Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6684

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
200.071.203 - 01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg kwijtingsbeding. Toedeling tegen betaling van aandelen in familiebedrijf na erfenis. Zus heeft er gezien conflicten redelijkerwijs bedacht op moeten zijn dat broer beoogde te bereiken wat er ook letterlijk staat: finale kwijting, met uitzondering van pensioenverplichtingen jegens hem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.071.203/01

8 maart 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZEVENTIENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ATELIER GEBRAND GLAS B.V.,

gevestigd te Haarlem,

APPELLANTE

advocaat: mr. A.J.H.M. van Poorten te Haarlem,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E. Bongers te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna AGG en [geïntimeerde] genoemd.

1.1. Bij dagvaarding van 22 juli 2010 is AGG in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 30 juni 2010, in deze zaak onder zaak/rolnum¬mer 450500/CV EXPL 10-119 gewezen tussen haar als opposante en [geïntimeerde] als geopposeerde.

1.2. AGG heeft bij memorie negen grieven aangevoerd, haar eis vermeerderd, bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis waarvan beroep alsmede het verstekvonnis zal vernietigen en, alsnog de oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen en haar vordering in reconventie, zoals in hoger beroep gewijzigd, zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3. Daarop heeft [geïntimeerde] geantwoord, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en de gewijzigde eis zal afwijzen, met veroordeling

– uitvoerbaar bij voorraad - van AGG in de kosten van het appel.

1.4. Ten slotte zijn de stukken van beide instanties overgelegd en is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “De feiten” onder 1 tot en met 17 feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. (i) AGG (voorheen genaamd: Atelier Gebrand Glas [geïntimeerde] B.V.) hield zich in het verleden bezig met het ontwerp en de fabricage van gebrandschilderd glas, glas in lood en glasmozaïek, maar verwerft haar inkomsten thans nog uitsluitend uit de verhuur van aan haar in eigendom toebehorende onroerende zaken. (Enig) directeur van AGG is [S.] (hierna: [S.]). [geïntimeerde] is de broer van [S.].

(ii) Uit hoofde van de werkzaamheden die [geïntimeerde] in het verleden voor AGG heeft verricht, heeft hij jegens AGG aanspraak op maandelijkse pensioenbetalingen van € 1.106,-.

(iii) Op 14 augustus 2005 is de moeder van [geïntimeerde] en [S.] overleden. [geïntimeerde] en [S.] zijn haar erfgenamen. Tot haar nalatenschap behoorden onder meer 114 aandelen in het geplaatste kapitaal van AGG. [geïntimeerde] bezat destijds 29 aandelen en [S.] 31 aandelen.

(iv) [geïntimeerde] heeft een procedure bij de rechtbank Haarlem aanhangig gemaakt en toedeling van de 114 tot de nalatenschap behorende aandelen aan [S.] gevorderd, alsmede overname door [S.] van de 29 door hem gehouden aandelen, een en ander tegen een door een deskundige vast te stellen waarde. Daarnaast vorderde [geïntimeerde] in die procedure herverdeling van de inboedel die zich ten tijde van het overlijden van de moeder van [geïntimeerde] en [S.] in haar woonhuis bevond; door een eerdere verdeling achtte [geïntimeerde] zich ernstig benadeeld.

(v) In het kader van genoemde procedure zijn partijen overeengekomen Deloitte Management Support B.V. (hierna: Deloitte) in te schakelen om de aandelen AGG te waarderen. Deloitte heeft op 30 september 2008 een conceptrapport uitgebracht. Vervolgens zijn partijen in onderhandeling getreden.

(vi) Bij faxbrief van 27 oktober 2008 heeft de raadsman van [geïntimeerde], mr. Bongers, aan de raadsman van [S.], mr. Van Poorten, een voorstel gedaan dat inhield dat [S.] een bedrag van € 646.118,- zou betalen voor de 29 aandelen van [geïntimeerde] en de helft van de 114 tot de nalatenschap behorende aandelen.

