vastgelegd, inhoudende dat met betrekking tot de financiering van de sociale verzekeringen over verstreken jaren het toen toepasselijke recht blijft gelden (…). Het begrip 'financiering' moet hier - evenals dat het geval is bij de Wfsv - in al zijn relevante facetten worden begrepen (…). Ook de term 'recht' in deze bepaling moet in de ruimste zin worden opgevat. Daaronder moet in dit verband worden verstaan alle op de financiering betrekking hebbende regelgeving, zowel de formele wetten als de daarop steunende amvb's en ministeriële regelingen, alsmede de op deze regelgeving gebaseerde beleidsregels. (…)

Het tweede lid van het artikel betreft de regels voor de financiering - eveneens in ruime zin op te vatten - van de werknemersverzekeringen (…) die thans nog verspreid over verschillende wetten zijn opgenomen en die overgaan naar de Wfsv; de bepaling verschaft een formele basis voor afwikkeling van de oude jaren met toepassing van die (oude) regels. (…) Dit betekent in hoofdlijn dat de bevoegdheid tot uitvoering van de betrokken wettelijke taken (met name: de premieheffing en -inning) over die jaren blijft berusten bij UWV (…) en dat de rechtsbescherming waar het betreft besluiten die op die jaren betrekking hebben geen wijziging ondergaat (d.w.z. dat daarvoor niet de fiscale rechtsgang gaat gelden, maar de bestaande rechtsgang van toepassing blijft, te weten beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij de CRvB, voorafgegaan door bezwaar overeenkomstig de Awb). De bij UWV blijvende taak omvat in de eerste plaats de zgn. reguliere afwikkeling van de oude jaren, inclusief correctienota's en invordering. (…)

Gevolg van de gekozen hoofdlijn is, dat de werkgever nog enige tijd met twee loketten te maken zal hebben (Belastingdienst en UWV) in plaats van met één, en dat ook de rechtsgang - naar gelang van de ouderdom van een zaak en het tijdvak waarop deze betrekking heeft - zal verschillen. Deze lijn is op zichzelf voor alle betrokkenen volstrekt duidelijk, maar kan niettemin uit een oogpunt van eenvoud en gelet op de mogelijk lange duur ervan minder wenselijk zijn. Het is daarom denkbaar - los van de mogelijkheid van eerdere overgang door middel van mandaat van UWV aan de Belastingdienst - dat op enig moment in de toekomst de wetgever aanleiding zal zien het nieuwe regime integraal van toepassing te verklaren, d.w.z. ook voor zaken betreffende jaren die voor de datum van inwerkingtreding zijn gelegen. Of en wanneer er aanleiding zou bestaan voor een dergelijk besluit is afhankelijk van thans onvoorzienbare ontwikkelingen (…).

(…)

Het derde lid [Hof: van artikel 43] omvat een voorziening voor bestaande beleidsregels, voorzover afkomstig van de SVB. Hetzelfde wordt in het vierde lid voor

beleidsregels van het CVZ geregeld. (…) Zo’n voorziening is niet gewenst met betrekking tot de bestaande beleidsregels van UWV, gelet op het voor de bevoegdheden van UWV – ingrijpend – gewijzigde regime; voorzover daaraan onder het nieuwe regime behoefte bestaat kunnen door de nieuw bevoegde organen (UWV en Belastingdienst), met inachtneming van dat regime, nieuwe beleidsregels worden ontwikkeld en vastgesteld.

(…)

[Hof: Artikel 44] bevat overgangsrechtelijke voorzieningen voor (individuele) beschikkingen die voor de datum van inwerkingtreding van de wet zijn genomen op grond van wettelijke bepalingen die overgaan (…) naar de Wfsv en waarvan de werking zich (geheel of mede) uitstrekt tot na die datum. Deze bepaling voorziet in de geldigheid na 1 januari 2006 van dergelijke beschikkingen. Met dit artikel wordt aan dergelijke beschikkingen ook na die datum een formele grondslag gegeven. (…) In het tweede en derde lid worden enkele categorieën van beschikkingen van UWV die van kracht blijven nader omschreven. Deze specificatie houdt verband met hetgeen in de volgende artikelen over de daartegen openstaande rechtsmiddelen wordt geregeld; voorzover daaruit de toepasselijkheid van de fiscale rechtsgang volgt, is een limitatieve opsomming nodig in verband met het daarvoor geldende gesloten stelsel. Dit betreft de besluiten van UWV (…) en de besluiten inzake sectorindeling.”

