Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6970

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
200.081.126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Stuiting van) verjaring. Ontvangsttheorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.081.126

(zaaknummer rechtbank 666711)

arrest van de vijfde civiele kamer van 23 augustus 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats] (Oekraïne),

appellante,

advocaat: mr. J. Brouwer,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Alres Products B.V.,

gevestigd te Amerongen, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.A. Bruins.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 1 september 2010 dat de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerden (hierna ook te noemen: Alres en [geïntimeerde sub 2]) als gedaagden heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 4 november 2010 Alres en [geïntimeerde sub 2] aangezegd van het vonnis van 1 september 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Alres en [geïntimeerde sub 2] voor dit hof. Zij heeft gevorderd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het genoemde vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, Alres en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk - waarbij betaling door de één de ander bevrijdt - zal veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [appellante] te betalen een bedrag van € 75.000,-, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, een en ander met veroordeling van Alres en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd primair tot persistit en subsidiair tot verklaring voor recht dat de verjaringstermijn van artikel 7:683 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een aanvang heeft genomen daags na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, te weten op 16 november 2007, met veroordeling van Alres en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben Alres en [geïntimeerde sub 2] de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij hebben geconcludeerd dat het hof [appellante] in het door haar ingestelde appel niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar vorderingen als ongegrond zal afwijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van (bedoelde zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

[appellante] heeft de volgende grieven aangevoerd. Daarbij leest het hof voor “rechtbank” telkens “kantonrechter”.

Grief I

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 1.3 overwogen:

“Vanaf 1 november 2007 heeft [appellante] geen betaling meer ontvangen.”

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.5 overwogen:

“Alres en [geïntimeerde sub 2] hebben de vordering (ex artikel 7:681 BW, advocaat [appellante]) betwist, stellende dat (…) de vordering is verjaard (…). Dit verweer slaagt.”

En

“Blijkens de eigen stelling van [appellante] heeft Alres (althans [geïntimeerde sub 2]) haar in oktober 2007 meegedeeld dat niet langer gebruik van haar diensten zou worden gemaakt en is per 1 november 2007 de loonbetaling gestaakt. Hieruit volgt dat de arbeidsovereenkomst eind oktober 2007 onverwijld, althans uiterlijk per 1 november is beëindigd. De verjaringstermijn is derhalve uiterlijk per 1 november gaan lopen.”

Grief III

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.7 overwogen:

“[appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.”

4. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de volgende feiten vast.

4.1 [appellante] heeft vanaf 1990 tegen betaling werkzaamheden voor Alres verricht. [geïntimeerde sub 2] trad op als directeur van Alres.

4.2 De overeengekomen werkzaamheden hebben bestaan uit het vertalen van documenten en het tolken bij gesprekken tussen Alres en derden. Tevens heeft [appellante] voor Alres het contact met leveranciers, vervoerders en overheidsinstanties onderhouden. In november 1999 is [appellante] gemachtigd Alres, behalve in Polen en Nederland, ook in Oekraïne te vertegenwoordigen. Ze heeft haar werkzaamheden voor Alres aanvankelijk voornamelijk vanuit Polen en vanaf 1997 vanuit Oekraïne verricht.

4.3 Op 15 november 2007 heeft Alres aan [appellante] meegedeeld dat niet langer gebruik van haar diensten zou worden gemaakt. Tot en met die datum heeft [appellante] nog werkzaamheden voor Alres verricht. Zij heeft in verband met de beëindiging van de overeenkomst € 5.700,- ontvangen. Zij is in Oekraïne blijven wonen.

4.4 Bij brief van 15 mei 2008 van haar toenmalige gemachtigde heeft [appellante] zich er jegens Alres op beroepen dat de arbeidsovereenkomst tussen de partijen, bij gebreke van een ontslagvergunning, niet rechtsgeldig was beëindigd en is Alres gesommeerd tot doorbetaling van loon. Er heeft geen loonbetaling meer plaatsgevonden.

4.5 Vervolgens heeft de huidige advocaat van [appellante] bij brieven aan Alres en [geïntimeerde sub 2] van 30 september 2009 en onder verwijzing naar de eerder ingeroepen vernietigbaarheid van het ontslag aangekondigd dat een rechtsvordering tegen hen zou worden ingesteld. Hij schrijft daarbij onder meer het volgende:

“(…) Voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst dient u te beschikken over een ontslagvergunning van het UWV werkbedrijf (destijds CWI), althans een rechterlijke ontbindingsbeslissing. Van beide is geen sprake, om welke reden door de eerder door cliënte ingeschakelde advocaat mr Leijendekker de vernietigbaarheid van het ontslag is ingeroepen.

