Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2967

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
200.066.905-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Documentair krediet. Verplichtingen van de kredietopenende bank als de begunstigde van een documentair krediet aanspraak maakt op betaling. Bank hoeft in beginsel uitsluitend na te gaan of aan de betalingsvoorwaarden van het krediet is voldaan. Geen verplichting bank om te onderzoeken of de aanspraken van de partij die uit hoofde van het documentair krediet betaling vraagt, in de onderliggende rechtsverhouding gegrond zijn. Feiten waaruit voor de bank duidelijk had moeten zijn dat sprake was van willekeur of bedrog, in welk geval zij (wel) betaling had moeten weigeren, zijn niet voldoende gesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2011/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUNRED B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A.J. Dolk te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk Sunred en ABN AMRO genoemd.

Bij dagvaarding van 10 mei 2010 is Sunred in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 17 februari 2010, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 435150/HAZA 09-2487 gewezen tussen haar als gedaagde in oppositie en ABN AMRO als eiseres in oppositie.

Sunred heeft van grieven gediend, daarbij bescheiden in het geding gebracht en op een enkel punt bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en — uitvoerbaar bij voorraad — de vordering van Sunred zoals in eerste aanleg ingesteld alsnog zal toewijzen, althans het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 17 juni 2009 (waarbij die vordering was toegewezen) alsnog zal bevestigen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

Hierop heeft ABN AMRO geantwoord, daarbij een stuk in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van Sunred in de kosten van het geding in hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

Sunred heeft acht grieven voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.9, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt.

Met de grieven I en II komt Sunred onder andere op tegen enige onder 2.2, 2.3, 2.4, 2.7 en 2.9 vermelde feiten. Het hof zal deze grieven hierna, bij de beoordeling van het hoger beroep, voor zover daarvoor van belang, in zijn overwegingen betrekken.

Voor het overige bestaat over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten geen geschil, zodat in zoverre ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Op 6 september 2007 heeft ABN AMRO in opdracht van Sunred een documentair krediet geopend ten gunste van, na een hiertoe strekkende wijziging, Banco Santander Rio S.A. te Ciudad de San Juan, Argentinië, hierna “Santander”. ABN AMRO heeft zich bij het documentair krediet verbonden aan Santander een hoofdsom te betalen van USD 480.000,- als aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Dit bedrag zou ten laste komen van Sunred. Het documentair krediet hield verband met de financiering van de bouw van een koel¬pakhuis in San Juan, Argentinië, door Sipex S.R.L., een Argentijnse vennootschap, hierna “Sipex”. Sunred, althans haar directeur en enig aandeelhouder [X.], had een deelneming in Sipex en was bij de financiering van het koelpakhuis betrokken. Het krediet was onherroepelijk (“irrevocable”) en kon alleen met instemming van Santander worden ingetrokken.

4.2 ABN AMRO heeft het hierboven bedoelde documentair krediet schriftelijk vastgelegd in een Letter of Credit, waarvan zij Sunred een exemplaar heeft doen toekomen. Gelijk¬tijdig met de (eveneens aan Sunred toegezonden) wijziging waarbij Santander als begunstigde van het krediet is vermeld, op 18 september 2007, is in de Letter of Credit als doel van het krediet opgenomen: “The reason for this credit is [to] guarantee regional credit facilities to Sipex S.R.L.” Het aanvankelijk vermelde doel (“Financing of a coldstore with packingstation in San Juan, Argentina”) is hiermee komen te vervallen. De Letter of Credit bevat, voor zover in dit geding van belang, verder de bepalingen die zijn aangehaald in het vonnis waarvan beroep onder 2.3 en 2.4. Voorts bepaalt zij dat op het documentair krediet van toepassing zijn de ICC Uniform Customs and Practice for Documentary Credits, hierna “de UCP”, zoals van kracht op de datum waarop ABN AMRO zich tot het krediet heeft verbonden.

