Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3369

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
200.077.323-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW4896, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW4896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep komt appellante op tegen de afwijzing van de kantonrechter om een beschikking te herroepen. Gelet op het rechtsmiddelenverbod voert zij aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten om de criteria van artikel 382 sub a en sub c Rv op een juiste manier toe te passen en daarmee de desbetreffende artikelen ten onrechte (gedeeltelijk) buiten toepassing heeft gelaten. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter inhoudelijk getoetst aan de door appellante aangevoerde gronden voor herroeping. Voorzover de kantonrechter bij de toepassing van de regeling de criteria onjuist heeft toegepast, kan dit er niet toe leiden dat het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

[ APPELLANTE ],

wonende te [ B ],

APPELLANTE,

advocaat: mr. R.K. van der Brugge, te Den Haag,

t e g e n

de stichting

STICHTING JOODSE OMROEP,

gevestigd te Hilversum,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. A. Keizer, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [ Appellante ] en de Joodse Omroep genoemd.

[ Appellante ] is bij beroepschrift met bijlagen, dat op 15 november 2010 ter griffie van het hof is ingekomen, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Hilversum, onder kenmerk EA 10-145 op 17 augustus 2010 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde afwijzende beschikking zal vernietigen en, opnieuw recht doende zal beslissen dat de zaak, waarin op 24 april 2008 tussen partijen beschikking is gegeven, in zijn geheel zal worden heropend en de zaak daartoe zal verwijzen naar de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, een en ander met veroordeling van de Joodse Omroep in de kosten van beide instanties.

Op 8 februari 2011 is ter griffie van het hof een brief met een akte van de zijde van de Joodse Omroep ingekomen.

Bij fax van 21 februari 2011 heeft de Joodse Omroep nog een productie aan het hof doen toekomen.

Op 22 februari 2011 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden, die – zoals het hof tevoren aan partijen had meegedeeld - vooralsnog was beperkt tot de ontvankelijkheid en de vraag of het rechtsmiddelenverbod zou kunnen worden doorbroken. Bij die gelegenheid heeft namens [ Appellante ] mr. Van der Brugge voornoemd het woord gevoerd. Namens de Joodse Omroep heeft mr. A.C. Dekker, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd. Beide advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat uitspraak zal volgen.

2. De beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd en voor zover thans van belang, om het volgende.

2.2. (i) [ Appellante ] is op 1 september 2000 in dienst getreden bij de Joodse Omroep.

(ii) Laatstelijk is [ Appellante ] voor onbepaalde tijd werkzaam geweest in de functie van directeur/programmaleider.

(iii) Op 26 februari 2008 heeft Joodse Omroep een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [ Appellante ].

(iv) Bij beschikking van 24 april 2008 heeft de kantonrechter te Amsterdam, locatie Hilversum, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 15 mei 2008, onder toekenning aan [ Appellante ] van een vergoeding van € 83.536,36 bruto ten laste van de Joodse Omroep.

2.3. Bij verzoekschrift van 28 april 2010 heeft [ Appellante ] de kantonrechter verzocht de beschikking van 24 april 2008 te herroepen. Als grond voor dat verzoek heeft [ Appellante ] aangevoerd dat (de gemachtigde van) de Joodse Omroep tijdens de behandeling van het ontbindingsverzoek bedrog heeft gepleegd, alsmede dat door de Joodse Omroep stukken van beslissende aard zijn achtergehouden die [ Appellante ] later in handen heeft gekregen.

2.4. Bij de bestreden beschikking van 17 augustus 2010 heeft de kantonrechter – voor zover nog van belang - het verzoek afgewezen.

2.5. Voorop staat dat, gelet op het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv, een beslissing inzake de heropening van het geding niet vatbaar is voor hoger beroep. Het hof verwerpt het betoog van [ Appellante ] dat dit appelverbod slechts geldt voor de beslissing waarbij het geding heropend wordt. Het bepaalde in artikel 388 lid 2 Rv ziet zowel op de beslissing het geding te heropenen alsook op de afwijzing daarvan.

2.6. Gelet op de door de Hoge Raad gehanteerde doorbrekingleer kan een rechtsmiddelenverbod in sommige gevallen worden doorbroken. Dit geldt indien de rechter in eerste aanleg de betreffende regeling ten onrechte heeft toegepast of buiten toepassing heeft gelaten, dan wel indien zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken

2.7. [ Appellante ] kan evenwel in haar beroep worden ontvangen nu zij een doorbrekinggrond heeft gesteld.

2.8. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [ Appellante ] naar voren gebracht dat haar eerste grief bedoelt uiteen te zetten dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten om de criteria van artikel 382 sub a en sub c Rv op een juiste manier toe te passen. Daarmee zou de kantonrechter het herroepingverzoek hebben getoetst aan te beperkte criteria en de desbetreffende artikelen ten onrechte (gedeeltelijk) buiten toepassing hebben gelaten.

2.9. Het hof oordeelt als volgt.

Uit het bepaalde in artikel 382 sub a en sub c Rv volgt dat een beslissing kan worden herroepen indien de beslissing berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd en indien na het vonnis, verzoeker stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. De kantonrechter heeft in de bestreden beslissing – kort gezegd – overwogen dat niet is gebleken dat de Joodse Omroep bij de behandeling van het verzoek tot ontbinding opzettelijk valse of onjuiste mededelingen heeft gedaan. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat de stukken waar [ Appellante ] zich op heeft beroepen geen nieuwe gegevens van beslissende aard bevatten en dat niet is gebleken dat de desbetreffende stukken door de Joodse Omroep zijn achtergehouden.

2.10. Aldus blijkt dat de kantonrechter, naar het oordeel van het hof en evenals [ Appellante ] zelf stelt, inhoudelijk heeft getoetst aan de door [ Appellante ] aangevoerde gronden voor herroeping. Voorzover de kantonrechter bij de toepassing van de regeling de criteria onjuist heeft toegepast, kan dit er niet toe leiden dat het rechtsmiddelenverbod moet worden doorbroken. Onjuiste toepassing van een regeling is immers geen grond voor doorbreking.

2.11. Het overige deel van grief I en de grieven II, II en IV zien op de inhoudelijke behandeling van de zaak en lenen zich niet als argument voor de doorbreking van het appelverbod.

2.12. De Joodse Omroep heeft in haar verweer nog aangevoerd dat de aard van de beslissing in de herroepingprocedure zich verzet tegen de mogelijkheid van een hogere voorziening. Het hof overweegt dat nu hetgeen [ Appellante ] heeft aangevoerd niet heeft kunnen leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, in het midden kan blijven of een hogere voorziening in een herroepingprocedure mogelijk is.

2.13. Gelet op het voorgaande zal het hoger beroep worden verworpen en [ Appellante ] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het beroep.

2.14. Het hof ziet geen reden om de Joodse Omroep een volledige vergoeding van de kosten van het proces toe te kennen zoals zij het hof ter zitting heeft verzocht.

3. De beslissing

Het hof:

verwerpt het beroep;

verwijst [ Appellante ] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Joodse Omroep gevallen en tot op heden begroot op € 1.788,- aan salaris;

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C. Toorman, W.J. Noordhuizen en E.M. Polak en uitgesproken in het openbaar door de rolraadsheer op 14 juni 2011.