Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3935

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
02-08-2011
Zaaknummer
21-002407-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY0094, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BY0094
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord en verboden wapenbezit.

Beroep op noodweer en/of noodweereces verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002407-10

Uitspraak d.d.: 2 augustus 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 2 juli 2010 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

1. Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juli 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorarrest doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren is gebracht.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

4. De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 05 augustus 2009 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere van die kogels in het lichaam en/of hoofd werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 5 augustus 2009 te Nieuwegein en/of een of meer (andere) plaatsen in Nederland (telkens), een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Steyr, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5. Inleidende overweging over de feiten

5.1 meldingen op alarmnummer 112

Op 5 augustus 2009 kwamen er omstreeks 15.08 uur via het alarmnummer 112 meerdere meldingen binnen bij de Unit Teleservice van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) te Driebergen, dat er geschoten was op de Zandveldseweg te Nieuwegein nabij de kruising met de Jachtmonde ter hoogte van het winkelcentrum Hoog Zandveld. De medewerkers van deze unit horen kort de melding aan en verbinden dan vervolgens door naar de regionale meldkamer van de politie Utrecht.

Eén van de meldingen die bij de KLPD binnenkwam, had de volgende inhoud:

T = Teleservice KLPD

M = Melder

T: Alarmcentrale 112, wie wilt u spreken?

M: Ja, ja, goedemiddag u spreekt met [verdachte]. Uhh i...

T: In welke plaats bent u meneer?

M: Nieuwegein.

T: In Nieuwegein.

M. Ja, er is een man met een geluidsdemper en die reed langs me fiets... uhhh langs me huis..

T: Ja

M: En die ging uuhh die probeerde mij om te brengen.

T: lk verbind u nu heel snel door naar de politie. Bent u ook gewond?

M: Nee, nee. lk heb hem omgebracht net uhh mevrouw. Hij ligt dood in de auto nu. Hij heeft een pistool, machinepistool met geluidsdemper uhhh heeft ie uuhh naast hem liggen.

T: lk ga u doorverbinden. Blijf aan de lijn.

M: Ja.

Na te zijn doorverbonden gaat de melding als volgt verder:

G = Gemeenschappelijke Meldkamer Utrecht (GMU)

M = Melder

G: 112 Alarmlijn politie, met [naam verbalisante].

M: Ja, goedemiddag. U spreekt met [verdachte].

G: Goedemiddag.

M: Er reed in Nieuwegein een man langs mijn huis. Op een fiets, vermomd. En uh, hij had een wapen bij zich.

G: Ja.

M: Ik ben hem achterna gereden en hij is uh, later kwam ik hem tegen, hebt ie de fiets heeft ie uh, op een auto zitten en hij uuuh, maakte aanstalten op me te schieten, dus ik ben hem even voor geweest. Hij is dood, helaas.

G: Pardon?

M: Het kenteken... Hij is overleden, ik heb hem doodgeschoten.

G: U heeft hem doodgeschoten, zegt u?

M: Ja mevrouw, ik sta uh, ja hij is dood.

G: Waar bent u nu?

M: Ik sta in Nieuwegein bij de stoplichten bij uuuh, op de Zandveldweg.

G: Zandveldweg?

M: Ja, en de bestuurder van die auto is [kenteken]

G: Sorry, [deel kenteken] en dan? [deel kenteken]?

M: [deel kenteken] hij is dood, hij leg in de auto.

G: Ok, u staat in Nieuwegein. Op de, welke straat zegt u? M: Ik sta op de Zand... uh, ...seweg.

G: Zandveldseweg?

M: Ja.

G: Ter hoogte waarvan, meneer?

M: Bij uh, uuh, C1000. Ik sta bij de stoplichten, mevrouw. Hè? Zandveldseweg.

G: Zandveldseweg zegt u?

M: Ja.

G: Ter hoogte waarvan, meneer? Ter hoogte waarvan staat u? M: Ja, ik heb hem doodgeschoten. Hij is een huurmoordenaar.

