Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4844

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
200.054.805-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 31 mei 2011 in de zaak met zaaknummer 200.054.805/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H.W.E. Vermeer te Amstelveen,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P. Moraal-Roos te Amstelveen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 25 januari 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 november 2009 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 423267/FA RK 09-2250.

1.3. De man heeft op 26 februari 2010 een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 7 april 2010 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5. De man heeft op 30 maart en 17 september 2010 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 30 september 2010 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.8. De zaak is daarna in verband met overleg tussen partijen enkele malen pro forma aangehouden laatstelijk tot 30 januari 2011.

1.9. Bij brief van 26 januari 2011 van de man en bij brief van 27 januari 2011 van de vrouw hebben partijen het hof verzocht een beschikking te geven.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen hebben een relatie gehad, die in 2006 is beëindigd. Uit hun relatie zijn geboren [kind A] [in] 1993 en [kind B] [in] 1999 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend. De kinderen verblijven bij de vrouw.

2.3. Partijen hebben in 2006 een samenlevingbeëindigingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat de man met ingang van 1 april 2006 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen van € 300,- per kind per maand. Voorts is overeengekomen dat de bijdrage met ingang van 1 januari 2007 zal worden verhoogd volgens de wettelijke indexering.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1967. Hij woont samen met zijn nieuwe partner, mevrouw […] en haar meerderjarige dochter.

Het fiscaal loon van zijn partner bedroeg in 2009 volgens de jaaropgave over 2009 € 11.361,-.

Hij had een eenmanszaak handelend onder de naam […]. De winst uit onderneming bedroeg in 2009 € 33.884,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de tot 1 mei 2010 door de man bewoonde woning betaalde hij € 890,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband hield met de hypothecaire lening, betaalde hij € 219,- per maand. Hij had de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde was vastgesteld op € 161.000,-.

Aan huur betaalt hij sinds 1 mei 2010 € 790,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 123,- per maand.

Hij lost maandelijks een bedrag van € 120,- af in verband met een schuld aan Laser Services.

Hij lost € 68,- per maand af op een krediet van Arenda B.V.

Hij heeft een schuld aan de Belastingdienst, waarop hij met ingang van 31 oktober 2009 € 1.038,- per maand aflost.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - met wijziging in zoverre van de tussen partijen in 2006 gesloten samenlevingsbeëindigingsovereenkomst - bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2009 tot 1 oktober 2009 € 324,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en met ingang van 1 oktober 2009 € 46,- per kind per maand.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op het bedrag dat partijen in de samenlevings-beëindigingsovereenkomst hebben afgesproken, te weten een bedrag van € 648,58 in totaal, met ingang van 1 januari 2009, jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering. Deze beschikking is tevens gegeven op het verzoek van de man de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil te stellen.

3.2. In principaal hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen en primair alsnog haar inleidend verzoek toe te wijzen.

Subsidiair verzoekt zij de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in de periode van 1 oktober 2009 tot 1 april 2011 te bepalen op € 46,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks te verhogen met de wettelijke indexering, voor het eerst op 1 januari 2010, en met ingang van 1 april 2011 op € 324,29 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks per 1 januari te verhogen met de wettelijke indexering, voor het eerst op 1 januari 2010.

3.3. De man verzoekt het verzoek van de vrouw in principaal hoger beroep af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen, althans een zodanige beslissing te geven als het hof juist zal achten.

3.4. De vrouw verzoekt het verzoek van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep

4.1. De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep lenen zich gezien de samenhang voor gezamenlijke behandeling.

4.2. Aan de orde is de vraag of de man in staat is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: de bijdrage) te betalen.

4.3. Uit de brief van de man van 26 januari 2011 blijkt dat vanaf 17 december 2010 de schuldsanering op hem van toepassing is verklaard. Het hof maakt uit de brief van de vrouw van 27 januari 2011 aan het hof op dat zij zich niet verzet tegen een nihilstelling van de bijdrage met ingang van 17 december 2010. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage met ingang van voornoemde datum op nihil stellen voor de duur van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de man. De grief van de man in incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre. Aangezien de man in incidenteel hoger beroep heeft verzocht de bijdrage met ingang van 1 januari 2009 op nihil te stellen, dient het hof nog te beoordelen of en in hoeverre hij in de periode van 1 januari 2009 tot 17 december 2010 in staat is een bijdrage te voldoen.

