Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2966

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
200.060.952-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer en -advies. Financiële dienstverlener mag in beginsel uitgaan van de juistheid van hetgeen door een belegger is opgegeven omtrent beleggingsdoelstellingen en uitgangspunten voor het te voeren vermogensbeheer. Op de vermogensbeheerder die zich daaraan houdt, rust geen waarschuwingsplicht ter zake van de risico's verbonden aan individuele effecten waarin wordt belegd. De belegger kan zich naderhand niet erop beroepen dat hij in werkelijkheid iets anders had gewild dan waarvoor hij heeft getekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/333
JONDR 2011/139
JOR 2011/295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAZELZET BELEGGINGEN B.V.,

gevestigd te Watergang, gemeente Waterland,

APPELLANTE,

advocaat: mr. H.J. Bos te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap THEODOOR GILLISSEN BANKIERS N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.L. Laumen te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk HBV en TGB genoemd.

Bij dagvaarding van 10 maart 2010 is HBV in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 23 december 2009, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 394580/HAZA 08-1012 gewezen tussen haar als eisers en TGB als gedaagde.

HBV heeft van grieven gediend, daarbij producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog — uitvoerbaar bij voorraad — de vordering van HBV zoals in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen en TGB zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen HBV op grond van het bestreden vonnis aan haar heeft betaald, te vermeerderen met rente, met veroordeling van TGB in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep met inbegrip van nakosten.

Daarop heeft TGB geantwoord en op haar beurt producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met — uitvoerbaar bij voorraad — veroordeling van HBV in de kosten van het geding in hoger beroep.

De partijen hebben de zaak op 25 maart 2011 doen bepleiten, HBV door mr. Bos voornoemd en door mr. N.H.A. Kampschreur, advocaat te Amsterdam, TGB door mr. Laumen voornoemd. Bij deze gelegenheid zijn aan beide zijden pleitnotities overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

HBV heeft zeven grieven voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud hiervan wordt verwezen naar de desbetreffende memorie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.10, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt.

Met grief I voert HBV aan dat onder 2.4, vierde regel, van het vonnis in plaats van “1998” moet worden gelezen “1996”. TGB heeft in de memorie van antwoord onder 42 aangegeven tegen deze wijziging geen bezwaar te hebben. De genoemde regel zal daarom aldus verbeterd worden gelezen.

Voor het overige bestaat over de juistheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten geen geschil, zodat in zoverre ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 [X.], hierna [X.], is vanaf 1984 tot haar overlijden in 2007 bestuurder en grootaandeelhouder van HBV geweest. HBV was gedurende dit tijdvak rechthebbende op een zeker vermogen. Buiten het beheren van haar vermogen verrichtte HBV geen andere werkzaamheden. In 1998 bedroeg het zojuist bedoelde vermogen, dat toen in zijn geheel uit liquide middelen bestond, omstreeks € 1.345.000,-. Een eerder in HBV aanwezige effecten¬portefeuille was in 1996 verkocht. Op advies van TGB, waarmee HBV reeds een langjarige relatie onderhield, heeft HBV in 1998 en 1999 converteerbare obligaties, uitgegeven door beursge¬noteerde ondernemingen, gekocht voor een bedrag van omstreeks € 261.000,-. In 2000 heeft HBV aan TGB het beheer opgedragen over een deel van haar vermogen groot

€ 600.000,- en bestaande uit liquide middelen. Dit beheer heeft TGB, na daarover met [X.] te hebben gesproken, aan HBV geadviseerd. Hiernaast heeft HBV, eveneens op advies van TGB, in 2000 voor een bedrag van

€ 398.000,- aandelen gekocht in een tweetal (aandelen)¬beleggingsfondsen. Deze aandelen en de converteerbare obligaties vielen buiten het aan TGB opgedragen beheer.