G: Wie staat er bij u?

G: Meneer, wie staat er nu bij u?

M: Ja, mensen, mevrouw. Ik ben zelf ook een beetje van streek, sorry.

G: Dat geeft niet. Wie staat er bij u, zegt u?

M: Mensen.

G: Nog geen politie?

M: Er is ook politie mevrouw.

G: Er is ook politie?

M: Ja.

5.2 Relaas verbalisanten

De verbalisant [verbalisant 1] die kort na het gebeuren ter plaatste kwam, zag een man staan die met zijn mobiele telefoon aan het bellen was. Nadat de verbalisant zich als politiemedewerker bekend gemaakt had aan deze man, hoorde hij de man zeggen:

"Ik geef mij over, want ik heb hem doodgeschoten, mijn wapen ligt nog in de auto. Ik heb hem doodgeschoten omdat hij een huurmoordenaar is die mij wilde doodschieten, maar ik was hem voor."

De man, verdachte, is daarop door de inmiddels ter plaatse gekomen politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] aangehouden. In de auto van verdachte, een zwarte Volvo, trof de politie een pistool van het merk 'Steyr' 9x19mm aan.

Diverse getuigen hebben verklaard dat zij hebben gezien dat op 5 augustus 2009 ter plaatse op de Zandveldseweg bij de kruising met de Jachtmonde ter hoogte van het winkelcentrum Hoog Zandveld bij de verkeerslichten twee auto's achter elkaar stonden. De voorste auto was een rode auto met daarop aan de achterzijde een fiets. Achter die auto stond een zwarte auto. In de bordeauxrode auto, merk Renault Clio, werd het slachtoffer [slachtoffer] liggend aangetroffen met diverse schotwonden. Op de vloer voor de passagiersstoel lag een pistool van het merk 'Walther P22' met geluiddemper. De slede van dit pistool stond in de open stand. Een huls zat geblokkeerd in de kamer van het pistool.

Tijdens de overbrenging naar het arrestantencomplex hoorden verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte verklaren dat hij een man langs zijn huis zag fietsen en dat deze man een vuurwapen met geluiddemper in zijn hand had.

5.3 Verklaring verdachte

Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting van het hof bekend dat hij op 5 augustus 2009 voor de verkeerslichten aan de Zandveldseweg bij de kruising met de Jachtmonde te Nieuwegein meermalen met een vuurwapen van het merk Steyr, kaliber 9 mm, kogels van korte afstand en gericht heeft afgevuurd op en in de richting van de bestuurder van de Renault Clio, [slachtoffer]. Verdachte heeft eveneens bekend dat het in de achterste auto aangetroffen vuurwapen aan hem toebehoorde en dat dit het wapen was waarmee hij op [slachtoffer] heeft geschoten.

Over hetgeen er op de bewuste dag bij de schietpartij en voorafgaand aan de schietpartij op de Zandveldseweg is gebeurd, heeft verdachte meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft daarbij onder meer het navolgende verklaard.

Verdachte zou op 5 augustus 2009 zijn ex-vrouw [naam 1] en zijn dochter [naam 2] na terugkeer van vakantie in Spanje, ophalen in Utrecht. Op het moment dat hij met zijn auto vanuit Nieuwegein daarheen op weg ging, zag hij een man op een fiets in de buurt van zijn woning aan de [naam straat]. De man had een geruitachtig petje en een zonnebril op, hij had een baardje of sik, melkwitte benen, een beetje naar binnen gebogen. Verdachte bleef op hem letten. Verdachte keek naar de fietser en toen deze knikte, besefte verdachte dat dit [slachtoffer] (naar het hof begrijpt: [slachtoffer]) was. Hij wist het eigenlijk wel zeker, maar verdachte heeft een 'makke' dat hij alles meerdere keren wil controleren. Op een gegeven moment raakte hij [slachtoffer] kwijt. Verdachte heeft toen [naam 1] en [naam bekende] gebeld en gezegd dat [slachtoffer] vermomd op een fiets in de buurt reed. Op een gegeven moment kwam hem een bordeauxrode auto van het merk Renault Clio tegemoet rijden en verdachte zag in die auto dezelfde vermomde persoon zitten als eerder op de fiets. Voorts zag hij dat op de achterkant van die auto een fiets was bevestigd. Verdachte is achter die auto aan gaan rijden om het kenteken op te nemen. Verdachte schreef al rijdend achter de Renault Clio het kenteken op zijn hand. Op een gegeven moment stopte de Renault Clio in een park op een parkeerplaats. Verdachte is ook gestopt en liep met een pen in zijn hand op de Renault Clio toe. De Renault Clio trok hierop spinnend op en verdachte reed weer achter de Renault Clio aan. Gekomen bij het winkelcentrum (het hof begrijpt het winkelcentrum Hoog Zandveld nabij de kruising van de Zandveldseweg met de Jachtmonde) stopte [slachtoffer] met de Renault Clio in de nabijheid van een verkeerslicht.