4.4. Daartoe dient allereerst de vraag te worden beantwoord of zich vanaf 1 januari 2009 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, die ertoe dient te leiden dat de overeengekomen bijdrage moet worden herzien. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. Uit de door de man overgelegde jaarstukken van zijn onderneming over de jaren 2007, 2008 en 2009 blijkt dat het bedrijfsresultaat over 2009 is gehalveerd ten opzichte van (2007 en) 2008. De man heeft aangegeven dat hij vanaf september 2008 nauwelijks nog opdrachten voor zijn bedrijf heeft gekregen. In aanvulling hierop heeft de man het hof meegedeeld dat hij thans in slechte gezondheid verkeert. Uit een door hem overgelegde brief van een arts van het Slotervaartziekenhuis van 10 september 2010 blijkt dat hij sedert 23 juni 2010 vier maal voor wisselende perioden opgenomen is geweest in het ziekenhuis ter analyse van hevige lichamelijke klachten. Ter zitting in hoger beroep heeft de man de ernst van zijn ziekte nader toegelicht. Als gevolg van zijn ziekte zal hij voorlopig niet kunnen werken, aldus de man.

Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om bij de bepaling van de draagkracht van de man uitsluitend uit te gaan van de in 2009 behaalde winst uit onderneming. De stelling van de vrouw in eerste aanleg dat de winst in de periode van 2006 tot en met 2008 alleen maar is gestegen maakt dit niet anders.

4.5. De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen rekening mag worden gehouden met de belastingschuld die de man heeft, althans niet langer dan tot 1 april 2011, de datum waarop de schuld volgens de betalingsregeling die de man met de belastingdienst heeft getroffen afgelost behoort te zijn. Hiertoe voert zij aan dat de schuld lichtvaardig is aangegaan en dat de man zich door het lichtvaardig laten oplopen van zijn belastingschuld niet kan onttrekken aan zijn verplichting bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De man heeft zich verweerd en aangevoerd dat de schuld is ontstaan door onjuiste schattingsvaststellingen door de belastingdienst in de periode 2006 t/m 2008.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten, die ten opzichte van het kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Wat schulden betreft vallen hieronder de schulden die uit de relatie van partijen stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan. Overige schulden hebben in beginsel geen voorrang op de onderhoudsverplichting jegens het kind. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt hetgeen de man ter onderbouwing van zijn schuld heeft aangevoerd, een uitzondering op bovengenoemd uitgangspunt en zal het hof met de aflossing op deze schuld als hierna aangegeven rekening houden. Geleken is dat de aflossingstermijn van 18 maanden bedraagt en per oktober 2009 is aangevangen, zodat het hof in ieder geval tot 17 december 2010 met deze aflossing rekening zal houden.

4.6. De vrouw is voorts van mening dat er geen rekening mag worden gehouden met de lening, die de man stelt bij zijn moeder te hebben afgesloten. Nu de rechtbank geen rekening heeft gehouden met deze schuld en de man in zijn incidenteel appel hiertegen geen grief heeft gericht, behoeft de hiertegen gerichte grief van de vrouw geen behandeling.

4.7. Ter zitting in hoger beroep heeft de man aangegeven dat hij geen premie meer voldoet voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Aangezien hij daarnaast heeft aangegeven dat zijn onderneming per 1 oktober 2010 opgeheven zal worden, zal het hof tot 1 oktober 2010 rekening houden met een premiebetaling voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 284,- per maand.

4.8. Gelet op het inkomen van de partner van de man, dat beneden bijstandsniveau ligt, houdt het hof evenals de rechtbank bij de draagkrachtberekening van de man rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en komen de woonlasten van de man volledig voor zijn rekening. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat niet van de dochter van de partner kan worden gevergd in de kosten van de huishouding bij te dragen.

4.9. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de man met ingang van 1 januari 2009 niet in staat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. Gelet hierop, behoeft de door de man in incidenteel hoger beroep naar voren gebrachte grief aangaande de behoefte van de vrouw aan een bijdrage voor de kinderen geen nadere bespreking.

Voor zover de man vanaf 1 januari 2009 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald, kan van de vrouw, nu een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende:

stelt, met dienovereenkomstige wijziging van hetgeen partijen daaromtrent in 2006 zijn overeengekomen, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2009 tot het einde van de periode waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is op nihil; met dien verstande dat, voor zover de man tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot de datum van deze beschikking wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.S.G. Verhoeff, R.G. Kemmers en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. H.T. Gitsels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2011.