(vii) Bij faxbrief van 18 december 2008 schreef mr. Van Poorten mr. Bongers onder meer:

“Ofschoon de door uw cliënt geschatte waarde van de aandelen per ultimo 2008 van € 1.307.264,- te hoog is, is cliënte bereid ter oplossing van alle geschillen tussen partijen derhalve tegen finale kwijting en onder doorhaling van de aanhangige procedure een koopsom te voldoen voor het aandelenbelang van uw cliënt van in totaal € 635.000,-. Dit voorstel geldt gedurende 10 dagen na heden (…)”

(viii) Bij faxbrief van 23 december 2008 berichtte mr. Bongers mr. Van Poorten onder meer:

“Cliënt is bereid mee te werken aan levering en toescheiding van de aandelen Atelier Gebrand Glas [geïntimeerde] BV aan uw cliënte en/of [geïntimeerde] Holding BV tegen het door u in uw fax van 18 december jl. genoemde bedrag ad € 635.000. Ook is hij bereid zijn aandelen in [geïntimeerde] Holding BV te leveren zonder verdere bij betaling.(…)

Cliënt wil echter geen afstand doen van zijn vordering m.b.t. de verdeling van inboedel.(…)”

(ix) Bij faxbrief van 12 januari 2009 antwoordde mr. Van Poorten mr. Bongers onder meer:

“Door de heer [J.] van Deloitte is op verzoek van partijen onderzocht en vastgesteld dat uw cliënt terzake de verkoop en overdracht van zijn aandelenbelang in Atelier Gebrand Glas [geïntimeerde] B.V. aanspraak heeft op een bedrag van

€ 623.727,-. In een laatste poging om ook de verdelingskwestie over de inboedelzaken tot finale oplossing te brengen, heb ik namens cliënte een hoger eindbedrag voorgesteld. Nu uw cliënt niet bereid is om tot de voorgestelde integrale oplossing van alle geschillen te komen, trekt cliënte hierbij het voorstel in mijn faxbrief van 18 december 2008 in.

Ik verzoek u mij uiterlijk binnen 7 dagen na heden schriftelijk te bevestigen:

1. dat uw cliënt onvoorwaardelijk en op eerste verzoek van cliënte medewerking zal verlenen aan verkoop en overdracht van zijn aandelenbelang in Gebrand Glas [geïntimeerde] B.V. aan cliënte op basis van voornoemde koopsom;

2. dat de overdracht conform de u toegezonden notariële concepten zal plaatshebben;

(…)”.

(x) Bij faxbrief van 20 januari 2009 berichtte mr. Bongers mr. Van Poorten onder meer:

“Cliënt had zich al zodanig ingesteld op het afwikkelen van deze zaak dat hij nu bezwaarlijk vindt om in het zicht van de haven de deal te laten afketsen.

Hij stelt daarom voor:

- betaling van het eerder door uw cliënte voorgestelde bedrag ad € 635.000, waarvan € 623.727 voor de aandelen en het restant voor de inboedel; de betalingen dienen gesplitst te worden verricht;

- na betaling finale kwijting over en weer tussen cliënt enerzijds en uw cliënte en de door haar beheerste vennootschappen anderzijds, m.u.z. uiteraard van de pensioenverplichtingen van Atelier Gebrand Glas [geïntimeerde] BV t.o.v. cliënt.”

(xi) Eind januari 2009 heeft notaris Boeser [geïntimeerde] de aktes tot wijziging van de statuten in AGG en [geïntimeerde] Holding B.V., de aktes tot overdracht van de aandelen en de akte tot verdeling van de nalatenschap gezonden. Bij faxbrief van 13 februari 2009 heeft mr. Bongers aan notaris Boeser onder meer geschreven:

“Om geen losse eindjes over te houden hecht ik eraan dat er finale kwijting over en weer wordt verleend tussen cliënt enerzijds en mw [S.]en de door haar beheerste vennootschappen anderzijds, m.u.z. van de pensioen-verplichtingen die Atelier Gebrand Glas ([geïntimeerde]) BV heeft t.o.v. cliënt.

Het is mij om het even of dat in een brief van mr van Poorten aan mij schriftelijk wordt bevestigd dan wel in een van de aktes wordt verwerkt.

Ik zend een kopie van deze brief aan mr Van Poorten.”