4.2 In verband met het beheer van het hierboven genoemde vermogensdeel van € 600.000,- zijn partijen op 14 januari 2000 een schriftelijke overeenkomst aangegaan, getiteld “vermogensbeheerovereenkomst”, hierna “de beheerovereen¬komst”. In artikel 2 van de beheerovereenkomst heeft HBV aan TGB opdracht en volmacht gegeven om namens HBV en voor haar rekening en risico het beheer te voeren over het zojuist bedoelde vermogensdeel. In artikel 3.1 heeft TGB zich verbonden daarbij steeds de vereiste zorgvuldig¬heid in acht te nemen en naar beste kunnen met de belangen van HBV rekening te houden. Krachtens artikel 3.2 was TGB in beginsel vrij in de wijze waarop zij het in beheer gegeven vermogen belegde en herbelegde en was zij steeds bevoegd bestaande waarden door andere te doen vervangen. In artikel 5 van de beheerovereenkomst heeft HBV verklaard zich bewust te zijn van de risico’s van het beleggen in effecten en van de consequenties van het vermogensbeheer en deze te aanvaarden.

4.3 Bij de beheerovereenkomst behoren verschillende bijlagen, waarvan de eerste als “uitgangspunten en doelstellingen” van het te voeren vermogensbeheer vermeldt dat de beleggingsdoelstelling van HBV “primair gericht [was] op (onbelaste) vermogensgroei voor de lange termijn”, waarbij de beleggingshorizon van HBV zich vertaalde in “een risicoprofiel waarin duidelijk ruimte is voor tussentijdse waardeschommelingen van het vermogen”. Dezelfde bijlage vermeldt dat zowel minimaal als maximaal 100% van het in beheer gegeven vermogen mocht worden belegd in zakelijke waarden en zowel minimaal als maximaal 0% in liquiditeiten, welke percentages tevens als “norm” zijn aangeduid. Een andere bijlage bij de beheerovereenkomst geeft aan dat er geen beperkingen golden met betrekking tot de markten waarop en de effecten waarin mocht worden belegd. In artikel 4.3 van de beheerovereenkomst heeft TGB zich verbonden de hierboven bedoelde “uitgangspunten en doelstellingen”, zonder beperkingen, in acht te nemen bij het beheer van het vermogen.

4.4 [X.] was op het tijdstip van de totstand¬koming van de beheerovereenkomst 62 jaar oud. Zij was sinds 1984 weduwe en leed aan de ziekte multiple sclerose. Naast haar aandelen in HBV was zij eigenaar van een door haarzelf bewoonde woning, waarop geen hypotheek rustte. [X.] was voor haar levensonder¬houd niet afhankelijk van uitkeringen uit HBV: zij had inkomen uit een, in de woorden van HBV in de memorie van grieven onder 2.8, comfortabel pensioen. [X.] had twee volwassen dochters, [M.] en [A.], die financieel niet van haar afhankelijk waren. Deze dochters hadden, nog steeds uitgaande van het tijdstip van de totstandkoming van de beheerovereenkomst, ieder een vordering van omstreeks € 340.000,- op [X.] uit hoofde van de nalatenschap van de overleden echtgenoot van laatstgenoemde, [Y.]. De hier bedoelde vorderingen waren, naar TGB in de memorie van antwoord onder 26 heeft gesteld en HBV bij haar pleidooi in hoger beroep niet heeft weersproken, niet opeisbaar zolang [X.] in leven was.

4.5 Buiten de rekeningen van HBV, waarvan gebruik is gemaakt bij het vermogensbeheer en bij de koop van de onder 4.1 bedoelde obligaties en aandelen in beleggingsfondsen, hield [X.] in privé een rekening aan bij TGB. In juli 2002 heeft TGB haar een inventarisatie¬formulier toegestuurd met vragen over, in hoofdzaak, haar kennis van en haar ervaringen en voorkeuren met betrekking tot het beleggen in effecten. In de aanhef van dit formulier is het nummer vermeld van de privérekening van [X.] bij TGB. Nadat zij het formulier ingevuld had teruggestuurd, heeft TGB naar aanleiding van haar antwoorden op de gestelde vragen in december 2002 aan [X.] geschreven, met vermelding van hetzelfde rekeningnummer: “U heeft aangegeven welk beleggingsrisico u momenteel acceptabel vindt en wanneer u uw doelstellingen gerealiseerd zou willen zien. Op basis van deze gegevens past een beleggingsportefeuille met het volgende profiel het beste bij u: circa 50% obligaties en/of liquiditeiten en 50% aandelen (‘gebalanceerd’ oftewel een portefeuille waarbij bij benadering evenveel in aandelen als in obligaties en liquiditeiten wordt belegd).” Hierna heeft geen wijziging van de beheerovereenkomst of van het door TGB op grond daarvan gevoerde vermogensbeheer plaatsgehad.

