Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6395

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
200.085.704-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing, gronden, inbreuk huisrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 14 juni 2011 in de zaak met zaaknummer 200.085.704/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp,

t e g e n

BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en BJAA genoemd.

1.2. De moeder is op 15 april 2011 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 23 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 11-666/485059.

1.3. BJAA heeft op 16 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 30 mei 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de heer M. Yalvac, gezinsvoogd, namens BJAA,

- de heer O. Ente, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam en Gooi & Vechtstreek, locatie Amsterdam (hierna: de Raad),

- de heer […] (hierna: de vader), bijgestaan door mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam.

2. De feiten

2.1. Uit de relatie tussen de vader en de moeder, welke eind 2008 werd beëindigd, is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2008. De moeder oefent het gezag uit over [de minderjarige].

2.2. Na het beëindigen van de relatie is een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot stand gekomen. Deze omgangsregeling is in november 2010 door de moeder stopgezet.

2.3. Bij beschikking van 23 december 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van BJAA, welke ondertoezichtstelling nadien is verlengd tot laatstelijk 23 december 2011.

2.4. Bij beschikking van 11 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van veertien dagen.

2.5. Bij vonnis van 22 maart 2011 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam is op verzoek van de moeder aan de vader - kort gezegd - voor de duur van een jaar een straat- en contactverbod ten opzichte van de moeder en [de minderjarige] opgelegd, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,- voor iedere keer dat de vader zich niet houdt aan de in het vonnis omschreven verboden.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang - op verzoek van BJAA een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder tot 25 september 2011.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, - naar het hof begrijpt - het inleidend verzoek van BJAA tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] alsnog af te wijzen.

3.3. BJAA verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep althans de bestreden beschikking te bekrachtigen en - naar het hof begrijpt: subsidiair - in geval van vernietiging van de bestreden beschikking, de af te geven beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Aan de orde is de vraag of de kinderrechter terecht en op juiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder tot 25 september 2011 heeft verleend.

4.2. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er tussen de ouders sprake is geweest van huiselijk geweld in het bijzijn van [de minderjarige]. De vader is in 2009, wegens gepleegd geweld op straat jegens de moeder, eveneens in het bijzijn van [de minderjarige], veroordeeld tot een taakstraf en verplicht reclasseringscontact. Met ingang van november 2010 is er met de ouders vanuit Altra het hulpverleningstraject Safety First gestart. Per 3 maart 2011 is dit traject afgerond en is de hulpverlening overgedragen naar Altra jonge moeders thuis. Naar aanleiding van een nieuw conflict met de vader heeft de moeder - op instigatie van BJAA - in kort geding een straat- en contactverbod jegens de vader verzocht en op 22 maart 2011 gekregen, voor de duur van één jaar. Ondanks dit verbod werd een verhuizing van de moeder met [de minderjarige] naar een blijf-van-mijn-lijfhuis of een andere voor de vader onbekende woonplaats door BJAA noodzakelijk geacht in het kader van een door BJAA opgesteld veiligheidsplan. Een dergelijke verhuizing is echter niet tot stand gekomen, om welke reden BJAA de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft verzocht. BJAA stelt zich daarbij op het standpunt dat het straat- en contactverbod onvoldoende garantie biedt om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen, aangezien de vader en de moeder vlakbij elkaar wonen, de vader onvoorspelbaar is in zijn gedrag en er tevens een risico van dreiging vanuit de familie en vrienden van de vader bestaat. Een thuisplaatsing van [de minderjarige] kan volgens BJAA eerst aan de orde zijn wanneer de moeder andere woonruimte voor zichzelf en [de minderjarige] geregeld heeft.

4.3. De Raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4. Het hof overweegt als volgt. Niet is gebleken dat het ten tijde van de bestreden beschikking in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] noodzakelijk was tot uithuisplaatsing over te gaan. Blijkens eensluidende verklaring van de ouders ter zitting, die door BJAA niet is betwist, heeft de vader sinds november 2010 geen contact meer gezocht met de moeder dan wel met [de minderjarige]. Voorts heeft zowel de moeder als de vader de gestelde dreiging jegens de moeder vanuit de familie of vriendenkring van de vader betwist en is van een dergelijke dreiging die de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in gevaar zou brengen ook anderszins niet gebleken. Het hof is voorts van oordeel dat de door BJAA aan de moeder gestelde eis tot verhuizing een ontoelaatbare inbreuk vormde op haar in artikel 8 EVRM besloten liggende huisrecht, temeer nu de moeder op instigatie van BJAA reeds in kort geding een straat- en contactverbod jegens de vader had verkregen en niet was gebleken dat de vader zich niet aan dat verbod hield of zou houden. Het hof is dan ook, anders dan de Raad, van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en thans evenmin aanwezig zijn. Mitsdien dient het inleidend verzoek van BJAA alsnog te worden afgewezen.

Het hof merkt nog op dat een spoedige thuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] is, nu hij zich in een qua hechting uiterst kwetsbare leeftijdsfase bevindt. Overigens heeft de moeder ter zitting medegedeeld dat zij een urgentieverklaring voor eigen woonruimte heeft verkregen en op korte termijn verwacht te kunnen verhuizen naar een woonplek buiten Amsterdam.

4.5. BJAA heeft, ingeval het hof de bestreden beschikking zou vernietigen, verzocht de beschikking van het hof niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder heeft dit verzoek niet bestreden. Een verklaring als gevraagd kan niet worden gegeven ten aanzien van een beslissing waarbij een eerder gegeven beschikking wordt vernietigd. Die beslissing betekent namelijk dat de eerdere beschikking zijn werking verliest met ingang van de datum van die beslissing. Een verklaring inzake de uitvoerbaarheid heeft derhalve geen betekenis. Een (eventueel) cassatieberoep maakt dit niet anders (HR 14 december 1990, NJ 1991, 307).

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van BJAA een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf bij een pleegouder tot 25 september 2011 alsnog af;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, M. Wigleven en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2011.