4.1.6. Op 3 februari 2006 hebben het UWV en de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Financiën, een ‘overeenkomst inzake dienstverlening’ gesloten.

In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“Overwegende dat

• als gevolg van de Wet financiering sociale verzekeringen de bevoegdheid van de heffing en inning van de premies voor de werknemersverzekeringen per 1 januari 2006 overgeheveld wordt van UWV naar de Belastingdienst;

(…)

• UWV verantwoordelijk blijft voor de premieheffing en –inning van de premies voor de werknemersverzekeringen over de jaren gelegen vóór 1 januari 2006;

• de in verband hiermee door UWV noodzakelijk te verrichten werkzaamheden niet langer door UWV gedaan kunnen worden aangezien het betrokken personeel naar de Belastingdienst is overgegaan;

• UWV deze werkzaamheden wenst uit te besteden aan de Belastingdienst waartoe de Belastingdienst zich bereid heeft verklaard;

(…)

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 Opdracht

UWV geeft de Belastingdienst opdracht, welke opdracht door de Belastingdienst wordt aanvaard, om namens en voor risico van UWV de navolgende werkzaamheden te verrichten;

a. Indeling en inschrijving van werkgevers als bedoeld in artikel 97m Werkloosheidswet voor zover het besluit door de Belastingdienst genomen wordt na 1 januari 2006 en de ingangsdatum ligt vóór 1 januari 2006;

(…)

Artikel 2 (Wettelijk) kader

(…)

1. De Belastingdienst zal de werkzaamheden uitvoeren met inachtneming van de voor UWV geldende wetgeving en het door UWV gehanteerde beleid. (…)

(…)

Artikel 4 Mandaat

UWV verleent hierbij - tot het moment van beëindiging van deze overeenkomst - aan de voorzitters van de managementteams als bedoeld in artikel 4, lid 2 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 mandaat. inclusief de bevoegdheid om ondermandaat te verlenen aan functionarissen van de Belastingdienst, om namens UWV beslissingen als bedoeld in artikel 1 sub a, b en c te nemen (…).

(…)

Artikel 8 Looptijd

De overeenkomst wordt aangegaan voor de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 en eindigt op 1 januari 2011 van rechtswege.”

4.1.7. In het Besluit datumbeleid indelingen (Besluit van 4 maart 1998, Stcrt. 1998, nr. 51) zijn beleidsregels neergelegd welke, voor zover van belang, als volgt luiden:

“a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits vóór de betreffende datum een schriftelijke indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.

b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om herindeling naar een andere sector gelden eveneens de data 1 januari of 1 juli volgens op de datum waarop werkgever zijn verzoek heeft gedaan.

(…)

d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór de onder a en b (…) gekoppelde data kan plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever. Ten voordele: dit kan zich voordoen bijvoorbeeld als in het verleden is nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na melding van een wijziging in de bedrijfsvoering een indelingsonderzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan, dat reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest.

(…)

g. Het bepaalde onder a t/m d (…) laat onverlet de mogelijkheid om op grond van bijzondere omstandigheden (met name overwegingen van redelijkheid en zorgvuldigheid) daarvan af te wijken. (…)”.

Ontvankelijkheid bezwaar, bevoegdheid inspecteur en toepasselijk recht

4.2.1. De inspecteur stelt zich in beroep primair op het standpunt dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar voor zover dit betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2006, omdat de Belastingdienst voor deze periode in het onderhavige geval niet bevoegd is, terwijl voor het UWV in casu evenmin nog een taak is weggelegd. De inspecteur wijst er daarbij op dat tegen de onder 2.4 vermelde beschikking van 25 maart 2002 van het UWV nimmer bezwaar is aangetekend, zodat deze beschikking onherroepelijk is komen vast te staan en op grond van artikel 44 Invoeringswet Wfsv ook na 1 januari 2006 haar gelding heeft behouden. Wel is de Belastingdienst bevoegd tot herziening van de sectorindeling voor zover het de periode na 1 januari 2006 betreft, en in zoverre is het bezwaar dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen, zo stelt de inspecteur.