Verdachte heeft hierop zijn wapen gepakt uit het trekholster dat naast hem op de passagiersstoel lag. Hierdoor werd het wapen doorgeladen. Verdachte is schuin achter de auto van [slachtoffer] gaan staan en heeft hem hierop twee keer toegeroepen: "[slachtoffer] kom uit de auto met je handen op het dak'. [slachtoffer] bleef, aldus verdachte, rustig voor zich uitkijken en zei: 'Wat is er nou?'. Verdachte zag vervolgens een buis vanuit het raam aan de bestuurderszijde komen en naar zijn zeggen hoorde hij de slede, het geluid 'pssss' van het terugkomen van de druk en de 'kling' van een huls die uit de slede werd geworpen. Verdachte heeft hierop gereageerd door met zijn wapen waanzinnig snel, eerst op de sponning van de bordeauxrode auto gericht, te schieten en vervolgens is hij schietend op de auto ingelopen. Verdachte dacht dat het wapen geladen was met 14 patronen. Verdachte is vervolgens om de auto heengelopen, keek via de passagierszijde in de auto van het slachtoffer, en is vervolgens naar zijn eigen auto gelopen. Hij heeft zijn wapen vervolgens in zijn auto gelegd en 112 gebeld.

Verdachte heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] een gevaarlijke crimineel was die hem al jaren naar het leven stond en dat dit de reden was waarom hij altijd een pistool bij zich droeg. Volgens verdachte waren er in de afgelopen jaren meerdere incidenten geweest die hij in verband bracht met [slachtoffer]. Verdachtes auto zou door [slachtoffer] in brand gestoken zijn en nog maar twee weken vóór 5 augustus 2009 trof verdachte voor de deur van zijn woning spullen aan waarvan hij het vermoeden had dat het om explosieven ging. Verdachte heeft hiervan nooit melding gemaakt bij de politie. De politie zou toch niets doen. In de periode vóór en op 5 augustus 2009 zou [slachtoffer] zich volgens verdachte doelbewust in de omgeving van de woning van verdachte hebben opgehouden. [slachtoffer] had een fiets in Nieuwegein neergezet om verdachte in de gaten te houden. Op 5 augustus 2009 wilde verdachte volgens zijn verklaring [slachtoffer] aanhouden om hem over te dragen aan de politie. [slachtoffer] moest dan aan de politie maar eens vertellen wat hij bij het huis van verdachte deed. De politie zou dan vervolgens na onderzoek van de auto en de woning van het slachtoffer op de hoogte komen van de criminele intenties van [slachtoffer].

Verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep verklaard ervan overtuigd te zijn dat [slachtoffer] het die dag op hem gemunt had: 'Het was hij of ik'.

