Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4827

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
200.078.355-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie, behoefte, uithuisplaatsing, ouderbijdrage, onderhoudsplicht stiefouder.

Wetsverwijzingen
Wet op de jeugdzorg 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 17 mei 2011 in de zaak met zaaknummer 200.078.355/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.B. Koppenberg te Hoorn,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANT in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. C.W.M. Neefjes te Purmerend.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 8 december 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 september 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 169442 / FA RK 10-1579.

1.3. De man heeft op 27 januari 2011 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De zaak is op 21 maart 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1997 gehuwd. Hun huwelijk is op 31 oktober 2001 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 oktober 2001 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 1997 en […] (hierna: [kind B]) [in] 1999 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw. [kind B] woont bij de vrouw.

2.2. Bij beschikking van 16 oktober 2001 van de rechtbank Haarlem is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van omgerekend € 226, 89 per kind per maand, thans na wettelijke indexering € 287, 68 per kind per maand.

2.3. Bij beschikking van 16 februari 2010 is [kind A] voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief is uitgesproken en nadien is verlengd. Voorts is bij die beschikking machtiging verleend [kind A] te doen opnemen en verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, welke machtiging nadien is verlengd.

2.4. [kind A] heeft korte tijd in De Koppeling in Amsterdam verbleven en vervolgens in een instelling van de Avenier Jeugd- en Opvoedhulp in Almelo. Met ingang van februari 2011 verblijft zij in een therapeutisch pleeggezin in [a].

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.5. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1972. Zij is hertrouwd. Uit dit huwelijk is [in] 2007 [kind C] geboren.

Haar echtgenoot voorziet in eigen levensonderhoud. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2009 € 45.644,-.

Zij is werkzaam in loondienst. Haar fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave over 2009 € 8.191,-. Haar salaris bedraagt circa € 500,- netto per maand, exclusief spaarloon van € 33,- per maand en vakantietoeslag.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw en haar gezin bewoonde woning betalen zij € 1.100,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betalen zij

€ 72,- per maand. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten.

Aan premie voor de zorgverzekering betaalt de vrouw € 134,- per maand.

Zij ontvangt € 93,- per maand aan kinderbijslag ten behoeve van [kind A].

Zij betaalt met ingang van 9 september 2010 middels het LBIO een ouderbijdrage voor [kind A] van € 122,- per maand.

2.6. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1968. Hij is alleenstaand.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 16 oktober 2001, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] met ingang van 6 mei 2010 op nihil gesteld.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man te bepalen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] met ingang van 16 februari 2010 op nihil wordt gesteld.

3.2. De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep - naar het hof begrijpt -, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man om de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] op nihil te stellen alsnog af te wijzen.

3.3. De man verzoekt het door de vrouw in principaal hoger beroep verzochte af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de ingangsdatum van de nihilstelling op 16 februari 2010 te bepalen, zoals door hem in eerste aanleg is verzocht.

3.4. De vrouw verzoekt het door de man in incidenteel hoger beroep verzochte af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

in principaal hoger beroep

4.1. De draagkracht van de man tot het betalen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] is niet in geschil en staat derhalve vast.

4.2. Ten aanzien van de behoefte van [kind A] overweegt het hof als volgt. [kind A] is met ingang van 16 februari 2010 uit huis geplaatst. Blijkens geldende jurisprudentie wordt de behoefte van een uit huis geplaatste minderjarige begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt. Van de verzorgende ouder mag worden gevergd dat deze alle gemaakte kosten aannemelijk maakt. Tot die kosten behoren ook de ouderbijdragen als bedoeld in artikel 72 van de Wet op de jeugdzorg. Wel dient op die kosten in mindering te worden gebracht de door de verzorgende ouder voor de minderjarige te ontvangen kinderbijslag.

4.3 Eventuele wijziging in de behoefte van een minderjarige komt voort uit de omstandigheid dat deze uit huis is geplaatst en niet uit de (echt)scheiding van diens ouders. Zodoende treft de primaire grief van de vrouw, inhoudende dat door te bepalen dat de behoefte van een minderjarige wordt begrensd door de kosten die de verzorgende ouder daadwerkelijk maakt voorbij gegaan wordt aan het doel van de tremanormen dat een minderjarige (financieel) niet slechter af mag zijn na en door de (echt)scheiding van diens ouders, geen doel.

4.4. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat haar reële kosten voor [kind A] sinds haar uithuisplaatsing zijn toegenomen. Daartoe wordt overwogen dat de vrouw - evenals de man - gemiddelde omgangskosten van € 200,- per maand heeft. Van de overige door de vrouw opgevoerde kosten, die bestaan uit onder meer kosten voor kleding, persoonlijke verzorging, verzekeringen, zakgeld, telefoonkosten, huisdieren, abonnementen tijdschriften en amusement, welke door haar worden begroot op € 348,- per maand vanaf 16 februari 2010 en € 426,- per maand vanaf september 2010, wordt een bedrag van € 106,- door de man niet betwist. Daarnaast betaalt zij de onder 2.5 vermelde ouderbijdrage. Rekening is gehouden met de op het totaalbedrag in mindering te brengen kinderbijslag. De omstandigheid dat de vrouw (schoon)familie heeft wonen in [b] en eventueel familiebezoek kan combineren met een bezoek van [kind A] doet naar het oordeel van het hof niets af aan de hoogte van haar omgangskosten met betrekking tot [kind A], zodat de stelling van de man dat de reiskosten van de vrouw slechts ten dele als omgangskosten dienen te gelden faalt. Overigens verblijft [kind A] - blijkens mededeling van de vrouw ter zitting in hoger beroep met uitzondering van time-outplaatsingen in [b] - thans in [a]. Niet is door partijen aangevoerd of, en zo ja, welk effect het verblijf van [kind A] in [a] op de frequentie van hun omgang en hun omgangskosten heeft, zodat dit verder buiten beschouwing blijft. Gezien het voorgaande kan bespreking van de overige door de vrouw opgevoerde en door de man betwiste kosten achterwege blijven. De stelling van de man dat hij geen bijdrage voor [kind A] hoeft te betalen, omdat hij reeds vrijwillig tal van zaken voor haar betaalt, faalt, nu zijn keuze daartoe zijn wettelijke onderhoudsplicht jegens [kind A] onverlet laat. Ten aanzien van de stelling van de man dat de vrouw draagkracht heeft de (resterende) kosten voor [kind A] zelf te voldoen en dat uitgegaan dient te worden van haar gezinsinkomen overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek is de echtgenoot van de vrouw onderhoudsplichtig jegens [kind A], aangezien zij - gelet op haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw - tot zijn gezin behoort, ook nu zij uit huis is geplaatst. De man heeft echter nagelaten inzicht te verschaffen in zijn eigen financiële situatie, zodat een beoordeling op dit punt door het hof niet mogelijk is en heeft ook verder geen omstandigheden gesteld op grond waarvan de onderhoudsverplichting van de stiefvader voor zou dienen te gaan, zodat zijn stelling derhalve bij gebrek aan feitelijke onderbouwing dient te worden gepasseerd.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de man tot nihilstelling van de door hem te betalen bijdrage voor [kind A] alsnog afwijzen.

in incidenteel hoger beroep

4.5. Gelet op de beslissing in principaal hoger beroep behoeft de door de man in incidenteel hoger beroep verzochte wijziging van de ingangsdatum van de nihilstelling geen verdere bespreking. Dit verzoek wordt afgewezen.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de man de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind A] op nihil te stellen alsnog af;

in incidenteel hoger beroep

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.S.G. Verhoeff, M. Wigleven en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.