Subsidiair is de inspecteur van opvatting dat, indien het Hof van oordeel is dat het bezwaar ook ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, het bezwaar in zoverre beoordeeld moet worden aan de hand van het materiële recht zoals dat destijds van toepassing was, en niet aan de hand van de met ingang van 1 januari 2006 geldende regelgeving inclusief het beleid inzake de indeling met terugwerkende kracht.

4.2.2. Belanghebbende is primair van opvatting dat zij ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, aangezien zij bezwaar heeft gemaakt tegen een beschikking die na 1 januari 2006 – namelijk op 17 november 2008 – tot stand is gekomen, zodat het bepaalde in artikel 44 Invoeringswet Wfsv ten aanzien van deze beschikking toepassing mist. Volgens belanghebbende is de Belastingdienst in een dergelijk geval bevoegd om een beslissing te nemen op bezwaren die mede betrekking hebben op de periode voorafgaand aan 1 januari 2006, omdat het in strijd met doel en strekking van het toepasselijke overgangsrecht is om tot de conclusie te komen dat voor bepaalde jaren de Belastingdienst noch het UWV bevoegd zouden zijn. Nu het UWV de Belastingdienst in de onder 4.1.6 vermelde overeenkomst door middel van mandaat bevoegd heeft verklaard voor de jaren vóór 2006, is volgens belanghebbende de met ingang van 1 januari 2006 geldende regelgeving integraal van toepassing op haar verzoek, ook voor zover dit verzoek betrekking heeft op de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005.

Volgens belanghebbende is deze uitkomst ook in lijn met de bedoeling van de wetgever, zoals deze tot uiting komt in de onder 4.1.5 weergegeven memorie van toelichting bij artikel 42 en volgende Invoeringswet Wfsv.

4.2.3. Naar ’s Hofs oordeel dienen bij de beoordeling van het onderhavige geschil drie aspecten te worden onderscheiden: de ontvankelijkheid van het bezwaar voor zover het betrekking heeft op de periode vóór 2006; de vraag of de inspecteur voor deze periode bevoegd is; en – indien deze vragen bevestigend worden beantwoord – de vraag welk recht van toepassing is op het verzoek van belanghebbende voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005.

4.2.4. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur de onder 2.8 vermelde brief van 18 december 2008 terecht heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de 17 november 2008 gedagtekende beschikking tot herindeling in sector 20, en niet als een (alsnog aangetekend) bezwaar tegen de onder 2.4 genoemde beschikking van het UWV van 25 maart 2002. In zijn brief van 18 december 2008 richt de gemachtigde zich immers tot de inspecteur en verzoekt hij deze aan de herindeling in sector 20 verdergaande terugwerkende kracht te verlenen dan is geschied bij de beschikking van 17 november 2008. Nu belanghebbende tijdig bezwaar heeft gemaakt en het bezwaarschrift ook voor het overige voldoet aan de wettelijke eisen, is zij ontvankelijk in haar bezwaar. De omstandigheden dat de beschikking van het UWV van 25 maart 2002 - naar tussen partijen niet in geschil is - onherroepelijk vaststaat en op grond van artikel 44, tweede lid, aanhef en onderdeel d, Invoeringswet Wfsv ook na 1 januari 2006 van kracht is gebleven, en met ingang van deze datum geldt als een op grond van artikel 97 van de Wfsv genomen beschikking, doen aan dit oordeel niet af. Deze omstandigheden laten immers onverlet dat de inspecteur ingevolge artikel 97, tweede lid, Wfsv met ingang van 1 januari 2006 een eerder vastgestelde sectoraansluiting bij voor bezwaar vatbare beschikking kan herzien; in de tekst noch de wetsgeschiedenis van deze bepaling zijn aanknopingspunten te vinden voor de stelling van de inspecteur dat het op grond van deze bepaling niet mogelijk zou zijn aan een herzieningsbeschikking verdergaande terugwerkende kracht te verlenen dan tot 1 januari 2006, laat staan dat een premieplichtige niet-ontvankelijk zou zijn in zijn bezwaar voor zover hij zich beroept op een dergelijke verdergaande terugwerkende kracht.

