Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3116

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
200.082.791 OK en 200.088.544 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

uitspraak Ondernemingskamer d.d. 26 juli 2011 OR/PostNL B.V. (voorheen TNT Post B.V.)

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2011/136
JONDR 2011/215
ROR 2011/21
JAR 2011/238
JOR 2011/291
AR-Updates.nl 2011-0619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.082.791/01 OK van:

de ONDERNEMINGSRAAD van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRODUCTIE POSTNL B.V. (voorheen de ondernemingsraad van Productie TNT Post B.V.),

gevestigd te Den Haag,

VERZOEKER,

advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid POSTNL B.V. (voorheen Productie TNT Post B.V.),

gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. R.A.A. Duk, kantoorhoudende te Den Haag,

en in de zaak met nummer 200.088.544/01 OK van:

de ONDERNEMINGSRAAD van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRODUCTIE POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

VERZOEKER,

advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. R.A.A. Duk, kantoorhoudende te Den Haag.

Het verloop van het geding

1.1 Partijen zullen hierna onderscheidenlijk de ondernemingsraad en Post of de ondernemer genoemd worden.

In de zaak met rekestnummer 200.082.791/01 OK

1.2 De ondernemingsraad heeft bij op 24 februari 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1. te bepalen dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot onderdeel 3.6 van het besluit van 2 februari 2011;

2. de ondernemer op te dragen dit besluit in te trekken voor zover het onderdeel 3.6 betreft en alle gevolgen van dat onderdeel van het besluit ongedaan te maken.

1.3 Post heeft bij op 14 maart 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van de ondernemingsraad af te wijzen.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 24 maart 2011, alwaar de advocaten de standpunten van partijen nader hebben toegelicht, beide aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. Mr. Sprengers heeft een tevoren aan de Ondernemingskamer en aan Post toegezonden productie overgelegd. De Ondernemingskamer heeft het daartegen door mr. Duk gemaakte bezwaar gegrond bevonden en beslist dat op de productie geen acht zal worden geslagen. Aan het slot van de behandeling hebben partijen verklaard met elkaar te zullen overleggen en te bezien of zij zouden verzoeken de zaak aan te houden met het oog op een mogelijke tweede zaak (dat is de zaak met nummer 200.088.544/01 OK geworden, OK) dan wel beschikking zouden vragen.

1.5 Bij op 28 april 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief heeft mr. Sprengers, mede namens mr. Duk, de Ondernemingskamer verzocht om de beslissing in deze zaak aan te houden in afwachting van de behandeling van voormelde tweede zaak.

In de zaak met rekestnummer 200.088.544/01 OK

1.6 De ondernemingsraad heeft bij op 8 juni 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1. te bepalen dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit van 26 mei 2011 inzake het invoeren van het Marktgericht Bedrijfsmodel heeft kunnen komen;

2. de ondernemer te verplichten dit besluit in zijn geheel in te trekken en alle gevolgen van dat besluit ongedaan te maken.

1.7 Post heeft bij op 20 juni 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties aan de Ondernemingskamer verzocht het verzoek af te wijzen.

1.8 Post heeft bij op 28 juni 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen brief haar standpunt nader toegelicht.

In beide zaken

1.9 Ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 30 juni 2011 is de behandeling van de zaak met rekestnummer 200.082.791/01 OK voortgezet en is het in 1.6 vermelde verzoek behandeld. De advocaten hebben in beide zaken de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen nader toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitaantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de andere partij gezonden nadere producties. Partijen hebben desgevraagd bevestigd dat de stellingen en producties in de ene zaak geacht moeten worden ook in de andere zaak te zijn ingenomen en respectievelijk overgelegd.

2. De feiten

2.1 Tot voor kort maakte TNT Post B.V. deel uit van het TNT-concern (hierna TNT te noemen). Nadat het in 1.2 vermelde verzoek was ingediend heeft juridische splitsing van TNT N.V., de moedermaatschappij van Post, plaatsgevonden en is de naam van TNT Post B.V. gewijzigd in PostNL B.V.

2.2 Post ondervindt de gevolgen van twee ontwikkelingen op de postmarkt. Door de liberalisering van de postmarkt wordt zij geconfronteerd met concurrentie en door digitalisering van de samenleving is sprake van afnemend postaanbod. Die ontwikkelingen zijn aanleiding voor reorganisaties die gericht zijn op een efficiëntere organisatie en een lagere kostprijs en die sinds circa 2003 doorgevoerd worden.

2.3 De bedoelde reorganisaties zijn onderwerp geweest van vele adviesaanvragen aan de ondernemingsraad, waaronder de twee hierna te vermelden adviesaanvragen die zijn voorafgegaan aan de bestreden besluiten van 2 februari 2011 onderscheidenlijk 26 mei 2011.