Bij gelegenheid van zijn eerste verhoor heeft verdachte verklaard dat hij wist dat [slachtoffer] hem dood wilde schieten. Dat was hij al langer van plan. Op de Zandveldseweg (zo begrijpt het hof) zag verdachte dat de man in de rode auto met een pistool in zijn richting wees. Dat pistool was voorzien van een demper. Verdachte is uit zijn auto gestapt en heeft tijdens het uitstappen zijn pistool uit het buideltasje gepakt. "In dit buideltasje zit ook altijd een pistool omdat ik weet dat eens de dag komt dat hij mij gaat pakken. Die dag was vandaag...". Verdachte is vervolgens met zijn pistool in zijn hand op de man afgelopen en bij de man aangekomen heeft hij op hem geschoten.

Verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep teruggekomen op zijn verklaringen bij de politie dat hij de man op de fiets al direct herkend had als [slachtoffer] en dat hij toen al gezien had dat deze een vuurwapen met geluiddemper in zijn hand had. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard bij de man op de fiets geen wapen te hebben gezien en dat hij er niet eerder zeker van was dat de man op de fiets [slachtoffer] was dan pas op het moment waarop hij met zijn Volvo achter de Renault Clio rijdend, komend vanaf de Henri Dunantlaan, bij de splitsing met de Zandveldseweg rechtsaf sloeg en op de Zandveldseweg in de richting van het winkelcentrum schuin achter de Renault Clio rijdend de bestuurder van de Renault Clio met 100% zekerheid herkende als [slachtoffer]. Verdachte zag toen dat de bestuurder van de Renault Clio geen pet en bril meer droeg, waardoor verdachte hem herkende als [slachtoffer].

Het hof hecht echter meer geloof aan de door verdachte kort na het incident afgelegde verklaringen en uitlatingen in het telefoongesprek met 112 omdat het er vanuit gaat dat zijn herinneringen destijds scherper waren dan ter terechtzitting in hoger beroep, bijna twee jaren later.

5.4 Verklaringen getuigen

Diverse getuigen hebben verklaringen afgelegd over hetgeen zij op 5 augustus 2009 ter plaatse op de Zandveldseweg in Nieuwegein hebben gezien en gehoord. Zij zagen dat uit de daar ter hoogte van de verkeerslichten bij de kruising van de Zandveldseweg met de Jachtmonde stilstaande zwarte auto een man stapte met iets in zijn handen. De man liep in de richting van de vóór zijn auto stilstaande rode auto. Hij richtte vervolgens een vuurwapen op die auto en riep "[slachtoffer], kom uit die auto met je handen op het dak". Daarna hoorden zij schoten en zagen zij dat de man al inlopend op de man in de rode auto meerdere schoten afvuurde. Vervolgens liep de schutter naar de andere zijde van de rode auto en vuurde daar nogmaals een aantal schoten af. Daarna liep de schutter naar zijn eigen auto en pakte hij zijn mobiele telefoon. Kort daarna kwam de politie die de schutter aanhield.

5.5 Sectie

Bij sectie op 6 augustus 2009 zijn er aan het lichaam van [slachtoffer] acht huidperforaties geconstateerd met het aspect van een schotverwonding en twee letsels met het aspect van een schampschot. Twee schoten betreffen doorschotwonden. Eén van deze doorschotwonden betreft een schot door het hoofd. Voorts werden twee schotkanalen in de linkerarm waargenomen, alsmede drie schotkanalen in de linkerflank en de borstkas van het bovenlichaam. De letsels hebben geleid tot veel inwendige letsels met perforaties van onder andere de lichaamsslagader en de halsslagaders.

De patholoog-anatoom heeft geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer] zonder meer kan worden verklaard door bloedverlies en de opgelopen orgaanschade tengevolge van de schotwonden.

6. Overweging met betrekking tot het bewijs

6.1 Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde moord. Tevens acht de advocaat-generaal wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de ten laste gelegde moord c.q. doodslag heeft de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien verdachte in noodweer dan wel in noodweerexces heeft gehandeld aangezien - kort en zakelijk weergegeven- er sprake was een constante acute levensbedreiging door het slachtoffer in de richting van verdachte.

Met betrekking tot het voorhanden hebben van het vuurwapen is geen verweer gevoerd door de verdediging. Verdachte heeft het hem tenlastegelegde voorhanden hebben van het vuurwapen ter terechtzitting in hoger beroep bekend.