(xii) Bij faxbrief van 16 februari 2009 heeft mr. Van Poorten mr. Bongers onder meer geschreven:

“Volledigheidshalve bevestig ik u dat cliënte kan instemmen met het voorstel in uw faxbrief van 20 januari 2009. Daarmee hebben partijen thans volledige overeenstemming bereikt.”

(xiii) Bij e-mail van 28 augustus 2009 heeft AGG aanspraak gemaakt op betaling van de helft van de rekening-courant schuld die de moeder van [geïntimeerde] en [S.] aan AGG had, volgens opgave van AGG een bedrag van € 35.836,50.

(xiv) [geïntimeerde] heeft genoemd bedrag niet betaald. AGG heeft vervolgens per 1 september 2009 de maandelijkse pensioen-betalingen aan [geïntimeerde] gestaakt.

3.2. [geïntimeerde] heeft AGG in rechte betrokken en betaling van pensioenuitkeringen gevorderd. Deze vordering is bij verstek toegewezen, maar AGG is tijdig in verzet gekomen. In reconventie heeft AGG betaling gevorderd van € 38.710,50 (naar haar stelling de helft van de onder 3.1(xiii) bedoelde rekening-courant schuld per 1 juli 2009) te vermeerderen met de wettelijke rente. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter in conventie het verstekvonnis bevestigd en in reconventie de vordering afgewezen. De kantonrechter was kort gezegd van oordeel dat [S.] zowel in privé als namens AGG finale kwijting aan [geïntimeerde] had verleend en dat de rekening-courant schuld in deze kwijting was begrepen. Tegen dit oordeel komt AGG met haar grieven op.

3.3. AGG voert in de inleiding op haar grieven, kort samengevat, het volgende aan. [S.] en haar advocaat hebben de in de onder 3.1(x) genoemde faxbrief van mr. Bongers van 20 januari 2009 voorkomende zinsnede “en de door haar beheerste vennootschappen” zo opgevat en mogen opvatten dat de kwijting alleen de aanspraken van [geïntimeerde] ter zake van de aandelen van niet alleen van AGG maar tevens van de door AGG beheerste vennootschap [geïntimeerde] Holding B.V. betrof. De bevestiging in de faxbrief van 16 februari 2009 heeft uitsluitend betrekking op de bereikte regeling over de twee geschillen die tussen partijen speelden (de aandelen en de inboedel). [geïntimeerde] heeft zijn heimelijke bedoeling om de aanzienlijke rekening-courant schuld aan AGG in de schikking te betrekken niet duidelijk aan [S.] kenbaar gemaakt, zodat AGG daaraan niet gebonden kan worden geacht. AGG heeft nimmer de wil gehad afstand te doen van deze schuld. Ook in cijfermatige zin is kwijting voor deze schuld volgens AGG onlogisch; de bedoeling om ook kwijtschelding van de rekening-courantschuld te verkrijgen zou tot nieuwe onderhandelingen hebben geleid en daarbij zouden ook allerlei vennootschappelijke en fiscale consequenties onderwerp van onderzoek zijn geweest. AGG stelt zich derhalve primair op het standpunt dat zij [geïntimeerde] geen kwijting voor de rekening-courant schuld heeft verleend. Voorts stelt zij dat [S.] ook nimmer als directeur van AGG is opgetreden en dat [S.] bovendien niet bevoegd was de rekening-courantschuld aan AGG kwijt te schelden. Eventuele kwijting zou ook doeloverschrijding vormen. Zonodig vernietigt AGG de kwijting op deze gronden. Subsidiair vernietigt AGG de kwijting op grond van dwaling, waarvan de oorzaak naar haar stelling is gelegen in de schending van de spreekplicht van [geïntimeerde]. Deze stellingen komen in verschillende varianten terug in de grieven, die zich grotendeels voor gezamenlijke bespreking lenen.