2.4 Over de personele gevolgen van de reorganisatieplannen van Post is in de afgelopen jaren herhaaldelijk overlegd met de vakorganisaties. Dat heeft onder meer geresulteerd in een “Sociaal Plan TNT 2010 tot 2013” en in een "Principe-akkoord beperken gedwongen ontslag" van 16 december 2010 (hierna het principeakkoord te noemen), dat afspraken inhoudt over het terugdringen van het aantal gedwongen ontslagen.

2.5 De keten van werkzaamheden van Post valt onder te verdelen in: collectie (het verzamelen en ophalen van de post), sorteren, voorbereiden en bezorgen. Post bood in 2010 werk aan circa 19.900 fte productiemedewerkers die zich met (een of meer van) deze werkzaamheden bezighielden.

2.6 Een van de hiervoor bedoelde efficiëntiebevorderende en kostprijsdrukkende maatregelen is de introductie – in 2003 - van de functie van postbezorger. In tegenstelling tot postbodes, die alle of verscheidene van de hiervoor vermelde werkzaamheden tot hun takenpakket rekenen, houden postbezorgers zich alleen bezig met het bezorgen van post. Postbezorgers werken op basis van arbeidsovereenkomsten van maximaal 25 uur per week en vallen onder een andere cao dan postbodes. Aangezien de loonkosten per uur van postbezorgers lager zijn dan die van postbodes, is het voor Post goedkoper om post te laten bezorgen door een postbezorger dan door een postbode. Sedert 2003 heeft vervanging van postbodes door postbezorgers plaatsgevonden op basis van natuurlijk verloop onder de postbodes. Sindsdien zijn meer dan 6000 medewerkers uitgestroomd.

2.7 Op 22 november 2010 is het rapport "Onderzoek Psychosociale Arbeidsbelasting TNT" van ArboNed (hierna het ArboNed-rapport te noemen) verschenen.

2.8 Op 7 juli 2010 heeft Post aan de ondernemingsraad advies gevraagd over haar voorgenomen besluit tot invoering van het Marktgericht Bedrijfsmodel (hierna de adviesaanvraag MB). De adviesaanvraag had betrekking op een toekomstige organisatie en werkwijze, waarin het uitgangspunt van een gelijkwaardige postbezorging op elke dag wordt verlaten en waarbij de postbodefunctie wordt opgeheven. In de adviesaanvraag wordt verwezen naar een aantal masterplan projecten, waaraan uitgangspunten van de adviesaanvraag zijn ontleend of waarin onderdelen zijn weergegeven, onderzocht of uitgewerkt. In de adviesaanvraag is vermeld dat het voorgenomen besluit betrekking heeft op een bedrijfsmodel dat zich kenmerkt "door concentratie van activiteiten, het creëren van meer netwerkflexibiliteit door een betere mix van zelf doen en uitbesteden en op termijn door verdere mechanisering en automatisering van de processen" en dat implementatie inhoudt van:

1. het piek/dal bezorgmodel;

2. het centraliseren van de voorbereiding van de bezorging op zes centrale voorbereidingslocaties (hierna ook CVL te noemen);

3. een logistieke grondvorm, waarbij - naast de zes centrale voorbereidingslocaties - ongeveer 30 low budget overslagpunten, zogenaamde hubs, in het leven worden geroepen.

De adviesaanvraag MB houdt verder onder meer in (zie voor de SMX(L) hierna in 2.27):

"Het reduceren van het huidige aantal voorbereidingslocaties, heeft een aantal voordelen:

• Er worden kostenbesparingen gerealiseerd doordat de huisvestingskosten dalen. Er zijn minder vierkante meters nodig omdat de voorbereiding niet langer gelijktijdig plaatsvindt op een aantal verschillende locaties maar hoofdzakelijk volgordelijk op 1 locatie.

• Door de voorbereiding te concentreren ontstaan schaalvoordelen binnen de voorbereiding. Er zijn minder logistieke bewegingen nodig waardoor tijd bespaard wordt.

• Minder locaties betekent een reductie van de complexiteit en inefficiëncy. (…)

• Met de centralisatie van de voorbereiding wordt een essentiële stap gezet ter voorbereiding op de introductie van SMX(L). In deze fase wordt de volledige infrastructuur zo ingericht dat het logistiek gezien mogelijk wordt om de SMX(L) te introduceren. (…)".

De adviesaanvraag MB houdt voorts in:

"De functie van postbode (…) komt hiermee dus te vervallen. (…) In het nieuwe bedrijfsmodel wordt er vanuit gegaan dat de bezorging alleen wordt gedaan door postbezorgers. De functies van postbode en postbezorger zijn niet uitwisselbaar. Voor de fulltime postbode betekent dit dat er geen werkpakket meer beschikbaar is in het nieuwe bedrijfsmodel. (…) het aantal postbezorgers blijft groeien. (…) De functie postbezorger blijft een deeltijdfunctie. (…) De werkpakketten in het nieuwe bedrijfsmodel zijn allemaal deeltijd werkpakketten met een contractomvang van minder dan 25 uur. (…)".