4.2.5. De inspecteur heeft belanghebbende derhalve ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar; het beroep van belanghebbende is op dit punt gegrond. Voor zover de inspecteur heeft beoogd te stellen dat de uitspraak op bezwaar in stand kan blijven omdat het tevens een subsidiair standpunt bevat waarin het bezwaar van belanghebbende ook ter zake van de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006 wél ontvankelijk wordt geacht, verwerpt het Hof deze stelling. De in een uitspraak op bezwaar vervatte beslissing (het dictum) kan niet worden onderverdeeld in een primair en een subsidiair oordeel. Het Hof verstaat de onder 2.9 weergegeven beslissing in het bestreden deel van de uitspraak aldus dat de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar, waarbij de in (dit deel van) deze uitspraak “subsidiair” opgenomen inhoudelijke beoordeling heeft te gelden als een ambtshalve beoordeling. De uitspraak op bezwaar kan derhalve op dit punt niet in stand blijven.

4.2.6. Indien een bezwaar ten onrechte (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk is verklaard, dient de inspecteur in beginsel te worden opgedragen opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen. Deze regel lijdt uitzondering, indien partijen een inhoudelijke beoordeling wensen zonder terugwijzing van het bezwaar naar de inspecteur. Uit het door partijen in de processtukken en ter zitting gestelde (in het bijzonder gelet op de beoordeling – zij het ambtshalve – van het materiële geschilpunt in de bestreden uitspraak), leidt het Hof af dat zij eensluidend van opvatting zijn dat, indien het Hof tot het oordeel zou komen dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zij zonder terugwijzing een beslissing wensen inzake het materiële geschil. Het Hof volgt partijen in deze wens en zal de zaak derhalve niet terugwijzen.

4.2.7. Wat betreft de vragen of de inspecteur bevoegd is een beslissing te nemen op het verzoek tot herziening voor zover dit betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2006 en zo ja, welk recht daarbij van toepassing is, oordeelt het Hof als volgt. In artikel 42, tweede lid, Invoeringswet Wfsv is als hoofdregel van het toepasselijke overgangsrecht vastgelegd dat (onder meer) wat betreft de sectorindeling voor de vóór 2006 gelegen jaren ook na inwerkingtreding van de Wfsv het vóór 1 januari 2006 geldende recht (hierna ook: het oude recht) van toepassing blijft. Uit de wetsgeschiedenis van deze wetsbepaling, zoals weergegeven onder 4.1.5, blijkt dat deze hoofdregel niet alleen geldt voor de (formele en materiële) wetgeving, maar ook voor op deze regelgeving gebaseerde beleidsregels, tenzij daarop in een bepaling van het overgangsrecht een uitzondering is gemaakt.

4.2.8. Voorts blijkt uit de onder 4.1.5 weergegeven toelichting bij (het huidige) artikel 42 Invoeringswet Wfsv dat op grond van deze bepaling als hoofdregel niet alleen het oude recht van toepassing blijft op de sectorindeling voor jaren eerder dan 2006, maar tevens dat het UWV voor deze eerdere jaren het bevoegde bestuursorgaan blijft; daarbij wordt echter expliciet aangegeven dat het UWV zijn bevoegdheid op dit punt kan mandateren aan de Belastingdienst. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur (subsidiair) met juistheid heeft gesteld dat een dergelijke mandatering heeft plaatsgevonden, gelet op de onder 4.1.6 weergegeven overeenkomst van 3 februari 2006 (hierna: de overeenkomst). Het Hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat hij (ook met inachtneming van deze mandatering) niet bevoegd zou zijn een beslissing te nemen over een herzieningsverzoek met betrekking tot vóór 2006 gelegen jaren. In artikel 1, onderdeel a, van de overeenkomst is immers bepaald dat de Belastingdienst namens het UWV na 1 januari 2006 besluiten zal nemen met betrekking tot indeling van werkgevers waarvan de ingangsdatum ligt vóór 1 januari 2006; in artikel 4 worden functionarissen van de Belastingdienst hiervoor uitdrukkelijk door het UWV gemandateerd. In artikel 2 van de overeenkomst wordt overigens bevestigd hetgeen reeds voortvloeit uit het hiervoor besproken overgangsrecht, namelijk dat de Belastingdienst (in zoverre) deze werkzaamheden zal uitvoeren met inachtneming van het oude recht en het daarbij gevormde beleid. Het Hof voegt hieraan toe dat hierbij ook de onder het oude recht gewezen jurisprudentie in aanmerking dient te worden genomen.