4.3 Santander heeft een beroep gedaan op de Letter of Credit en ABN AMRO op grond daarvan om betaling van bepaalde bedragen verzocht. Op 8 oktober 2008 heeft Santander aldus aanspraak gemaakt op betaling van een hoofdsom van USD 230.000,- en op 16 oktober 2008 op betaling van een hoofdsom van USD 250.000,-. Zij heeft hierbij bovendien aanspraak gemaakt op kostenvergoedingen van achtereen¬volgens USD 12.326,- en USD 21.390,-. ABN AMRO heeft alle genoemde bedragen aan Santander betaald en deze ten laste van Sunred gebracht. De kostenvergoedingen zijn voldaan op grond van de volgende bepaling in de Letter of Credit: “All payments to be made by ABN AMRO (…) hereunder shall be made free and clear of any costs, duties or levies that may arise as a result of any change in law, decree, rule or regulation of the central bank of Argentina or other fiscal or monetary authority of the republic of Argentina. The sum payable by (…) ABN AMRO (…) shall be increased to the extent necessary to ensure that the beneficiary receive[s] a net sum equal to the sum it would have received had no such costs, duties or levies (…) been imposed.”

4.4 De hierboven weergegeven feiten staan, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist, tussen partijen vast. In het licht van deze feiten stelt Sunred zich op het standpunt, samengevat, dat ABN AMRO niet gehouden was tot betaling van de hierboven bedoelde kostenvergoedingen en zich daarvan juist diende te onthouden, en dat ABN AMRO die vergoedingen zonder rechtsgrond ten laste van Sunred heeft gebracht. Sunred vordert daarom terugbetaling van de betrokken vergoedingen, samen USD 33.716,-, door ABN AMRO, met rente en kosten. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering afgewezen en is het verstekvonnis van 17 juni 2009 waarbij anders was beslist, vernietigd. Tegen deze oordelen en de daartoe leidende overwegingen richt zich het hoger beroep.

4.5 Met de grieven, in onderlinge samenhang, herhaalt Sunred haar hierboven samengevatte standpunt en licht zij dit nader toe, en betoogt zij dat haar vordering gegrond en dus toewijsbaar is. Sunred bestrijdt niet dat ABN AMRO op grond van de Letter of Credit gehouden was de hoofdsom van in totaal USD 480.000,- aan Santander te betalen; op dit bedrag ziet haar vordering niet. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij kunnen niet slagen. Hiertoe is het volgende bepalend.

4.6 De betekenis van de onder 4.3 aangehaalde bepaling is glashelder, zowel naar objectieve maatstaven zoals de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de strekking van die bepaling en van de Letter of Credit in haar geheel, als gelet op de betekenis die Sunred en ABN AMRO bij de totstandkoming van de Letter of Credit over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De bepaling houdt in dat mogelijke kosten die het gevolg waren van “any change in law, decree, rule or regulation of the central bank of Argentina or other fiscal or monetary authority of the republic of Argentina”, niet waren begrepen in de verplichting tot betaling van de hoofdsom waartoe ABN AMRO zich bij de Letter of Credit had verbonden (als aan de kredietvoorwaarden was voldaan), en dat zulke kosten door ABN AMRO naast en in aanvulling op die hoofdsom moesten worden betaald aan de begunstigde van het krediet. De verplichting tot betaling van de in de Letter of Credit vermelde hoofdsom, USD 480.000,-, had dus betrekking op een nettobedrag. Daarnaast kon de begunstigde aanspraak maken op vergoeding van kosten zoals zojuist bedoeld.