In de adviesaanvraag wordt gewag gemaakt van het vervallen van circa 4950 fte aan "voltijd werkpakketten en deeltijd werkpakketten met een contractomvang groter dan 25 uur".

2.9 Naar verwachting van Post zullen de reorganisaties vanaf 2011 gepaard gaan met ongeveer 2800 gedwongen ontslagen.

2.10 Op 7 juli 2010 heeft Post voorts aan de ondernemingsraad advies gevraagd over een voorgenomen besluit tot het oprichten van een autobedrijf, de zogenoemde Auto Unit (hierna de adviesaanvraag AU te noemen). Met het besluit wordt beoogd, kort gezegd, de werkzaamheden die met auto's worden verricht professioneel en eenduidig aan te sturen teneinde het serviceniveau te verbeteren en de kosten te verlagen. Naar verwachting zullen 1.000 fte in het nieuwe autobedrijf worden bezet door werknemers die al in dienst zijn van Post.

2.11 Op 16 december 2010 is het in 2.4 vermelde principeakkoord gesloten.

2.12 Bij brief van 12 januari 2011 is de adviesaanvraag AU aangevuld met informatie over arbeidsvoorwaarden.

2.13 De adviesaanvraag MB is gevolgd door een adviestraject, waarin Post een aantal van de door de ondernemingsraad gestelde vragen heeft beantwoord en door de ondernemingsraad gevraagde informatie in elk geval gedeeltelijk heeft verstrekt. Het nodige overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden en de ondernemingsraad werd hierin bijgestaan door deskundigen van bureau Berenschot (hierna Berenschot te noemen).

2.14 In het overlegproces zijn - door Post - onafhankelijke adviseurs, onder wie Ecorys, ingeschakeld.

2.15 Op 19 januari 2011 is een alternatief plan van de ondernemingsraad besproken voor het voorgenomen besluit tot het invoeren van een marktgericht bedrijfsmodel (hierna het voorgenomen besluit MB te noemen).

2.16 In verband met het principeakkoord en het ArboNed-rapport hebben Post en de ondernemingsraad afgesproken dat de adviesaanvraag MB zal worden aangepast. De aangepaste adviesaanvraag MB is op 2 februari 2011 door Post bij de ondernemingsraad ingediend.

2.17 Op 2 februari 2011 heeft Post ook de adviesaanvraag AU aangevuld. Deze aanvulling was het resultaat van overleg tussen Post en de ondernemingsraad en behelst afspraken over de wijze waarop werknemers van Post zullen worden geplaatst in de nieuwe organisatie.

2.18 Op 2 februari 2011, na overleg tussen Post en de ondernemingsraad over een conceptversie van het advies en een conceptversie van het besluit, heeft de ondernemingsraad zijn advies uitgebracht naar aanleiding van de adviesaanvraag AU (hierna het advies AU te noemen).

2.19 Het advies AU houdt onder meer in:

"De Ondernemingsraad (…) heeft met name over de oprichting van de Auto Unit zorgen, als het gaat om werkpakketten te creëren voor medewerkers met grote contracten (…)"

en

"De [ondernemingsraad] realiseert zich dat er bij het implementeren van de Auto Unit medewerkers in de latende organisatie overcompleet verklaard kunnen worden, waarbij op dat moment het sociaal plan van toepassing is. (…) de [ondernemingsraad] [stelt] als voorwaarde dat (…)

• geen instroom van nieuwe medewerkers, waaronder postbezorgers, meer aan de orde is;

• geen contracten bepaalde tijd meer worden verlengd;

(…) de ondernemingsraad [heeft] ook begrip voor een maatregel als hier aan de orde: overheveling van werk naar de Autounit. Echter als dit ertoe gaat leiden dat in de achterblijvende organisatie herverdeling van het overblijvende werk plaatsvindt op een dusdanige wijze dat werknemers (postbodes) met vaak lange dienstverbanden gedwongen ontslagen worden omdat het werk anders wordt georganiseerd, door (parttime) postbezorgersfuncties (…) te maken, is dit voor de [ondernemingsraad] niet aanvaardbaar. Hetzelfde geldt voor het verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten enerzijds en tegelijkertijd het gedwongen gaan ontslaan van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd anderzijds. (…) Het ontslaan van een werknemer met een hoger loon terwijl het werk er wel nog is en wordt aangeboden als (parttime) baan aan een aan te trekken werknemer met een lager loon, is voor de [ondernemingsraad] niet aanvaardbaar. Van een redelijke werkgever mag worden verwacht dat hij kiest voor een dusdanige fasering dat deze veranderingen in de organisatie met zo min mogelijk gedwongen ontslagen (…) plaats (…) vinden. (…) Over het einddoel verschilt de [ondernemingsraad] niet (veel van) mening met u. Het gaat met name om de aan te houden fasering om negatieve personele gevolgen te voorkomen, waar onze opvattingen lijken te verschillen. De [ondernemingsraad] adviseert u uitdrukkelijk voor bovenomschreven aanpak te kiezen (…). Deze voorwaarde is voor de [ondernemingsraad] zo essentieel, dat mocht u hieraan niet tegemoet komen, u dit advies als negatief kunt beschouwen”.

