Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BS1152

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
12-09-2011
Zaaknummer
200.059.889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening tussen hervormde gemeente en predikant. Taak rechter nadat kerkelijk orgaan met rechtsprekende taak zich heeft uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.059.889

(zaaknummer rechtbank 234140)

arrest van de vijfde civiele kamer van 23 augustus 2011

inzake

de kerkelijke rechtspersoon Hervormde Gemeente Rehoboth,

gevestigd te Sint Maartensdijk, gemeente Tholen,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J. Wouters,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in voorwaardelijk het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom.

1. Het verdere verloop van het geding

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst het hof naar zijn op 10 mei 2011 gewezen tussenarrest. De bij dat arrest bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011. Voorafgaand aan deze comparitie hebben beide partijen nadere stukken toegezonden aan de wederpartij en aan het hof en tijdens de comparitie heeft [geïntimeerde] nog enkele stukken overgelegd. Beide partijen hebben aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat deze stukken deel uitmaken van het procesdossier. Het hof slaat dan ook bij de verdere beoordeling acht op deze stukken. Na afloop van de comparitie heeft het hof opnieuw arrest bepaald.

2. De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar en volhardt in hetgeen het in het tussenarrest van 10 mei 2011 heeft overwogen en beslist.

2.2 In de toelichting op haar grief voert Rehoboth aan dat de rechtbank heeft miskend dat volgens artikel 7:904 BW de uitspraak van het Generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (hierna: het Generale college) (deels) dient te worden vernietigd. In zijn grief in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geeft ook [geïntimeerde] aan dat toetsing aan de hand van dat artikel dient plaats te vinden. Het hof maakt hieruit op dat beide partijen de mening zijn toegedaan (en ook reeds in eerste aanleg waren toegedaan) dat zij in beginsel zijn gebonden aan de uitspraak van het Generale college. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank door te overwegen dat partijen niet gebonden zijn aan de uitspraak van (onder meer) het Generale college omdat niet gesteld of gebleken is dat er (andere) regelingen tussen partijen golden op grond waarvan zij gebonden zijn aan uitspraken over het geschilpunt van civielrechtelijke aard, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het hof zal, gelet op het standpunt van beide partijen, moeten beoordelen of gebondenheid aan de uitspraak van het Generale college, voor zover het de consulentschapsgelden betreft, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

2.3 Het hof merkt in dit verband nog op dat het feit dat de commissie van beroep als bedoeld in artikel 42 van de Generale regeling predikantstraktementen (hierna: de commissie 42) volgens partijen geen kerkelijk college is dat een rechtsprekende taak binnen de kerk heeft, een en ander zoals omschreven in de Generale regeling kerkelijke rechtspraak, voor de beoordeling van het geschil niet relevant is. Vast staat immers dat het Generale college dat wel is en dat voorligt de vraag of de uitspraak van dit college dient te worden vernietigd. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van het hiervoor omschreven criterium.

2.4 Uit de door partijen overgelegde stukken - en met name de in de uitspraak van het Generale college omschreven verloop van de procedure, waarvan beide partijen ter gelegenheid van de comparitie hebben aangeven dat deze juist is - blijkt dat Rehoboth bij brief van 19 december 2005, aangevuld bij brief van 30 januari 2006, bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van de commissie 42. In dat bezwaar geeft Rehoboth aan dat zij van mening is dat de commissie van beroep niet bevoegd was kennis te nemen van het geschil voor zover dat de consulentschapsgelden betrof, omdat zij zich op het standpunt stelt dat deze gelden aan haar zijn geschonken en dergelijke schenkingen niet betreffen een meningsverschil inzake de uitleg en toepassing van de Generale regeling predikantstraktementen.

2.5 Nadat [geïntimeerde] bij brief 18 maart 2006, met bijlagen, op het bezwaar van Rehoboth had gereageerd, hebben beide partijen nog een nadere reactie ingediend, Rehoboth bij brief van 14 april 2006 en [geïntimeerde] bij brief van 8 mei 2006. Geen van partijen heeft in een van deze brieven verzocht om mondeling te worden gehoord.