4.6 Begin september 2005 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [X.] en een werknemer van TGB. Van dit gesprek is door laatstgenoemde een schriftelijk ver¬slag gemaakt, dat in de aanhef de nummers noemt van de rekeningen van HBV en van [X.] in privé bij TGB. Het verslag vermeldt onder meer: “Mevrouw [X.] is een zeer voorzichtige belegger. Betreurt het dat zij ooit met al het belegbaar vermogen van [HBV] bij TGB is gaan bankieren. (…) Doelstelling geformuleerd: behoud van vermogen. Meer specifiek: erven/schenken. (…) Gezien de risicohouding van mevrouw Hazelzet voorgesteld om de beleggingen defensiever in te richten. Van de beleggingen zit nu 91% in aandelen en 9% in vastrentend. Mevrouw Hazelzet voelt zich comfortabeler bij een gebalanceerde verdeling. (…) Ook voorgesteld om de aandelenbeleggingen meer te spreiden (…). Akkoord. Geleidelijk ombouwen! Eind van het jaar moet ombouw gerealiseerd zijn (maar ook niet veel eerder).” De beheerovereenkomst is na deze bespreking niet gewijzigd en TGB is daarna meer dan helft het door HBV in beheer gegeven vermogen blijven beleggen in aandelen.

4.7 Bij brief van 28 september 2007 aan TGB hebben HBV en [X.] hun betrekkingen met TGB met onmid¬dellijke ingang opgezegd wegens, naar in de brief is vermeld, onzorgvuldig vermogensbeheer en onzorgvuldige advisering door TGB. Bij dezelfde brief hebben zij TGB verzocht de door haar voor hen gehouden effecten en liquide middelen per omgaande over te boeken naar een andere bank. Het vermogensbeheer door TGB, vanaf de aanvang daarvan tot de opzegging, is per saldo verlies¬latend geweest. Bij brief van 7 januari 2008 van haar raadsman heeft HBV TGB aansprakelijk gesteld voor door HBV geleden schade als gevolg van bepaalde in die brief beschreven tekortkomingen van TGB. TGB heeft iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.

4.8 In het licht van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten vordert HBV dat voor recht wordt verklaard dat TGB is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans onrechtmatig heeft gehandeld, tegenover HBV en dat TGB wordt veroordeeld tot vergoeding van de door HBV geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente. HBV voert hiertoe aan, kort gezegd, dat TGB in verband met het vermogensbeheer voor en de advisering aan HBV niet de zorg in acht heeft genomen die van haar mocht worden verwacht, in het bijzonder doordat dat beheer en die advisering niet in overeenstemming zijn geweest met de (voor TGB kenbare) beleggingsdoelstellingen van HBV en doordat TGB heeft nagelaten HBV afdoende te waarschuwen voor de risico’s die waren verbonden aan het vermogens¬beheer op grond van de beheerovereenkomst en de onder 4.3 bedoelde bijlagen daarbij. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Tegen dit oordeel en de overwegingen waarop het berust richt zich het hoger beroep.

4.9 Met de grieven II tot en met VI en de daaraan voorafgaande inleiding herhaalt HBV haar standpunt dat TGB tegenover haar niet de vereiste zorg in acht heeft genomen en licht zij dit standpunt nader toe. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Bij hun beoordeling moet ervan worden uitgegaan dat op TGB, als bij uitstek deskundig te achten professionele financiële dienstverlener, tegenover HBV een bijzondere zorgplicht heeft gerust die ertoe strekt laatstgenoemde te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Hierbij is van belang dat HBV in haar verhouding tot TGB niet is opgetreden in het kader van de uitoefening van een onderneming maar uitsluitend als verlengstuk van [X.], die als groot¬aandeelhouder — zij hield 96% van de aandelen — tot het leeuwendeel van het vermogen van HBV was gerechtigd. Wat betreft de zorg die TGB in acht diende te nemen moet HBV daarom worden gelijkgesteld met een particuliere wederpartij die, zoals HBV heeft gedaan, het beheer over een deel van haar vermogen opdraagt aan een professionele financiële dienst¬verlener en zich door deze laat adviseren. De reikwijdte van de bijzondere zorgplicht van TGB is voorts afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dit leidt tot de volgende beoordeling.