2.20 Op 2 februari 2011 heeft de ondernemer het besluit Auto Unit (hierna het besluit AU te noemen) genomen. In paragraaf 3.6 van het besluit is vermeld:

"Uw advies om niet over te gaan tot gedwongen ontslag zolang er instroom van postbezorgers plaats vindt neem ik niet over. (…) de functie van postbezorger [is] zowel qua werkinhoud als qua arbeidsvoorwaarden een andere, en daarmee niet uitwisselbaar met de functie van postbode. (…) De functie van postbode kent nu alleen nog de taken voorbereiden en bezorgen. Hiervan komt, in verband met het centraliseren van de voorbereiding, het voorbereiden te vervallen. Wat overblijft, is het takenpakket van postbezorger, zoals gedefinieerd in de CAO van de postbezorgers. De functie van postbode komt hiermee dus te vervallen. (…) De functies van postbode en postbezorger zijn niet uitwisselbaar. Voor de fulltime postbode betekent dit dat er geen werkpakket meer beschikbaar is in het nieuwe bedrijfsmodel. (…) Ook voor de deeltijd postbode geldt dat deze functie niet uitwisselbaar is met de functie van postbezorger. (…) er [is] geen sprake van substitutie van duurdere arbeidskrachten door goedkopere, maar (…) van organisatorische wijzigingen, waardoor de functie van postbode zal verdwijnen. Ten aanzien van de redelijkheid en fasering wijs ik u er op dat wij reeds sinds 2003 bezig zijn met de introductie van de postbezorger. (…) Dat rendement niet het enige criterium vormt voor [Post], mag blijken uit het feit dat wij (…) 1700 arbeidsplaatsen garanderen tot ultimo 2013 hetgeen uiteraard extra kosten met zich meebrengt. (…) Uw suggestie om de personele problematiek zo klein mogelijk te houden door het creëren van combinaties van functies over de grenzen van ketens heen, stuiten op operationele problemen binnen de Auto Unit. Binnen de Auto Unit is namelijk in de aard van haar werkzaamheden een zekere basisflexibiliteit noodzakelijk die onverantwoord beperkt zou worden door een eventuele combinatie van werkzaamheden binnen andere ketenonderdelen. (…)”.

2.21 In de overlegvergadering van 17 februari 2011 is de (aangepaste) adviesaanvraag MB besproken.

2.22 In overeenstemming met de gebruikelijke werkwijze heeft de ondernemingsraad in reactie op de adviesaanvraag MB een conceptadvies uitgebracht, op 22 april 2011, en heeft Post, 0p 9 mei 2011, een conceptbesluit genomen (hierna het conceptadvies MB onderscheidenlijk het conceptbesluit MB te noemen).

2.23 Tijdens een overlegvergadering op 11 mei 2011 heeft Post mondeling aanvullende financiële informatie verstrekt, die vervolgens bij brief van 17 mei 2011 ook schriftelijk aan de ondernemingsraad ter beschikking is gesteld.

2.24 Op 25 mei 2011 heeft de ondernemingsraad zijn advies naar aanleiding van de adviesaanvraag MB uitgebracht (hierna het advies MB te noemen). Dit houdt onder meer in:

"In uw adviesaanvraag wordt geen indicatie gegeven omtrent:

*De voorgestelde migratie en het implementatiedraaiboek detailniveau;

*De gevolgen voor medewerkers per locatie;

*De inrichting van CVL, hub of depot;

*De functiebeschrijving en waardering van nieuw te creëren functies;

*De implementatie/uitrol van nieuwe hulpmiddelen zoals Georoute.

De [ondernemingsraad] is daardoor nog niet in staat om over de wijze en fasering van de implementatie een advies uit te brengen. In het licht van deze situatie, beschouwt de [ondernemingsraad] dit advies dan ook als een advies op de hoofdrichting van het voornemen tot invoering van een Marktgericht Bedrijfsmodel.”

en

“Uit de adviesaanvraag (…) blijkt niet dat u een fall back-scenario voorhanden heeft (…). Indien de invoering niet haalbaar zou blijken (…) zullen de benodigde besparingen niet op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. (…) De [ondernemingsraad] adviseert u daarom (…): Richt ca. 150 Bestaande Voorbereidingslocaties opnieuw in."