6.3 Het oordeel van het hof

Alhoewel het betoog van de verdediging zich met name richt op het handelen van verdachte in noodweer dan wel noodweerexces begrijpt het hof uit het betoog van de verdachte en zijn raadsman dat wordt betwist dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdediging en verdachte hebben -kort weergegeven- betoogd dat bij verdachte niet vóór het schieten de intentie bestond om [slachtoffer] te doden. Immers was het slachtoffer uitgestapt in plaats van te schieten, dan had verdachte geen gebruik van zijn wapen behoeven te maken.

Voor voorbedachte raad is voldoende dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis/gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de verklaring van verdachte zoals hiervoor onder 5.3 weergegeven, blijkt dat verdachte reeds op het moment dat hij het slachtoffer in de buurt van zijn woning aan de [naam straat] op de fiets zag, hem herkend had als [slachtoffer]. Verdachte had toen al gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Bij verdachte bestond de vrees dat [slachtoffer] hem of anderen van het leven wilde beroven. Desondanks heeft verdachte nadat hij [slachtoffer] rijdend in een Renault Clio in de buurt van zijn woning weer in het vizier kreeg, besloten om [slachtoffer] te volgen c.q. te achtervolgen. Het hof kent in dit verband ook belang toe aan het feit dat vaststaat dat verdachte en [slachtoffer] op enig punt in de door hen afgelegde route via de Roerdomplaan, de Geinbrug en het Parkhout tot aan de latere plaats delict op de Zandveldseweg, zijn gestopt. Dit was hetzij bij het Parkhout. hetzij bij de bushalte op de Henri Dunantlaan ter hoogte van de Zonnebloemstraat. Verdachte is vervolgens uitgestapt en is met iets in zijn handen in de richting van de Renault Clio gelopen. Verdachte heeft verklaard dat hij een pen in zijn handen had om het kenteken te noteren. Deze verklaring is in tegenspraak met een eerdere verklaring van verdachte dat hij al rijdend achter de Renault Clio het kenteken op zijn hand schreef. In dit kader is ook van belang de verklaring van getuige [getuige 1] die zag dat een man uit een donkere auto stapte en iets uit de auto pakte en dat met twee handen vasthield. Getuige zag dat die man het voorwerp voor zich hield en daarmee in de richting van de rode auto vóór hem liep. Toen verdachte aan de achterzijde van deze auto aankwam, reed deze auto met spinnende banden weg. Verdachte is vervolgens wederom achter de rode auto aangereden. Dit ging met een hogere snelheid dan ter plaatse is toegelaten en daarbij werd een rood stoplicht op de kruising van de Henri Dunantlaan met de Zandveldseweg genegeerd. Ook werd via de andere weghelft een stilstaande auto ingehaald. Het hof gaat uit van de juistheid en betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige 1], nu die verklaring op onderdelen steun vindt in de verklaring van verdachte en in de verklaring van getuige [getuige 2] wiens waarnemingen chronologisch aansluiten op de observaties van getuige [getuige 1].

Door te handelen zoals hij heeft gehandeld heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat een confrontatie met [slachtoffer] zou kunnen uitlopen op een schietpartij, ook in aanmerking genomen dat verdachte wist dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had, het op verdachte gemunt had en volgens verdachte bovendien "fokkinglevensgevaarlijk" en "ziek en knetter" was. Verdachte heeft gedurende de achtervolging meermalen de gelegenheid gehad om de politie op de hoogte te brengen van hetgeen hij vermoedde dat het slachtoffer van plan was. Dit heeft hij echter niet gedaan maar hij heeft er voor gekozen om op het moment dat het slachtoffer met zijn auto bij de verkeerslichten bij de kruising van de Zandveldseweg met de Jachtmonde ter hoogte van het winkelcentrum stilstond, met een doorgeladen pistool gericht op de auto van [slachtoffer], op het slachtoffer af te gaan, waarna de fatale schietpartij is gevolgd. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] 'slechts' had willen aanhouden en hem vervolgens had willen overdragen aan de politie, acht het hof niet geloofwaardig nu daarvoor in het dossier geen enkele ondersteuning is te vinden. Integendeel, verdachte heeft verklaard dat hij bij eerdere incidenten in het verleden de politie niet gewaarschuwd heeft, terwijl hij ook nog op 5 augustus 2009 vóór de fatale schietpartij meerdere momenten heeft gehad om de politie te waarschuwen. Daarnaast heeft verdachte in zijn eerste telefonische uitlatingen, in zijn uitlatingen tegenover de politieambtenaren die ter plaatse waren gekomen, noch in zijn eerste verhoor op 5 augustus 2009 gerept over zijn bedoeling om het slachtoffer aan te houden en over te dragen aan de politie.