Aan verzoeken en sommatie tot doorbetaling heeft u nimmer voldaan. Cliënte heeft mij thans de opdracht gegeven tot invordering van het haar toekomende over te gaan.

Zij is nog eenmalig bereid u in de gelegenheid te stellen om binnen vijf dagen na heden een voorstel te doen tot beëindiging van de arbeidsrelatie met wederzijds goedvinden. Daartoe dient in ieder geval uit te maken een bedrag ter compensatie van de aanmerkelijke loonschade die cliënte reeds heeft geleden en nog steeds lijdt. (…)”

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Ingevolge artikel 19 aanhef en lid 1 van Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [appellante].

5.2 Bij het exploot van dagvaarding in hoger beroep heeft [appellante] op nader aan te voeren gronden betaling van een bedrag van € 75.000,- gevorderd. Bij haar memorie van grieven heeft zij, primair, volhard bij deze vordering. Deze is echter niet toewijsbaar, reeds omdat [appellante] daarvoor in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan, dat [appellante] op dezelfde gronden als in eerste aanleg een bedrag van € 75.000,- heeft gevorderd - wegens kennelijke onredelijkheid van de opzegging - geldt dat de vordering op de hierna in rechtsoverweging 5.5 genoemde gronden is verjaard.

5.3 Subsidiair heeft [appellante] een verklaring voor recht gevorderd dat de verjaringstermijn ex artikel 7:683 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een aanvang heeft genomen op 16 november 2007. Daartoe heeft zij bij de grieven I en II en in de toelichting daarop aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst op 15 november 2007 met onmiddellijke ingang is beëindigd en dat de verjaringstermijn van artikel 7:683 BW daarom op 16 november 2007 is gaan lopen en niet, zoals de kantonrechter heeft overwogen, (uiterlijk) op 1 november 2007.

5.4 Zoals in rechtsoverweging 4.3 is overwogen, heeft [appellante] tot en met 15 november 2007 werkzaamheden voor Alres verricht. Verder staat in deze procedure vast dat Alres tot en met die datum aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan.

5.5 Nu Alres en [geïntimeerde sub 2] (ook) reeds in eerste aanleg hebben aangevoerd, dat Alres de (alleen aan haar gerichte) brief van mr. Leijendekker van 15 mei 2008 eerst op 20 mei 2008 heeft ontvangen en [appellante] deze stelling onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat haar betoog dat de verjaring door deze brief is gestuit, niet op. Overigens zou het, anders dan [appellante] in eerste aanleg heeft gesteld, op haar weg liggen te bewijzen dat Alres en [geïntimeerde sub 2] de brief op 16 mei 2008, dus tijdig, hebben ontvangen. Een bewijsaanbod heeft [appellante] echter niet gedaan op dit punt. Ten slotte heeft de huidige advocaat van [appellante] zich eerst bij de in rechtsoverweging 4.5 genoemde brieven van 30 september 2009 - waarin net zoals in de brief van 15 mei 2008 alleen aanspraak wordt gemaakt op doorbetaling van loon en niet op schadevergoeding op grond van artikel 7:681 BW - gewend tot Alres en [geïntimeerde sub 2], zodat hoe dan ook sprake is van verjaring.

5.6 Het verweer van Alres en [geïntimeerde sub 2] dat de subsidiaire vordering van [appellante] dient te worden afgewezen, omdat deze niet is vermeld in de dagvaarding, gaat niet op. Een appellant heeft immers het recht zijn vordering nog bij de memorie van grieven te vermeerderen of te wijzigen. Alres en [geïntimeerde sub 2] hebben echter terecht aangevoerd, dat [appellante] onder de hiervoor geschetste omstandigheden jegens hen geen belang heeft bij haar subsidiaire vordering. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

5.7 Het voorgaande brengt mee dat de grieven I en II niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Daarmee faalt ook grief III.

5.8 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 1 september 2010;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Alres en [geïntimeerde sub 2] begroot op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.769,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, I.A. Katz-Soeterboek en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2011.