2.25 Op 26 mei 2011 is het besluit Invoering Marktgericht Bedrijfsmodel (hierna het besluit MB te noemen) genomen.

2.26 Een notitie van Berenschot, gedateerd 6 juni 2011 en opgesteld op verzoek van de ondernemingsraad, houdt onder meer het volgende in:

" (...) de [ondernemingsraad heeft] een uiteindelijk alternatief ontwikkeld (…). We volstaan hier met de constatering dat het alternatief van de [ondernemingsraad], vergeleken met het door de bestuurder voorgestelde [marktgericht bedrijfsmodel], een lagere operationele besparing opleverde die, bij een overgangsperiode van 3 jaar, gecompenseerd werd door eveneens lagere sociaal plan kosten. (…) Op basis van de nieuwste cijfers (…) blijkt het alternatief van de [ondernemingsraad] echter negatief uit te vallen (…). (…) te verwachten [is] dat het alternatief van de [ondernemingsraad] bij invoering op deze basis tot een lagere besparing van € 80 a 120 miljoen over een periode van 5 jaar (2013 tot 2018) leidt (per jaar € 16 a 24 miljoen, inschatting Berenschot). (...)".

2.27 Post streeft introductie na in 2016 van een nog te ontwikkelen sorteermachine, de SMX(L), die sorteren met de hand overbodig maakt. In de adviesaanvraag MB is in dit verband opgemerkt: "De Voorbereiding zal logistiek gezien worden geoptimaliseerd door het opzetten van een nieuwe duurzame logistieke infrastructuur. Het aantal voorbereidingslocaties wordt gereduceerd naar zes (…) CVL’en (…). Naast de CVL’en worden hubs en depots ingericht. Deze infrastructuur is tevens de logistieke opmaat voor de introductie van de SMX(L) (…)".

3. De gronden van de beslissing

3.1 De ondernemingsraad heeft aan zijn in 1.2 vermelde verzoek ten grondslag gelegd dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het in 3.6 verwoorde onderdeel van het besluit AU heeft kunnen komen.

3.2 De ondernemingsraad heeft aan zijn in 1.6 vermelde verzoek ten grondslag gelegd dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit MB heeft kunnen komen. De ondernemingsraad heeft bezwaren in verband met de personele gevolgen, bezwaren van organisatorische aard, bezwaren met betrekking tot de motivering van de adviesaanvraag en bezwaren met betrekking tot de fasering van de besluitvorming naar voren gebracht.

3.3 Partijen hebben desgevraagd beide meegedeeld dat naar hun opvatting de verzoeken zozeer met elkaar samenhangen, dat gezamenlijke behandeling en beoordeling aangewezen is. De Ondernemingskamer deelt deze opvatting en zal hierna de verzoeken gezamenlijk bespreken en beoordelen.

3.4 De ondernemingsraad en de ondernemer zijn het er over eens dat ontwikkelingen in de postmarkt, te weten slinkende volumes en toenemende concurrentie, en de dienaangaande prognoses nopen tot ingrijpen in het bedrijfsmodel van Post. De noodzaak om een piek/dal bezorgmodel in te voeren onderschrijft de ondernemingsraad. Tegen de komst en de vormgeving van het nieuw te creëren autobedrijf heeft de ondernemingsraad geen bezwaar. Ook accepteert de ondernemingsraad dat de te treffen maatregelen gepaard zullen gaan met gedwongen ontslagen.

3.5 De bezwaren van de ondernemingsraad tegen de bestreden besluiten komen er naar de kern genomen op neer, dat postbodes gedwongen zullen worden ontslagen, terwijl het werk dat zij thans uitvoeren wel voorhanden blijft maar zo zal worden georganiseerd dat de goedkopere postbezorgers het kunnen uitvoeren. De ondernemingsraad heeft zich op het standpunt gesteld dat zoveel mogelijk passende werkpakketten (waarin zo nodig verschillende werkzaamheden gecombineerd worden tot voltijds functies) dienen te worden gecreëerd, gebaseerd op de huidige contractomvang van medewerkers, en dat postbezorgers pas mogen instromen als werkzaamheden van uitstromende werknemers zijn aangeboden aan overcomplete medewerkers die zulke werkzaamheden tot hun taak rekenen. Post dient de reorganisaties zodanig te faseren dat zo min mogelijk gedwongen ontslagen plaatsvinden, zelfs indien die fasering leidt tot een lager rendement gedurende een bepaalde periode, aldus de ondernemingsraad.

3.6 Volgens de ondernemer kunnen de beoogde bezuinigingen, gelet op de marktontwikkelingen, niet worden uitgesteld. “Het is”, aldus Post ter terechtzitting, "twee voor twaalf". Verder leiden het piek/dal bezorgmodel en de daarop toegesneden logistieke grondvorm tot een sterk deeltijdkarakter van het uitvoerende werk bij Post. Werkpakketten waarvan voor meer dan 25 uur per week bezorging deel uitmaakt, zijn in verband met de regelgeving ten aanzien van arbeidsomstandigheden uitgesloten. Het is organisatorisch niet mogelijk om zogenaamde combinatiefuncties (functies waarin verschillende werkzaamheden gecombineerd zijn) te creëren. De deeltijdpakketten zijn doorgaans niet samen te voegen in de tijd of er zijn belemmeringen van geografische aard. Het aantrekken van postbezorgers sluit het ontslaan van postbodes niet uit, omdat geen sprake is van uitwisselbare functies, aldus nog steeds Post.