De omschreven handelingen van verdachte vormen als het ware een aaneenschakeling van keuzemomenten. Dat deze momenten relatief kort zijn geweest doet aan de bewustheid van die keuzes, gelet op voornoemde jurisprudentie, niet af. Verdachte heeft meermalen de gelegenheid gehad zich te beraden op het te nemen en of door hem genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de eventuele gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof tot het oordeel dat verdachte het slachtoffer niet in een gemoedsopwelling van het leven heeft beroofd, maar dit plan al had vanaf het moment dat hij het slachtoffer in de buurt van zijn woning aan de [naam straat] op de fiets had waargenomen met een vuurwapen in de hand en in ieder geval vanaf het moment dat hij het slachtoffer aansprak op de Zandveldseweg ter hoogte van de kruising met de Jachtmonde. In verdachtes eigen woorden: 'Het was hij of ik'.

Verdachte heeft ruimschoots de tijd gehad om zich te beraden over andere manieren om het slachtoffer te stoppen in de uitvoering van de door verdachte vermeende plannen van het slachtoffer. Desondanks is verdachte doorgegaan met zijn handelingen en heeft hij uiteindelijk veertienmaal - gericht en met dodelijke afloop - op het slachtoffer geschoten.

Een en ander brengt mee dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

7. Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen zoals die later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 05 augustus 2009 te Nieuwegein, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, te weten [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere van die kogels in het lichaam en/of hoofd werd getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 5 augustus 2009 te Nieuwegein en/of een of meer (andere) plaatsen in Nederland (telkens), een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Steyr, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

8.1 Noodweer

8.1.1. Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsman een beroep gedaan op noodweer. Het zou [slachtoffer] zijn geweest, die bij de verkeerslichten op de Zandveldseweg bij de kruising met de Jachtmonde als eerste geschoten heeft.

8.1.2. het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aan de hand van drie scenario's te weten:

1. [slachtoffer] heeft tijdens de achtervolging reeds geschoten;

2. [slachtoffer] heeft vanuit de stilstaande auto geschoten voordat verdachte schoot;

3. [slachtoffer] heeft geschoten nadat verdachte als eerste heeft geschoten,

gemotiveerd bestreden dat verdachte heeft gehandeld in noodweer.

8.1.3 Het oordeel van het hof

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] bij de verkeerslichten op de Zandveldseweg bij de kruising met de Jachtmonde als eerste geschoten heeft. De door de verdediging geschetste gang van zaken is door geen der ter plaatse aanwezige getuigen bevestigd. Evenmin is uit technisch onderzoek hiervoor steun te vinden. Bovendien past de hierboven onder 6.3 weergegeven gang van zaken niet bij dit scenario, waarin verdachte de jager en [slachtoffer] de prooi is geweest. Evenmin is aannemelijk geworden een onmiddellijke dreiging van dit scenario.

Van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte was dan ook geen sprake. Zo er al iemand het slachtoffer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, dan was dat [slachtoffer] en niet verdachte.

Het hof verwerpt het verweer.

Er is ook overigens geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit, zodat dit feit strafbaar is.