4.10 Het verwijt dat TGB is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht doordat zij het vermogen waarover haar het beheer was opgedragen heeft beheerd op een wijze die niet in overeenstemming was met de beleggings¬doelstellingen van HBV, faalt allereerst omdat — naar tussen partijen niet in geschil is — het gevoerde vermogensbeheer overeenstemde met de “uitgangspunten en doelstellingen” die in een bijlage bij de beheerovereenkomst zijn vermeld en waarnaar TGB zich volgens artikel 4.3 van die overeenkomst moest richten, terwijl in een andere bijlage bij de beheer¬overeenkomst is aangegeven dat er geen beperkingen golden met betrekking tot de markten waarop en de effecten waarin mocht worden belegd. De beheerovereenkomst en de bijlagen zijn mede door HBV ondertekend. Onder deze omstandigheden mocht TGB redelijkerwijs ervan uitgaan dat HBV ermee instemde dat het betrokken vermogen zou worden beheerd overeenkomstig de hierboven bedoelde “uitgangspunten en doelstellingen”, zonder beperkingen, en dat dit overeen¬stemde met de bedoelingen van HBV. HBV kan zich daarom thans, achteraf, niet erop beroepen dat het vermogen op een andere wijze had moeten worden beheerd en evenmin dat haar beleggingsdoelstellingen in werkelijkheid anders waren dan blijkend uit de bijlagen bij de beheerover¬eenkomst.

4.11 Het zojuist bedoelde verwijt faalt ook omdat gelet op de financiële positie van HBV en van [X.], van wie HBV zoals gezegd een verlengstuk was en op wiens positie TGB mede acht mocht slaan, op het tijdstip van de totstandkoming van de beheerovereenkomst, TGB geen redelijke aanleiding had om aan te nemen of zelfs maar te vermoeden dat de overeengekomen “uitgangspunten en doelstellingen” van het te voeren vermogensbeheer, zonder beperkingen wat betreft de markten waarop en de effecten waarin mocht worden belegd, niet in overeenstemming waren met de (werkelijke) bedoelingen van HBV. Destijds beschikte HBV, volgens haar onweersproken stellingen in de inleidende dagvaarding in eerste aanleg onder 2.4 en de als productie 1 in eerste aanleg overgelegde jaar¬rekening, over ongeveer € 1.180.000,- aan liquide middelen en over effecten ter waarde van ongeveer

€ 221.000,-, waartegenover kortlopende schulden stonden van ongeveer € 73.000,-. De financiële positie van [X.] was zoals onder 4.4 beschreven. Onder deze omstandigheden behoefde TGB redelijkerwijs niet te vermoeden dat HBV met het in beheer geven van

€ 600.000,- aan TGB (in werkelijkheid) niet streefde naar “(onbelaste) vermogensgroei voor de lange termijn”, dat HBV zich niet kon vinden in “een risicoprofiel waarin duidelijk ruimte is voor tussentijdse waardeschommelingen van het vermogen” en dat HBV het in beheer gegeven bedrag niet geheel in effecten wilde beleggen, zonder beperkingen wat betreft markten en soorten effecten, zoals in de bijlagen bij de beheerovereenkomst vermeld. Deze doelstellingen waren immers goed verenigbaar met de financiële positie van HBV en van [X.], terwijl uit niets blijkt dat laatstgenoemde (als bestuurder van HBV) niet in staat was een en ander te begrijpen en dat dit voor TGB kenbaar was toen partijen de beheerovereenkomst aangingen. Dat [X.] aan de ziekte multiple sclerose leed, noopt niet tot een ander oordeel.