3.7 De Ondernemingskamer overweegt het volgende. Uit de stellingen van partijen rijst een beeld op van een onderneming die sinds 2003 bezig is de bedrijfsvoering aan te passen aan de voor haar verslechterende marktomstandigheden, waarbij in goed overleg met de ondernemingsraad en de vakorganisaties is gestreefd naar het zoveel mogelijk door natuurlijk verloop en gestimuleerd vertrek opvangen van personele gevolgen. De postvolumes verminderen echter telkens sneller dan was geprognosticeerd. Die ontwikkeling lijkt nog niet tot stilstand gekomen. Partijen zijn het er dan ook over eens dat de toekomst van de onderneming veiliggesteld dient te worden door een aanzienlijke kostenverlaging.

3.8 De opmerking van de ondernemingsraad dat de bestreden besluiten een trendbreuk vormen ten opzichte van het hiervoor vermelde streven om zonder gedwongen ontslagen reorganisaties door te voeren kan, wat er ook van zij, geen steun bieden aan zijn verzoeken, reeds omdat tussen partijen in confesso is dat in de huidige situatie gedwongen ontslagen niet kunnen worden vermeden.

3.9 Volgens Post kan de benodigde kostenverlaging slechts bereikt worden met het marktgericht bedrijfsmodel. De ondernemingsraad heeft weliswaar gesteld dat het uitgangspunt van het nieuwe organisatiemodel - slechts - is dat de dure postbodefunctie moet verdwijnen, maar in het licht van de hiervoor geschetste marktontwikkelingen heeft de ondernemingsraad onvoldoende toegelicht dat met minder besparende maatregelen de toekomst van de onderneming (op dezelfde wijze als met het besluit MB) kan worden veiliggesteld.

3.10 De ondernemingsraad heeft gesteld dat aannemelijk is dat de overname van postbedrijf Select Mail door postbedrijf Sandd de tarieven in de postmarkt zal doen stijgen, hetgeen Post heeft bestreden. Dat die overname tot gevolg heeft dat Post met substantieel geringere bezuinigingen kan volstaan dan is voorzien in de bestreden besluiten, heeft de ondernemingsraad echter niet van enige geconcretiseerde toelichting voorzien.

3.11 Ook voor de het overige zijn in deze procedure onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen om te concluderen dat Post de volgens haar benodigde omvang van de bezuinigingen niet tot uitgangspunt van haar besluitvorming heeft kunnen nemen. Dat Post een hoger rendement op de internationale postmarkt behaalt dan andere ondernemingen, maakt dit niet anders.

3.12 Gelet op het voorgaande kan het door de ondernemingsraad aangedragen alternatieve plan niet leiden tot het oordeel dat de ondernemer in redelijkheid niet tot het genomen besluit heeft kunnen komen. Immers, het plan zou volgens Berenschot, uitgaande van de nieuwste cijfers, jaarlijks tot een € 16 tot € 24 miljoen lagere besparing leiden. Ook de stelling dat kosten van het sociaal plan uitgespaard worden als postbodes in dienst worden gehouden heeft in het licht van de vorige overwegingen geen succes.

3.13 Aan het voorgaande kan niet afdoen het evident zwaarwegende belang dat de huidige medewerkers met postbodefuncties (en contracten voor meer dan 25 uur per week) hebben bij het creëren van combinatiefuncties. Er is geen reden om te oordelen dat Post bij de afweging van de in het geding zijnde belangen aan dat belang onvoldoende gewicht heeft toegekend of dat zij het belang van die medewerkers onvoldoende heeft verdisconteerd in het sociaal plan en in het met de vakbonden gesloten principeakkoord. Bovendien heeft Post toegezegd dat in elk individueel geval een beoordeling zal plaatsvinden of en in hoeverre een combinatie van functies is aan te bieden, alvorens ontslag te overwegen.

3.14 Ook de omstandigheid dat bij de splitsing van TNT aan de aandeelhouders van Post een dividenduitkering van ten minste € 150 miljoen is toegezegd maakt het voorgaande niet anders.

3.15 De ondernemingsraad heeft met zowel financiële argumenten als met organisatorische argumenten bepleit om, in plaats van zes centrale voorbereidingslocaties te creëren, het huidige aantal voorbereidingslocaties te beperken tot circa 150. In 150 voorbereidingslocaties kunnen veel meer combinatiefuncties/voltijdsfuncties worden gecreëerd dan in zes centrale voorbereidingslocaties.