8.2 Bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

moord.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

9. Strafbaarheid van de verdachte

9.1 Noodweerexces

Het feit dat naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest van een noodweersituatie staat een beroep op noodweerexces in de weg. Daarom verwerpt het hof het verweer.

9.2 Rapport psychiater/psychoanalyticus [naam psychiater]

Namens verdachte is een rapport van psychiater/psychoanalyticus [naam psychiater] van 15 juli 2011 overgelegd waarin deze de vraag beantwoordt of verdachte ten tijde van het schietincident in een dermate geestelijke gesteldheid verkeerde, alsook nadien, dat hem het gebruik van diens vuurwapen niet valt toe te rekenen in die zin dat hij iets anders had kunnen doen dan terugschieten.

Als antwoord op deze vraag geeft [naam psychiater] aan dat op grond van de ervaringen van verdachte de conclusie moet zijn dat verdachte het gebruik van diens vuurwapen niet valt aan te rekenen. [naam psychiater] motiveert dit antwoord als volgt. De waarneming van de uitwendige en inwendige (gemoedstoestand) realiteit door een in levensgevaar verkerende persoon is verstoord. Een dergelijke heftige gebeurtenis geeft een acute shock waarvan de derealisatie, de depersonalisatie en het verstoorde tijdsbesef getuigen. Door een dergelijke shock vallen de egofuncties tijdelijk uit zoals waarnemen, logisch nadenken, emotioneel verwerken. Men valt terug op een primaire reflex afhankelijk van de mogelijkheden van vechten, vluchten of 'bevriezen'. Verdachte werd in deze situatie gebracht door de angst die het slachtoffer door diens kennelijk voornemen verdachte te willen vermoorden, opwekte. Die angst werd naar de indruk van [naam psychiater] door de naïef aandoende wijze, namelijk het willen aanhouden van het latere slachtoffer, op een contrafobische wijze bestreden, waarbij deze coping faalde door het schieten van de ander.

Het hof hecht niet de waarde aan het rapport die de raadsman blijkbaar aan dit rapport gehecht wil zien. Het onderzoek is slechts beperkt tot de emotie van verdachte tijdens het schietincident en ontbeert een uitgebreide persoonlijkheidsanalyse van verdachte ten tijde van het gebeuren. Het rapport laat zich in de conclusie uit in algemene bewoordingen over de mogelijke gevolgen die kunnen ontstaan bij een acute shock als gevolg van een heftige gebeurtenis. Onderzoeker acht het voorspelbaar dat dit ook op verdachte van toepassing is. [naam psychiater] laat zich hierbij leiden door de lezing van verdachte dat het slachtoffer als eerste schoot, welke lezing echter niet aannemelijk is geworden.

Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afstand heeft genomen van het rapport. Hij heeft aangegeven eigenlijk niet mee te hebben willen werken aan de totstandkoming van het rapport en verklaarde dat er niets met hem aan de hand is en dat hij 'niet kierewiet is of zo'. Hij stelde slechts een inschattingsfout te hebben gemaakt.

Het rapport doet aan hetgeen hierboven onder 9.1 is overwogen niet af.

Voor zover het rapport de vraag aan de orde stelt of de tenlastegelegde feiten de verdachte kunnen worden "aangerekend", merkt het hof op, dat door verdachte en/of diens raadsman geen beroep op ontoerekeningsvatbaarheid is gedaan.

Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

10. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren.

De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 2 juli 2010 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd zoals hiervoor is weergegeven.

Ernst van het bewezenverklaarde en de (mogelijke) gevolgen ervan

Verdachte heeft [slachtoffer] koelbloedig vermoord en daarmee onherstelbaar leed toegebracht aan diens nabestaanden.

Deze moord heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkelcentrum. Met zijn optreden heeft verdachte, zoals naar voren is gekomen uit de verklaringen van de diverse getuigen, de rechtsorde zeer ernstig geschokt.

Een onder deze omstandigheden gepleegde moord draagt er tevens toe bij dat reeds bestaande gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving worden versterkt.

Daarnaast was verdachte in het bezit van een wapen, hetgeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich kan brengen, zoals in casu ook is gebleken.