4.2.9. Gelet op het onder 4.2.8 overwogene verwerpt het Hof de stelling van belanghebbende dat uit de overeenkomst zou volgen dat de Belastingdienst ook bij de boordeling van eerdere jaren het met ingang van 2006 geldende recht zou dienen toe te passen. Ook de stelling van belanghebbende dat uit de onder 4.1.5 weergegeven memorie van toelichting bij artikel 42 Invoeringswet Wfsv deze conclusie zou moeten worden getrokken, faalt. In deze toelichting wordt immers slechts de mogelijkheid vermeld dat de wetgever in de toekomst aanleiding zal zien het nieuwe regime integraal van toepassing te verklaren. Tot op heden heeft de wetgever van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. De verwijzing van belanghebbende in dit verband naar artikel 43 Invoeringswet Wfsv gaat evenmin op. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 43 Wfsv kan slechts worden afgeleid dat de wetgever het door het UWV onder het oude recht gevormde beleid inzake sectorindelingen niet van kracht heeft willen laten blijven onder de met ingang van 1 januari 2006 geldende regelgeving; daaruit kan niet a contrario worden afgeleid dat de wetgever voor eerdere jaren het vanaf 1 januari 2006 geldende beleid van toepassing heeft willen verklaren. Ook de overige stellingen ter zake van belanghebbende treffen geen doel.

4.2.10. De conclusie van het onder 4.2.1 tot en met 4.2.9 overwogene is derhalve dat belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar, ook voor zover haar verzoek betrekking heeft op de jaren 2002 tot en met 2005, dat de inspecteur ook in zoverre bevoegd is op dit bezwaar een beslissing te nemen en dat hij daarbij het oude recht dient toe te passen, inclusief het destijds gevormde beleid en de daarover gewezen jurisprudentie.

Beoordeling terugwerkende kracht herziening sectorindeling

4.3.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat (ook) de toepassing van het oude recht tot de conclusie leidt dat de inspecteur aan de herindeling in sector 20 verdergaande terugwerkende kracht had dienen te verlenen, namelijk tot 1 januari 2002. Zij heeft zich daarbij beroepen op onderdeel d van het Besluit datumbeleid indelingen, zoals weergegeven onder 4.1.7, alsmede op onder meer een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 2 november 2006, 05/5632 OSV, LJN: AZ1966). Gelet op de destijds recente invoering van het Besluit indeling uitzendbedrijven en het door het GAK in deze bedrijfstak uitgevoerde onderzoek naar de rechtmatigheid van de sectorale indeling, had de overname door belanghebbende van [Y] per 1 januari 2002 voor het UWV-GAK aanleiding moeten zijn voor een heronderzoek. Dit temeer omdat het in 2001 bij [Y] uitgevoerde indelingsonderzoek leidde tot het besluit tot sectorale herindeling van [Y] en een daarop volgende beroepszaak. Indien destijds een dergelijk onderzoek zou zijn ingesteld, zou reeds toen zijn gebleken dat zij voldeed aan de voorwaarden voor indeling in sector 20, aldus (nog steeds) belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde hieraan toegevoegd dat het in februari 2001 bij [Y] door het GAK verrichte indelingsonderzoek op onjuiste wijze is uitgevoerd en dat het GAK toen reeds tot de conclusie had moeten komen dat [Y] voldeed aan alle voorwaarden voor indeling in sector 20. Gelet op de vermelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft dit volgens de gemachtigde tot gevolg dat deze fout met terugwerkende kracht moet worden hersteld bij belanghebbende, nu belanghebbende met ingang van 1 januari 2002 de werkzaamheden en het personeel van [Y] heeft overgenomen.

De omstandigheid dat accountantskantoor Ten Bolscher & Steunenberg B.V. (hierna: B&S) mede namens belanghebbende heeft verzocht – waarbij de gemachtigde overigens in zijn aanvulling op het beroepschrift (blz. 2, punt 7) heeft gesteld dat dit verzoek namens belanghebbende is gedaan, om vervolgens in zijn pleitnota (blz. 2) te stellen dat B&S niet namens belanghebbende optrad – om indeling in sector 52, ontslaat het UWV niet van zijn eigen verantwoordelijkheid tot het instellen van een onderzoek, zo stelt belanghebbende.