3.16 De ondernemingsraad heeft daartoe betoogd dat onzeker is geworden of de nieuwe sorteermachine er komt en dat de kosten van het creëren van zes centrale voorbereidingslocaties, die zijn bedoeld als tijdelijke overbrugging tot de SMX(L) functioneert, kunnen worden vermeden. De ondernemingsraad heeft de komst van de SMX(L) een essentieel onderdeel van het (voorgenomen) besluit MB genoemd, maar heeft ter terechtzitting ook meegedeeld dat zijn instemming met het uiteindelijk beoogde bedrijfsmodel niet van de introductie van de sorteermachine afhangt. Post heeft uiteengezet dat weliswaar niet vaststaat dat de SMX(L) in 2016 kan worden geïntroduceerd - mogelijk wordt het later, van afstel is thans evenwel geen sprake - maar dat met de voorgenomen centralisatie op zes voorbereidingslocaties, onafhankelijk van de introductie van de sorteermachine, al een structurele kostenverlaging wordt behaald. Post heeft verwezen naar de in 2.8 aangehaalde in de adviesaanvraag MB opgesomde voordelen van de centralisering op zes locaties. Anders dan de ondernemingsraad lijkt te menen, aldus Post, worden met het langer instandhouden van meer voorbereidingslocaties voorts geen reorganisatiekosten vermeden, maar uitgesteld.

3.17 Het door de ondernemingsraad bepleite uitstel van de scheiding van sorteerwerk en bezorgwerk tot de komst van de SMX(L), waardoor meer combinatiefuncties langer kunnen worden gehandhaafd, stuit volgens Post niet alleen op financiële, maar ook op organisatorische bezwaren: het is eenvoudiger en uit het oogpunt van bedrijfsvoering minder risicovol om "de operatie centralisering te scheiden van de operatie automatisering" dan om die operaties gezamenlijk uitvoeren.

3.18 De ondernemingsraad heeft nog gewezen op het belang van combinatiefuncties voor de kwaliteit en het behoud van kennis van het werkproces, maar, tegenover de stelling van de ondernemer dat de relevante expertise in voldoende mate in de organisatie beschikbaar blijft, heeft de ondernemingsraad onvoldoende toegelicht aan welke kennis en ervaring het in het nieuwe bedrijfsmodel zal ontbreken.

3.19 Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat het voornemen om zes centrale voorbereidingslocaties in te richten – met de daaraan verbonden consequenties voor de mogelijkheden om combinatiefuncties te creëren – niet leidt tot het oordeel dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen.

3.20 Dat wordt niet anders indien de conclusies van het ArboNed-rapport, waarin het belang van werkvariatie is benadrukt, in de beschouwing worden betrokken.

3.21 De ondernemingsraad heeft geklaagd over een gebrek aan toetsing van de voorgestelde aanpassingen van de productieprocessen. Weliswaar zijn tests gedaan, is hij van de testresultaten op de hoogte gesteld en zijn die resultaten onderwerp van overleg geweest, maar het onderzoek was niet voldoende. Zo werd bij het testen van het Voicesysteem de norm niet gehaald en is de maximale capaciteit van het zogenaamde drie-bundel-vest nog onduidelijk, aldus de ondernemingsraad, die nadere toetsing in het kader van voorimplementatie heeft bepleit. Hij acht ervaringen uit pilots essentieel om te kunnen adviseren.

3.22 Voorts meent de ondernemingsraad dat wezenlijke onderdelen van het (voorgenomen) besluit MB nog niet zijn uitgewerkt. Onvoldoende inzichtelijk is waar de centrale voorbereidingslocaties komen, hoe ze worden ingericht, hoe het logistiek proces uitgewerkt wordt, hoe groot de hubs worden en hoe zij worden ingericht. Van de bestaande depots die deel gaan uitmaken van het nieuwe netwerk voldeed in april 2011 meer dan de helft niet aan de eisen van de ondernemingsraad. Daarnaast brengt de keuze om de postbezorgers te laten aansturen door teamleiders en geen beheerders voor de depots aan te stellen, risico's mee. Verder vormt de door het nieuwe bedrijfsmodel noodzakelijk geworden werving van meer dan 20.000 postbezorgers in de komende twee jaar een zeer grote uitdaging. Een fall back-scenario ontbreekt bovendien. Gelet op dit een en ander brengt het tempo van invoering van het marktgericht bedrijfsmodel risico’s mee, aldus nog steeds de ondernemingsraad.

3.23 Post stelt tegenover dit alles dat sinds 2003 veel ervaring is opgedaan met de wezenlijke onderdelen van het marktgericht bedrijfsmodel, dat het besluit op sommige punten inderdaad nog uitwerking behoeft, dat evenwel nauwelijks nieuwe en onbeproefde werktechnieken worden ingezet, dat daarom voorimplementatie niet nodig is om het beoogde bedrijfsmodel nogmaals te toetsen, en dat de invoering van het marktgericht bedrijfsmodel voor zover nodig getemporiseerd kan worden indien zich problemen voordoen.