4.12 De antwoorden van [X.] op het onder 4.5 genoemde inventarisatieformulier, de daarop gevolgde brief van TGB en het onder 4.6 genoemde besprekings¬verslag leiden evenmin tot de gevolgtrekking dat TGB het in beheer gegeven vermogen had moeten beheren op een andere wijze dan in de bijlagen bij de beheerovereenkomst bepaald en dan TGB feitelijk heeft gedaan. Op de eerste plaats dateren die stukken alle van ruim na de totstandkoming van de beheer¬overeenkomst en zeggen zij niets over de bedoelingen van HBV op het tijdstip van de totstandkoming daarvan of over hetgeen TGB destijds ten aanzien van die bedoelingen redelijkerwijs mocht aannemen, laat staan dat uit de genoemde stukken blijkt dat voor TGB op het tijdstip van de totstandkoming van de beheerovereenkomst kenbaar was dat de (werkelijke) bedoelingen van HBV niet strookten met hetgeen in de bijlagen bij de beheerovereenkomst is bepaald. Op de tweede plaats doen de genoemde stukken niet af aan de gebondenheid van partijen aan de (ongewijzigd gebleven) beheerovereenkomst en evenmin aan de uit artikel 4.3 daarvan volgende verplichting van TGB om het door HBV in beheer gegeven vermogen te beheren overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen bij die overeenkomst, dus met inachtneming van de daarin vermelde “uitgangspunten en doelstellingen”, dit laatste in ieder geval tot de datum van de onder 4.6 bedoelde bespreking. Ten aanzien van het onder 4.5 genoemde inventarisatieformulier en de daarop gevolgde brief van TGB komt hierbij nog dat dat formulier en die brief betrekking hadden op een privérekening van [X.] bij TGB, zodat daaruit niet voet¬stoots volgt dat een en ander ook gold voor het door HBV in beheer gegeven vermogen. Ten aanzien van het onder 4.6 genoemde besprekingsverslag komt bij het voorgaande nog dat HBV in hoger beroep niet klaagt over de wijze van vermogensbeheer door TGB na de bespreking van begin september 2005, respectievelijk over het vervolg dat TGB aan het toen besprokene heeft gegeven, zodat ook hierom niet kan worden gezegd dat TGB daarna in de nakoming van haar zorgplicht is tekortgeschoten door de wijze waarop zij het vermogen heeft beheerd.

4.13 Het verwijt dat TGB bij haar advisering aan HBV — afgezien van de uitvoering die TGB heeft gegeven aan het haar opgedragen vermogensbeheer — niet de zorg in acht heeft genomen die van haar mocht worden verwacht, is eveneens ongegrond. Voor zover HBV met dit verwijt wil betogen dat TGB haar had moeten afraden een deel van haar vermogen in beheer te geven op de wijze waarop partijen dit bij de beheerovereenkomst, met de bijbehorende bijlagen, zijn overeengekomen, miskent HBV dat op TGB geen zodanige verplichting heeft gerust. De financiële positie van HBV zoals onder 4.11 beschreven en de financiële positie van [X.] zoals onder 4.4 beschreven, beide op het tijdstip van de totstand¬koming van de beheerovereenkomst, waren dusdanig dat TGB het in beheer geven van een bedrag van € 600.000,- door HBV en het laten beheren daarvan overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen bij de overeenkomst zoals onder 4.3 samengevat, niet alleen niet behoefde af te raden maar zelfs mocht adviseren. Dit geldt ook met betrekking tot de beleggingsdoelstelling en het risicoprofiel die in de eerste bijlage bij de beheerovereenkomst zijn vermeld. Hierbij is in het bijzonder van belang dat het in beheer gegeven bedrag slechts een deel — minder dan de helft — van het vermogen van HBV vormde en dat [X.] voor haar levensonderhoud niet van dat vermogensdeel, of van de opbrengst daarvan, afhankelijk was en voorts dat niet is gebleken van financiële verplichtingen van HBV of van [X.] die, tijdens het leven van laatstgenoemde, naar redelijke verwachting uit het in beheer gegeven vermogen zouden moeten worden voldaan.

4.14 Voor zover het verwijt dat TGB bij haar advisering aan HBV haar zorgplicht niet is nagekomen, betrekking heeft op de onder 4.1 bedoelde adviezen tot koop van converteerbare obligaties en aandelen in (aandelen)¬beleggingsfondsen, heeft HBV nagelaten voldoende feiten te stellen waaruit volgt dat TGB zich onder de gegeven omstandigheden van die adviezen had moeten onthouden. Dat de onder 4.1 bedoelde adviezen in verband met de door TGB in acht te nemen zorg ondeugdelijk zijn geweest, kan noch gelet op de omvang en de samenstelling van het vermogen van HBV ten tijde van die advisering, noch gelet op de aard van de betrokken effecten — die mede in het licht van de omvang en de samenstelling van het vermogen van HBV niet als bovenmatig risicovol kunnen worden aangemerkt — worden gezegd en feiten die een ander oordeel kunnen wettigen zijn niet voldoende gesteld.