2.6 Bij uitspraak van 17 mei 2006, verzonden op 31 mei 2006, heeft het Generale college de stelling van Rehoboth dat de commissie van beroep niet bevoegd was om te oordelen over de vraag of [geïntimeerde] de door hem doorbetaalde consulentschapsgelden mocht terugvorderen, verworpen.

2.7 De omstandigheid dat het Generale college heeft nagelaten aan Rehoboth (en [geïntimeerde]) mededeling te doen omtrent het (verwachte) verloop van de procedure met vermelding van de termijnen die daarbij in de regel in acht worden genomen, vormt naar het oordeel van het hof geen grond voor de conclusie dat het onaanvaardbaar zou zijn om Rehoboth in verband met de wijze van totstandkoming van de uitspraak daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gebonden te achten. Datzelfde geldt voor het feit dat het Generale college partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun inzichten nader mondeling toe te lichten of de gelegenheid te geven voor een derde schriftelijke ronde. Beide partijen hebben zich tweemaal schriftelijk uitgelaten. Geen hunner heeft toen verzocht om een behandeling tijdens de zitting. Het Generale college heeft daartoe - kennelijk - evenmin aanleiding gezien. Van een schending van enig fundamenteel rechtsbeginsel en met name van het beginsel van hoor en wederhoor is geen sprake. Andere feiten of omstandigheden, die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat gebondenheid aan de uitspraak in verband met de wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zijn niet gesteld of gebleken.

2.8 Dat het Generale college het beroep op onbevoegdheid heeft verworpen en daarmee een oordeel heeft gegeven over de - civielrechtelijke - vraag of sprake was van een schenking van de consulentschapsgelden door [geïntimeerde], maakt niet dat gebondenheid van Rehoboth aan de uitspraak in verband met de inhoud daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het Rehoboth zelf is geweest die dit punt aan het Generale college heeft voorgelegd. In de procedure voor de commissie 42 heeft zij, zo is namens haar ter gelegenheid van de comparitie van partijen aangevoerd, het belang van dit punt toen niet doorzien. Rehoboth heeft in haar brief van 30 januari 2006 verwezen naar een mondelinge overeenkomst, die zou blijken uit het door [geïntimeerde] over het jaar 2000 vervaardigde jaarverslag. Het Generale college heeft de argumenten van Rehoboth gewogen en geoordeeld dat het bestaan van een dergelijke afspraak niet is gebleken en daarmee het beroep op onbevoegdheid verworpen. Het hof, dat deze beslissing ingevolge de analoge toepassing van artikel 7:904 BW slechts met een zekere terughoudendheid mag toetsen, ziet in hetgeen door Rehoboth is aangevoerd geen aanleiding de uitspraak van het Generale college te vernietigen.

2.9 De door Rehoboth gemaakte opmerkingen over het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg en de daarop gevolgde executie kunnen buiten beschouwing blijven. Dit vonnis ligt immers niet ter beoordeling aan het hof voor. Daarbij wordt, ten overvloede, nog opgemerkt dat de beslissingen van de voorzieningenrechter geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 257 Rv.

2.10 In haar memorie van grieven concludeert Rehoboth dat het hof haar alsnog in haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk zal verklaren. Zij heeft evenwel tegen het oordeel van de rechtbank dat zij in haar vorderingen onder III en IV niet kan worden ontvangen, geen grieven gericht, zodat zij haar eis op dit punt niet met redenen heeft omkleed.

2.11 De conclusie is dat het hof, zij het op andere gronden, het bestreden vonnis zal bekrachtigen. Nu de voorwaarde voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet is vervuld, behoeft dat hoger beroep geen verdere behandeling. Rehoboth zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep, voor zover gericht tegen het vonnis in het incident van 23 januari 2008 en het vonnis in de hoofdzaak van 7 mei 2008;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 2 december 2009;

veroordeelt Rehoboth in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot de tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen kosten op € 314,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat conform het liquidatietarief;

veroordeelt Rehoboth in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Rehoboth niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft bovenstaande betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, P.L.R. Wefers Bettink en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2011.