3.4. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat de rekening-courant schuld in het kader van de onderhandelingen niet in concreto ter sprake is geweest. Volgens [geïntimeerde] was het echter evident de bedoeling van partijen eens en voor al een streep te zetten onder alle geschillen (geen losse eindjes) en is de letterlijke tekst van het kwijtingsbeding zo duidelijk dat een misverstand niet goed voorstelbaar is. [geïntimeerde] heeft voorts de omvang van de rekening-courantschuld bij gebrek aan wetenschap betwist.

3.5. Voor het antwoord op de vraag hoe het kwijtingsbeding zoals dat in genoemde mails van de advocaten is vastgelegd moet worden uitgelegd, acht het hof het volgende van belang.

3.6. [geïntimeerde] heeft (ook al in eerste aanleg) aangevoerd dat de getaxeerde waarde van de aandelen, zoals [S.] bekend was, volgens hem veel te laag was en dat dit samen hing met een in zijn visie te lage taxatie van de aan AGG in eigendom toebehorende onroerende zaak aan de [adres]in [gemeente]. Murw geslagen als hij was door de jarenlange conflicten met [S.] is hij bereid geweest het rapport Deloitte tot uitgangspunt te nemen, aldus [geïntimeerde]. [geïntimeerde] was aanvankelijk echter niet bereid zijn aanspraken op de inboedel prijs te geven, zoals ook blijkt uit de onder 3.1 vermelde correspondentie. Volgens [geïntimeerde] had de inboedel een totale waarde van circa € 150.000,-. Hij heeft ter zake een taxatierapport van 6 november 1998 overgelegd.

3.7. Uit het vorenstaande volgt dat [geïntimeerde] met de regeling zoals hij die uiteindelijk heeft geaccepteerd (zie zijn voorstel in de onder 3.1(x) vermelde faxbrief van mr. Bongers van 20 januari 2009), na zijn standpunt op het punt van de waarde van de aandelen reeds te hebben prijsgegeven, ook aanzienlijk op zijn standpunt met betrekking tot de waarde van de inboedel heeft ingeleverd.

3.8. [geïntimeerde] heeft ook al in eerste aanleg – onder verwijzing naar de door hem overgelegde dagvaarding van 21 december 2007 die de onder 3.1(iv) genoemde procedure inleidde - melding gemaakt van conflicten met [S.], niet alleen over kwesties die hun uitsluitend privé aangingen, maar ook met betrekking tot de gang van zaken binnen de door [S.] bestuurde vennootschap AGG, waar [geïntimeerde] naar zijn stelling al jaren buiten werd gehouden. AGG heeft niet betwist dat sprake was van conflicten als door [geïntimeerde] genoemd.

3.9. Naar het oordeel van het hof heeft [S.] er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op bedacht moeten zijn dat [geïntimeerde] met zijn voorstel zoals dat is verwoord in de brief van mr. Bongers van 20 januari 2009, waarbij hij vanuit zijn standpunt bezien een flinke concessie heeft gedaan, heeft beoogd te bereiken wat er ook letterlijk staat (te weten: finale kwijting over en weer tussen [geïntimeerde] enerzijds en [S.] en de door haar beheerste vennootschappen anderzijds, met uitzondering van de pensioenverplichtingen van AGG tegenover [geïntimeerde]) en daarmee iedere verdere potentiële bron van conflicten tussen hem en [S.]/AGG definitief de pas af te snijden. Dit aspect is ook nog eens benadrukt in de faxbrief van mr. Bongers van 13 februari 2009 aan de notaris (“geen losse eindjes”). Dat [S.] vermelding van de door haar beheerste vennootschappen heeft kunnen opvatten als uitsluitend betrekking hebbend op een kwijting ter zake van de door AGG beheerste aandelen [geïntimeerde] Holding B.V. komt niet overtuigend voor, reeds omdat in dezelfde zin direct daarna de pensioenverplichtingen van AGG tegenover [geïntimeerde] van de kwijting worden uitgezonderd. Alleen al daarom heeft voor [S.] duidelijk moeten zijn dat [geïntimeerde] met de kwijting ook doelde op eventuele vorderingen van hem op AGG en vice versa. Dit wordt niet anders als de zinsnede – ook al sluit dit niet aan bij de bewoordingen - zo zou moeten worden verstaan als [S.] bepleit, namelijk dat [geïntimeerde] daarmee kenbaar maakte dat hij niet langer afstorting van zijn pensioen bij een verzekeringsmaatschappij eiste. Ook dan is sprake van een clausule die betrekking heeft op de relatie tussen [geïntimeerde] en AGG.