4.7 Voor zover Sunred betoogt dat zij tegenover ABN AMRO nooit heeft ingestemd met het opnemen van een bepaling met de hierboven beschreven inhoud in de Letter of Credit, stuit haar betoog af op het feit dat zij voorafgaand aan en in verband met de totstandkoming van het documentair krediet een namens Sunred, door [X.], ondertekend e-mailbericht gedateerd 3 september 2007 aan ABN AMRO heeft gegeven, dat een concept voor een Letter of Credit bevat waarin een bepaling is opgenomen die nagenoeg gelijk is aan de onder 4.3 aangehaalde bepaling. Onder deze omstandigheden mocht ABN AMRO redelijkerwijs aannemen dat laatstbedoelde bepaling de instemming van Sunred had, zodat Sunred geen beroep toekomt op het tegendeel. Voor zover zij betoogt dat ABN AMRO is tekortgeschoten in de voorlichting aan Sunred over die bepaling (en dat de gevolgen ervan daarom voor rekening van ABN AMRO moeten komen), gaat Sunred eraan voorbij dat zij een internationaal opererende handels¬onderneming drijft, die onder andere in Zuid-Amerika zaken doet, en dat het zojuist genoemde e-mailbericht door haarzelf aan ABN AMRO is gegeven. Onder deze omstandigheden mocht ABN AMRO ervan uitgaan dat Sunred de betekenis van de onder 4.3 aangehaalde bepaling kende en het daaruit voor haar voortvloeiende risico voor lief nam, zodat het niet aan ABN AMRO was haar daarover voor te lichten, waarbij in het midden kan blijven of ABN AMRO hiertoe anders wel zou zijn gehouden. Voor zover Sunred betoogt dat zij een onjuiste voorstelling van die bepaling had als gevolg van mededelingen van ABN AMRO, stuit haar betoog niet alleen af op het voorgaande maar ook op de bepaling zelf, waarvan de betekenis zoals gezegd glashelder is.

4.8 Volgens het bepaalde in de Letter of Credit moest ABN AMRO haar daarin neergelegde betalingsverplichting nakomen als de begunstigde van het documentair krediet, Santander, haar een zogeheten swift-bericht zou doen toekomen met de volgende inhoud: “We, Banco Santander Rio S.A., claim payment under your standby letter of credit number NLNL1NL07M328225 and hereby certify that Sipex S.R.L. has failed to comply with their payment obligation of credit facility dated … granted by us to them, which remain unpaid.” Santander heeft op 8 oktober 2008 en op 16 oktober 2008 swift-berichten met een inhoud zoals zojuist weergegeven aan ABN AMRO gestuurd, waarin zij om betaling van de onder 4.3 genoemde bedragen heeft verzocht. Zij heeft hierbij mede aanspraak gemaakt op kostenvergoedingen op grond van de onder 4.3 aangehaalde bepaling, waarnaar zij uitdrukkelijk heeft verwezen (met gedeeltelijke aanhaling daarvan), ten belope van USD 12.326,- en USD 21.390,-. De hier bedoelde swift-berichten beantwoordden aan de in de Letter of Credit opgenomen voorwaarde voor betaling (want stemden overeen met het daarin genoemde bericht), zodat ABN AMRO volgens artikel 15a van de UCP gehouden was tot betaling van de bedragen waarop Santander aanspraak maakte, met inbegrip van de kostenvergoedingen. Op ABN AMRO rustte niet de plicht te onderzoeken of de aanspraken van Santander (in de rechtsverhouding tussen Sunred en Santander) rechtens gegrond waren: volgens artikel 14a van de UCP mocht, en moest, zij volstaan met de vaststelling dat de swift-berichten voldeden aan het bepaalde in de Letter of Credit en dit was het geval. Voor zover Sunred betoogt dat op ABN AMRO in verband met de betalingsverzoeken van Santander een verderstrekkende verplichting heeft gerust en dat ABN AMRO deze niet is nagekomen, stuit haar betoog af op het voorgaande.

4.9 Nu de swift-berichten van Santander in overeenstemming waren met het in de Letter of Credit genoemde bericht, was de voorwaarde voor betaling vervuld en moest ABN AMRO, krachtens haar daartoe strekkende verplichting uit de Letter of Credit, aan Santander betalen. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat een strikte toepassing door ABN AMRO van de in de Letter of Credit opgenomen voorwaarden geboden was. Voor een uitzondering op dit beginsel zou grond hebben bestaan, naar volgt uit de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, als aan de zijde van Santander sprake was geweest van bedrog of willekeur en dit voor ABN AMRO kenbaar was. Hierop doet Sunred een beroep. Zij heeft echter nagelaten voldoende feiten te stellen waaruit, bij bewezen¬verklaring, volgt dat een zodanig geval zich heeft voorgedaan. Sunred heeft gewezen op de hoogte van de kosten waarvan Santander vergoeding heeft gevraagd in verhouding tot de hoofdsom van het krediet (USD 33.716,- tegenover USD 480.000,-), op het feit dat Santander niet ineens maar bij twee verschillende swift-berichten aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van die kosten (en op delen van de hoofdsom), en op een brief van 2 juli 2010 van de Argentijnse advocaat M.H. Arancibia volgens welke, kort gezegd en voor zover van belang, destijds geen wijziging in Argentijnse regelgeving heeft plaats¬gevonden die tot zulke kosten voor Santander heeft geleid en volgens welke brief Santander niet bevoegd was die kosten in rekening te brengen.