4.15 Ook voor zover HBV wil betogen dat TGB is tekortgeschoten doordat zij bij haar advisering heeft nagelaten HBV te waarschuwen voor het risico van een vermogensverlies dat was verbonden aan het in beheer geven van vermogen ter belegging in effecten overeen¬komstig het bepaalde in de beheerovereenkomst en de bijbehorende bijlagen, is het betoog van HBV ongegrond. Dat effecten in waarde kunnen dalen ten opzichte van de aankoopprijzen daarvan en dat het beleggen in effecten het risico van vermogensverlies meebrengt als gevolg van een zodanige waardedaling, is — en was destijds al — een feit van algemene bekendheid, zodat TGB ervan mocht uitgaan dat HBV dit risico voor lief nam en dat zij daarvoor niet uitdrukkelijk behoefde te worden gewaarschuwd. Dit laatste is temeer zo, nu HBV reeds eerder in effecten had belegd, blijkens de verkoop van een door haar gehouden effectenportefeuille in 1996, en nu aan het beleggen van vermogen overeenkomstig het bepaalde in de beheerovereenkomst geen bijzondere risico’s waren verbonden — anders dan het algemene risico van een waardedaling van de effecten waarin werd belegd en een mogelijk vermogensverlies als gevolg hiervan — die voor HBV naar redelijke verwachting niet voldoende kenbaar waren. Voor zover HBV ervan uitgaat dat TGB haar had moeten waarschuwen voor de risico’s verbonden aan (bepaalde) individuele effecten waarin het in beheer gegeven vermogen is belegd, kan zij evenmin worden gevolgd: op TGB rustte geen zo verstrekkende waar¬schuwingsplicht, in aanmerking genomen dat HBV door de beheeropdracht juist de bevoegdheid en de verantwoor¬delijkheid aan TGB had gegeven om, binnen de grenzen van de beheerovereenkomst, zelfstandig te beslissen over de effecten waarin het in beheer gegeven vermogen zou worden belegd en dat niet in geschil is dat het door TGB gevoerde vermogensbeheer overeenstemde met de “uitgangs¬punten en doelstellingen” die in een bijlage bij de beheerovereenkomst zijn vermeld.

4.16 Hetgeen HBV voor het overige heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat TGB haar zorgplicht niet in acht heeft genomen, voor zover dat niet reeds afstuit op hetgeen hierboven is overwogen, gaat uit van een uitleg van die zorgplicht die geen steun vindt in het recht en kan daarom evenmin leiden tot het oordeel dat TGB in de nakoming van haar verplichtingen tegenover HBV is tekortgeschoten. Hetzelfde geldt voor zover HBV wil betogen dat TGB zich in verband met het vermogensbeheer voor en de advisering aan HBV niet heeft gedragen zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele financiële dienstverlener mocht worden verwacht: dit betoog steunt op dezelfde verwijten als hierboven besproken en faalt om dezelfde redenen.

4.17 Het hierboven overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de grieven II tot en met VI geen van alle kunnen slagen. Dit geldt ook voor grief VII, die alleen zelfstandige betekenis heeft voor zover HBV daarmee opkomt tegen haar veroordeling in de proceskosten van het geding in eerste aanleg: nu blijkens het hierboven overwogene HBV terecht in het ongelijk is gesteld, is zij eveneens terecht veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.

4.18 HBV heeft in hoger beroep geen voldoende concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Aan haar bewijsaanbod in de memorie van grieven onder 6 komt daarom geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak, zodat dit aanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd.

5. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep tevergeefs is ingesteld en dat het vonnis waarvan beroep, bij gebreke van een grond voor vernietiging, moet worden bekrachtigd. Het hof zal aldus beslissen.

HBV zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst HBV in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van TGB gevallen, op € 314,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.S. Arnold en J. Wortel en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 juli 2011 door de rolraadsheer.