3.10. Het vorenstaande brengt tevens mee dat [geïntimeerde] aan de bevestigingsbrief van 16 februari 2009 van mr. Van Poorten in redelijkheid de betekenis heeft mogen toekennen dat [S.], mede namens AGG, jegens hem afstand deed van alle vorderingsrechten die zij dan wel AGG nog op hem meenden te hebben, ook als deze in het kader van de onderhandelingen niet met zoveel woorden ter sprake waren geweest.

3.11. Niet valt in te zien dat [S.], als enige bestuurder en - als gevolg van de door partijen bereikte overeenstemming - op korte termijn beoogd enig aandeelhouder, een dergelijke kwijting niet namens AGG had mogen verlenen. In het kader van de kwijting geldt voorts dat ook AGG op haar beurt door [geïntimeerde] werd gekweten en daarna derhalve (met uitzondering van de pensioenaanspraken) gevrijwaard was van potentiële aanspraken van [geïntimeerde] jegens haar. Waar het gaat om de rekening-courant schuld ligt bovendien niet per definitie in de kwijting besloten dat deze door AGG wordt kwijtgescholden, maar slechts dat AGG hierop niet meer jegens [geïntimeerde] aanspraak kan maken. Zoals ook [geïntimeerde] aanvoert, kan de regeling ook aldus worden uitgelegd dat de schuld aan [S.] wordt toegedeeld zodat AGG nog slechts jegens [S.] aanspraak kan maken op de aanzuivering van de schuld. AGG heeft onvoldoende aangevoerd waaruit kan volgen dat de regeling niet (ook) in haar belang kan zijn. Dat sprake is van doeloverschrijding kan onder die omstandigheden niet worden geconstateerd.

3.12. Het subsidiair door AGG gedane beroep op dwaling faalt op dezelfde gronden als hiervoor onder 3.10 en 3.11 zijn besproken. Voor zover AGG, vertegenwoordigd door [S.], zich bij het overeenkomen van de kwijting niet heeft gerealiseerd dat deze ook betrekking had op de rekening-courant schuld, dient deze dwaling voor haar eigen rekening te blijven.

3.13. Na het vorenstaande hoeven de grieven I tot en met V en VII geen afzonderlijke behandeling meer. Deze grieven falen, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen. Hieruit volgt eveneens dat de eis zoals deze in hoger beroep is vermeerderd niet voor toewijzing vatbaar is. Het bewijsaanbod van AGG betreft haar stelling dat bij de onderhandelingen alleen over de aandelen en de inboedel is gesproken. Dit is echter niet in geschil. Het bewijsaanbod is derhalve niet ter zake dienend en wordt om die reden verworpen. Grief VIII faalt derhalve eveneens.

3.14. Met grief VI keert AGG zich tegen toewijzing van een bedrag van € 400,- voor buitengerechtelijke incassokosten. De gestelde incassokosten zien op het inwinnen van advies van de deken voor het overleggen van confraternele correspondentie en dat valt onder werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure, aldus AGG. Deze grief is gegrond. De genoemde kosten kunnen niet worden gekwalificeerd als kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De buitengerechtelijke kosten dienen – met vernietiging van het vonnis waarvan beroep en het verstekvonnis in zoverre - alsnog te worden afgewezen. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd. Grief X heeft geen zelfstandige betekenis en kan verder onbesproken blijven.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover daarbij in conventie het verstekvonnis van 2 december 2009 op het punt van de buitengerechtelijke incassokosten in stand is gelaten, en, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep en het verstekvonnis in zoverre, wijst de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van AGG hem een bedrag van € 400,- aan buitengerechtelijke incassokosten te voldoen alsnog af;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is gevorderd dan in eerste aanleg;

verwijst AGG in de proceskosten in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 263,- aan verschotten en € 1.158,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, M.M.M. Tillema en C.C.W. Lange en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2011 door de rolraadsheer.