In haar aanvullende pleitnota heeft belanghebbende onder meer nog gesteld dat het UWV haar rechtsvoorganger – [Y] – had moeten informeren omtrent de per 1 januari 2001 gewijzigde indelingscriteria, aangezien dat wel is geschied bij de collega sector 52-bedrijven. Doordat het UWV dat heeft nagelaten, is wezenlijke informatie voor [Y] buiten aanmerking gebleven en heeft B&S in haar brief van 19 december 2001 ten onrechte verzocht om indeling van belanghebbende in sector 52 met ingang van 1 januari 2002. In verband hiermee acht belanghebbende het niet redelijk dat het initiatief tot wijziging van de sector bij haar wordt gelegd.

4.3.2. De inspecteur heeft bevestigd dat er in 2001 bij [Y] een onderzoek is geweest van het GAK betreffende de indeling in sector 52 en dat men zich kan afvragen of dat onderzoek helemaal goed is geweest. Voor het overige heeft de inspecteur de standpunten van belanghebbende betwist. Als er in het verleden een fout is gemaakt, dan is dat bij [Y] geweest. In zijn opvatting leidt toepassing van de in het Besluit datumbeleid indelingen opgenomen beleidsregels niet tot het verlenen van verdergaande terugwerkende kracht aan de herindeling in sector 20 dan tot 1 januari 2006, terwijl ook de overige door belanghebbende vermelde omstandigheden en de door haar vermelde jurisprudentie volgens de inspecteur niet tot een andere conclusie leiden. Volgens de inspecteur is beslissend dat de indeling in sector 52 op verzoek van belanghebbende zelf tot stand is gekomen en dat belanghebbende de mogelijkheid om (alsnog) bezwaar te maken tegen de beschikking van 25 maart 2002 niet heeft benut. De door belanghebbende genoemde jurisprudentie is volgens de inspecteur slechts in specifieke omstandigheden van toepassing, namelijk indien bij de werkgever daadwerkelijk een onderzoek is ingesteld en daarbij een onjuiste sectorindeling gesignaleerd had behoren te worden, ook al heeft de werkgever hierover zelf niets gesteld. In casu was van een dergelijk onderzoek geen sprake en doet zich evenmin een bijzondere omstandigheid voor die noopt tot het verlenen van verdergaande terugwerkende kracht dan bij de uitspraak op bezwaar is verleend, zo stelt de inspecteur.

4.3.3. Naar ’s Hofs oordeel is niet aannemelijk geworden dat zich een van de in onderdeel d van het Besluit datumbeleid indelingen vermelde omstandigheden heeft voorgedaan. Namens belanghebbende is immers niet op een eerder tijdstip dan (bij brief van) 14 december 2007 verzocht om wijziging van de voor haar geldende sectorindeling. Ook indien gemachtigde uiteindelijk heeft bedoeld te stellen dat B&S niet bevoegd was het verzoek van 19 december 2001 (als vermeld onder 2.3) mede namens belanghebbende in te dienen – voor welke conclusie de gemachtigde overigens geen enkele grond heeft aangedragen –, is het Hof dit oordeel toegedaan. In het verzoek aan het GAK van 19 december 2001 is immers niet verzocht belanghebbende in te delen in sector 20, maar is juist gesteld dat belanghebbende in sector 52 ingedeeld diende te worden. De omstandigheid dat belanghebbende naar aanleiding van dit verzoek bij de beschikking van 25 maart 2002 is ingedeeld in risicopremiegroep IIB – evenals eerder [Y] (zie de beschikking van het GAK van 3 december 2001) – brengt geen wijziging in dit oordeel.

Anders dan belanghebbende lijkt te veronderstellen, was het UWV in een dergelijke situatie, bij indeling in risicopremiegroep IIB, niet gehouden om ambtshalve te onderzoeken of belanghebbende wellicht voldeed aan de aanvullende voorwaarden voor indeling in een meer specifieke vaksector, zoals sector 20.

In de brief aan het GAK van 19 december 2001 kan evenmin – anders dan belanghebbende heeft gesteld – een melding worden gelezen van een wijziging in de bedrijfsvoering, als bedoeld in onderdeel d van het Besluit datumbeleid indelingen, die het UWV destijds had moeten nopen tot het instellen van een indelingsonderzoek. Voorts is niet aannemelijk geworden dat na de behandeling van deze brief ten aanzien van belanghebbende controlehandelingen zijn verricht die het UWV (alsnog) zouden hebben genoopt tot de thans door belanghebbende bepleite indeling per 1 januari 2002.