3.24 De Ondernemingskamer roept in herinnering dat de ondernemingsraad het marktgericht bedrijfsmodel ten principale niet ter discussie heeft gesteld. Verder blijkt uit de stellingen van partijen dat het (voorgenomen) besluit MB goed gedocumenteerd is, met onder meer adviezen van onafhankelijke deskundigen en met testresultaten, en onderwerp is geweest van uitvoerig overleg. In het licht van dit een en ander heeft de ondernemingsraad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hem aan informatie heeft ontbroken om te kunnen adviseren. Evenmin heeft de ondernemingsraad aannemelijk gemaakt dat aan de haalbaarheid van de in het besluit MB beschreven plannen zozeer moet worden getwijfeld dat Post het besluit in redelijkheid niet had kunnen nemen.

3.25 Voorzover de ondernemingsraad met de stelling dat wezenlijke onderdelen van het besluit MB nog niet zijn uitgewerkt heeft willen betogen dat hij terecht vreest dat Post bij implementatie van het marktgericht bedrijfsmodel het bepaalde in artikel 25 lid 1 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) niet in acht zal nemen en daarom de aangevallen besluiten (of één daarvan) kennelijk onredelijk is, geldt het volgende. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn daartoe niet zodanige aanwijzingen, dat de ondernemingsraad deze met succes aan zijn verzoek ten grondslag kan leggen. De door Post in het besluit MB uitgesproken verwachting dat "met betrekking tot de verdere implementatie" kan worden volstaan met uitvoeringsbesluiten, is daarvoor onvoldoende, te meer aangezien Post in deze procedure heeft onderschreven dat het bij de nadere besluitvorming telkens van de aard van het voorgenomen besluit afhangt of artikel 25 lid 1 WOR dan wel artikel 25 lid 5 WOR van toepassing is. Ook overigens kan niet worden gezegd, dat de besluiten in dit stadium verder uitgewerkt hadden moeten worden. Dat is niet anders nu de ondernemingsraad het advies MB beschouwt als een “advies op hoofdlijnen”. Het betoog van de ondernemingsraad dat geen sprake is van een afgerond (voorgenomen) besluit MB behoeft daarom ook met het oog op toekomstige adviesaanvragen geen nadere bespreking.

3.26 De klacht dat Post het advies "niet uitbesteden binnen de keten bezorgen, tenzij" onvoldoende gemotiveerd heeft gepasseerd, gaat voorbij aan door Post in het besluit geformuleerde voornemen om "[indien] in de toekomst sprake is van de wens tot het additioneel uitbesteden van activiteiten binnen één of meer van de genoemde onderdelen in het [marktgericht bedrijfsmodel], naast de nu reeds of op grond van het [marktgericht bedrijfsmodel] uit te besteden activiteiten, (…) hier, waar nodig, separaat overleg met [de ondernemingsraad]" te voeren. De klacht baat de ondernemingsraad dan ook niet.

3.27 De ondernemingsraad heeft nog gesteld dat Post de afspraken met de vakorganisaties over het behoud van banen niet heeft willen bekrachtigen op de door de ondernemingsraad verwoorde wijze. Het betoog van Post, dat zij in de overlegvergadering van 17 februari 2011 haar uitleg van het akkoord aan de ondernemingsraad heeft voorgehouden en dat het bedoelde verzoek van de ondernemingsraad een te extensieve interpretatie van dat akkoord behelsde en de kennelijke strekking had het akkoord met de vakorganisaties op te rekken, heeft de ondernemingsraad echter niet weersproken. Van een in dit verband aan het besluit MB klevend motiveringsgebrek ten gevolge waarvan het besluit niet in stand kan blijven is naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook geen sprake.

3.28 De ondernemingsraad heeft ter zijde nog opgemerkt dat de voorgenomen volgorde waarin werknemers overcompleet zullen worden verklaard mogelijk strijdig is met het Ontslagbesluit en de beleidsregels van het UWV werkbedrijf en dat werknemers met een contract van twee tot drie uur die in het nieuwe bedrijfsmodel zullen worden geconfronteerd met verlenging van hun reistijd ook aanspraak zouden moeten krijgen op het sociaal plan. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer zijn deze stellingen voor toewijzing van de in 1.2 en 1.6 vermelde verzoeken onvoldoende geconcretiseerd. In het midden kan verder blijven of het advies MB inhield werknemers met bedoelde contractomvang in het sociaal plan op te nemen.

3.29 Hetgeen de ondernemingsraad overigens ter toelichting van zijn verzoeken naar voren heeft gebracht kan evenmin leiden tot het oordeel dat Post bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen.

3.30 De slotsom is dat de verzoeken zullen worden afgewezen.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

in de zaak met rekestnummer 200.082.791/01 OK

wijst het verzoek van de ondernemingsraad af;

in de zaak met rekestnummer 200.088.544/01 OK

wijst het verzoek van de ondernemingsraad af.

De beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. W.J.J. Los en mr. A.C. Faber, raadsheren, prof. dr. M.A. van Hoepen RA en mr. J.G. Bax, raden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Wees en M.M.T.M. Peters, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 26 juli 2011.