4.10 De hoogte van de kosten en het feit dat Santander daarop bij twee verschillende berichten aanspraak heeft gemaakt, vormen geen aanwijzing voor, laat staan een voldoende onderbouwing van, bedrog of willekeur aan de zijde van Santander. De genoemde brief doet dit evenmin. Met het beroep op die brief miskent Sunred dat ABN AMRO geen onderzoek behoefde te doen naar de gegrondheid van de aanspraken van Santander (in haar verhouding tot Sunred) op vergoeding van de kosten die zij op grond van de Letter of Credit vorderde: ABN AMRO behoefde uitsluitend vast te stellen of de swift-berichten waarbij Santander om vergoeding van kosten verzocht, in overeenstemming waren met het in de Letter of Credit als betalings¬voorwaarde genoemde bericht. Dit was zoals gezegd het geval. Uit de swift-berichten bleek niet, en evenmin was voor ABN AMRO in verband daarmee anderszins kenbaar, dat aan de zijde van Santander sprake was van bedrog of willekeur, zodat ABN AMRO tot betaling was gehouden. Om dezelfde redenen is ongegrond de stelling van Sunred dat de swift-berichten van Santander niet beantwoordden aan de in de Letter of Credit opgenomen voorwaarde voor betaling en dat ABN AMRO daarom op grond van artikel 16a van de UCP van betaling diende af te zien. Andere stellingen van Sunred die ervan uitgaan dat ABN AMRO de gegrondheid van de aanspraken van Santander op kosten¬vergoedingen had moeten onderzoeken of die aannemen dat voor ABN AMRO kenbaar was dat sprake was van bedrog of willekeur, zoals de stelling dat het Santander feitelijk erom te doen was tekorten van Sipex aan te zuiveren tot een bedrag hoger dan USD 480.000,-, snijden om de hiervoor genoemde redenen evenmin hout.

4.11 Ook faalt het betoog van Sunred erop neerkomend dat ABN AMRO tegenover Sunred is tekortgeschoten in haar verplichtingen als zaakwaarnemer (en dat de kosten¬vergoedingen daarom voor rekening van ABN AMRO dienen te komen). De verplichtingen van ABN AMRO tegenover Sunred in verband met de Letter of Credit hebben hun grondslag in een overeenkomst tussen deze partijen, ter uitvoering waarvan ABN AMRO het documentair krediet ten gunste van Santander heeft geopend. Voor verplichtingen van ABN AMRO op grond van zaakwaarneming is in een zodanig geval, naar volgt uit het bepaalde in artikel 6:198 BW, geen plaats. Voor zover Sunred wil betogen dat ABN AMRO door de kostenvergoedingen te betalen (voorts) is tekortgeschoten in de zorg die zij in het kader van de zojuist bedoelde overeenkomst in acht moest nemen tegenover Sunred, kan zij evenmin worden gevolgd. De zorgplicht van ABN AMRO tegenover Sunred, wat daarvan verder ook zij, heeft ABN AMRO niet bevrijd van haar betalingsverplichting tegenover Santander op grond van de Letter of Credit en zij heeft evenmin meegebracht dat op ABN AMRO andere, meeromvattende verplichtingen zijn komen te rusten dan onder 4.6 tot en met 4.10 overwogen, laat staan dat zij overigens iets afdoet aan het hierboven overwogene.

4.12 Sunred heeft in hoger beroep geen voldoende concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan haar bewijsaanbod in de memorie van grieven onder 3 komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat het vonnis waarvan beroep, bij gebreke van een grond voor vernietiging, moet worden bekrachtigd. Het hof zal aldus beslissen.

Sunred zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst Sunred in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van ABN AMRO gevallen, op € 870,- aan verschotten en op € 1.158,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en J. Wortel en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 juli 2011 door de rolraadsheer.