4.3.4. Ook met inachtneming van de door belanghebbende vermelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het Hof van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het verlenen van verdergaande terugwerkende kracht aan de beschikking tot herindeling dan door de inspecteur reeds in aanmerking is genomen bij de bestreden uitspraak op bezwaar. Op grond van deze jurisprudentie kan aanleiding bestaan tot herstel van een onjuiste sectorindeling met terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop tijdens een ingesteld onderzoek (bijvoorbeeld een looncontrole) een onjuiste sectorindeling gesignaleerd had moeten worden, ook al heeft de werkgever tijdens dit onderzoek niet verzocht om een beoordeling van de sectorindeling. Weliswaar stelt belanghebbende – op zichzelf terecht – dat deze conclusie a fortiori dient te gelden indien namens het bevoegde bestuursorgaan (destijds het GAK) een specifiek indelingsonderzoek is ingesteld en daarbij een onjuiste beoordeling heeft plaatsgevonden. Maar ook nu ervan wordt uitgegaan dat bij [Y] in februari 2001 een indelingsonderzoek is ingesteld en dat het GAK destijds had kunnen concluderen dat [Y] in 2001 voldeed aan de materiële voorwaarden voor indeling in sector 20, leidt dit het Hof niet tot de conclusie dat op deze grond ten aanzien van belanghebbende de onjuiste sectorindeling moet worden hersteld met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Na het indelingsonderzoek in februari 2001 heeft [Y] immers beroep aangetekend tegen de naar aanleiding van het onderzoek gewijzigde sectorindeling en is deze beroepsprocedure vervolgens beëindigd doordat [Y] en het GAK-UWV overeenstemming hebben bereikt over de ten aanzien van [Y] met ingang van 1 januari 2002 toe te passen indeling in sector 52, risicopremiegroep IIB. Voorts heeft B&S bij brief van 19 december 2001 wederom gesteld dat met ingang van 1 januari 2002 de sectorindeling 52 moet worden toegepast. Bovendien heeft het UWV de indeling in sector 52, risicopremiegroep IIB, aan belanghebbende bekend gemaakt bij voor bezwaar vatbare beschikking van 25 maart 2002 en heeft belanghebbende daartegen destijds geen bezwaar gemaakt. Onder deze omstandigheden kan de omstandigheid dat het GAK – zoals hiervoor wordt verondersteld – in 2001 nalatig is geweest niet ertoe leiden dat belanghebbende met toepassing van het Besluit datumbeleid indelingen, onderdeel d, alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 voor indeling in sector 20 in aanmerking komt.

Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.3.5. Voor toepassing van onderdeel g van het genoemde Besluit ziet het Hof evenmin aanleiding. Hierbij weegt het Hof mee dat de indeling in sector 52, risicopremiegroep IIB, aan belanghebbende bekend is gemaakt bij voor bezwaar vatbare beschikking van 25 maart 2002, dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze indeling en dat zij niet eerder dan bij brief van 14 december 2007 heeft verzocht om wijziging van de voor haar geldende sectorindeling.

Slotsom

4.4. De slotsom is dat het beroep gegrond is, omdat belanghebbende ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, maar dat de inspecteur niet is gehouden verdergaande terugwerkende kracht te verlenen aan de beschikking tot indeling in sector 20 dan door hem reeds bij de uitspraak op bezwaar is verleend, te weten tot 1 januari 2006. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

5. Kosten

5.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

5.2. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur belanghebbende reeds een vergoeding toegekend van € 322 voor de door haar in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Het Hof ziet - met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit bepaalde - geen aanleiding belanghebbende op dit punt een hogere vergoeding toe te kennen, zodat de uitspraak op bezwaar in zoverre in stand kan worden gelaten.

5.3. Met toepassing van het Besluit stelt het Hof de vergoeding van de door belanghebbende in beroep gemaakte proceskosten vast op: € 322 x 2,5 (proceshandelingen: beroepschrift, repliek en verschijnen ter zitting) x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.207,50.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaarschrift voor zover belanghebbende daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar betreffende de periode vóór 1 januari 2006 en handhaaft deze voor het overige;

- verklaart het bezwaar betreffende de periode vóór 1 januari 2006 ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten in beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.207,50;

- gelast dat de inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 297.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, E.F. Faase en H.E. Kostense, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler als griffier. De beslissing is op 14 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.