De persoon van de verdachte

Wat betreft de persoon van de verdachte blijkt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie dat verdachte meermalen wegens (ernstige) misdrijven tot gevangenisstraffen is veroordeeld, waaronder ter zake van een poging tot doodslag en herhaalde overtreding van de Wet wapens en munitie.

Anders dan de rechtbank, vindt het hof geen aanleiding om de straf te matigen wegens de door de verdachte beweerde "geestelijke druk" op verdachte die van [slachtoffer] zou zijn uitgegaan. Van enig strafbaar handelen van [slachtoffer] jegens verdachte is, mede gelet op diens documentatie, niet gebleken.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de door de officier van justitie in eerste aanleg gevorderde straf van vijftien jaren in overeenstemming met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte en dus passend en geboden. Bovendien past deze straf, anders dan de door de advocaat-generaal gevorderde, binnen het straftoemetingsbeleid voor vergelijkbare zaken.

11. Beslag

Het hof zal de voorwerpen genoemd onder de nummers 6 ,7 en 8 op de aan dit vonnis als bijlage gehechte beslaglijst onttrokken verklaren aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Het hof zal de teruggave gelasten aan verdachte van de voorwerpen genoemd op voornoemde lijst onder de nummers 1, 3, 4 en 5.

Het hof zal de teruggave gelasten aan de rechthebbenden van de voorwerpen genoemd op voornoemde lijst onder de nummers 2a, 2b, 2c, 2d, 2, 10,14 t/m 22, 22A t/m 22B, 24 t/m 27, 29 t/m 33, 35, 36, 39, 44 t/m 58, 59A t/m 59D en 64 t/m 68.

Het hof zal de bewaring ingevolge artikel 353, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering gelasten van de voorwerpen genoemd op de voornoemde lijst onder de nummers 9, 11, 12, 13, 23, 28, 34, 37, 38, 40 t/m 43, 59 en 60 t/m 63.

12. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.649,49. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep in haar geheel toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof wijst voorts de wettelijke rente toe vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 4.013,00 met ingang van 5 augustus 2009, zijnde de dag waarop aan de Renault Clio schade is toegebracht en met betrekking tot de begrafeniskosten vanaf 30 november 2009, zijnde de dag waarop het bedrag van € 636,49 uiterlijk door de benadeelde partij aan de gemeente Nieuwegein diende te worden betaald.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de voorwerpen genoemd onder de nummers 6, 7 en 8 op de aan dit vonnis als bijlage gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan rechthebbenden van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- aan verdachte van de voorwerpen genoemd op voornoemde lijst onder de nummers 1, 3, 4 en 5.

- aan de rechthebbenden van de voorwerpen genoemd op voornoemde lijst onder de nummers 2a, 2b, 2c, 2d, 2, 10, 14 t/m 22, 22A, 22B, 24 t/m 27, 29 t/m 33, 35, 36, 39, 44 t/m 58, 59A t/m 59D en 64 t/m 68.

Gelast de bewaring van de voorwerpen genoemd op voornoemde lijst onder de nummers

9, 11, 12, 13, 23, 28, 34, 37, 38, 40 t/m 43, 59 en 60 t/m 63.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.649,49 (vierduizend zeshonderdnegenenveertig euro en negenenveertig cent) aan materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, wat betreft het bedrag van € 4.013,00 berekend vanaf 5 augustus 2009 en wat betreft het bedrag van € 636,49 berekend vanaf 30 november 2009, tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van EUR 4.649,49 (vierduizend zeshonderdnegenenveertig euro en negenenveertig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 (zesenvijftig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente wat betreft het bedrag van € 4.013,00 berekend vanaf 5 augustus 2009 en wat betreft het bedrag van € 636,49 berekend vanaf 30 november 2009, tot aan de dag der algehele voldoening met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr B.W.M. Hendriks, voorzitter,

mr H. Abbink en mr H.G.W. Stikkelbroeck, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 2 augustus 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.