Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2891

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
200.077.559-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst het verzoek van De Jongh c.s. om overeenkomstig art. 5:130 BW het besluit van de VvE, inhoudende de benoeming tot bestuurder van de heer De Jong, te vernietigen af, nu de door De Jongh c.s. aangevoerde klachten op grond waarvan het bestreden besluit in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid niet opgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

1. [ APPELLANT ],

wonend te [ A ],

en

2. [ APPELLANT ],

wonend te [ A ]

APPELLANTEN,

advocaat: mr. D.R. van Lijf, te Amsterdam

t e g e n

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAARS GEBOUW VAN EEGHENSTRAAT 112 “PARKVILLA VAN EEGHEN”,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaat: N.M. de Jong, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [ Appellanten ] en de VvE genoemd.

[ Appellanten ] zijn bij beroepschrift met producties, dat op 18 november 2010 ter griffie van het hof is ingekomen, in hoger beroep gekomen van een beschikking die de rechtbank Amsterdam (sector kanton, locatie Amsterdam) onder zaaknummer EA 09-405 op 20 oktober 2010 heeft gegeven.

Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof bij beschikking (uitvoerbaar bij voorraad) genoemde beschikking zal vernietigen en op de voet van art. 5:130 BW alsnog het besluit van de VvE van 1 december 2008, waarbij de heer [ J ] tot bestuurder is benoemd, zal vernietigen en een extern bestuurder aan te wijzen, met veroordeling van de VvE in de kosten van de procedure.

Voorts is van de zijde van [ Appellanten ] op 8 februari 2011 bij de griffie van het hof een aanvullend beroepschrift binnengekomen, houdende een beschrijving van recente gebeurtenissen.

Op 10 februari 2011 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van de VvE binnengekomen. Zij verzoekt het hof daarin [ Appellanten ] niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoek dan wel het verzoek af te wijzen, met veroordeling van [ Appellanten ] in de kosten van – naar het hof begrijpt - het hoger beroep.

Op 22 februari 2011 heeft het hof een schriftelijke mededeling van de VvE ontvangen, inhoudende - kort gezegd - dat de VvE in de persoon van de heer [ J ] en zonder haar advocaat op de mondelinge behandeling zal verschijnen. Voorts heeft de VvE per brief van 27 april 2011 het hof een productie met nummer 5 doen toekomen.

Van de zijde van [ Appellanten ] heeft het hof op 12 april 2011 een drietal producties ontvangen met de nummers 4, 5 en 6 en op 18 april 2011 nog een productie met nummer 7.

Op 28 april 2011 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft namens [ Appellanten ] mr. Van Lijf voornoemd het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen en namens de VvE haar bestuurder de heer [ J ] voornoemd.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat op 7 juni 2011 uitspraak zal volgen.

2. De beoordeling

2.1. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2. Op 19 september 2008 is vanwege onderling wantrouwen dan wel gerezen bezwaren tegen het toenmalig bestuur, door de vergadering van de VvE unaniem besloten om een externe bestuurder te benoemen in de persoon van de heer [ G ] die was verbonden aan een extern administratiekantoor (hierna: eerste besluit). De heer [ G ] heeft op het daartoe strekkende verzoek evenwel aangegeven niet als bestuurder te willen fungeren. Om die reden en vanwege de slechte financiële situatie waarin de VvE toen verkeerde, heeft op 1 december 2008 de vergadering van de VvE met een meerderheid van 70% van de stemmen besloten de heer [ J ] als bestuurder (voorzitter) te benoemen (hierna: bestreden besluit). Als vice-voorzitter werd aangesteld mevrouw [ W ] en als beheerder de heer [ G ], die daarmee verantwoordelijk werd voor de dagelijkse gang van zaken. Voormeld besluit werd als tijdelijke maatregel gezien teneinde de aan de orde zijnde (financiële) problemen op te lossen.

2.3. De kantonrechter heeft het verzoek van [ Appellanten ] om het bestreden besluit te vernietigen van de hand gewezen. Hiertegen komen [ Appellanten ] op in hoger beroep.

2.4. [ Appellanten ] voeren in hoger beroep – zakelijk weergegeven - aan dat het bestreden besluit voor vernietiging vatbaar is, omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Hiertoe voeren [ Appellanten ] onder meer aan dat door het bestreden besluit het eerste besluit, dat door de vergadering unaniem is aangenomen, terzijde is gesteld. Dit terwijl het bestreden besluit weliswaar is aangenomen met een meerderheid van 70 % van de stemmen maar dit besluit feitelijk alleen door dhr. [ D ] is genomen, aangezien hij de volmachten had van een zestal andere stemgerechtigden. Voorts voeren [ Appellanten ] aan dat de bij het bestreden besluit benoemde bestuurder [ J ] frequent afwezig is en geen bekend adres in Nederland heeft. Verder stellen [ Appellanten ] dat van de doelstelling van het bij het bestreden besluit benoemde – als interim bedoelde – bestuur, om de financiële chaos en problemen als de gestelde waterschade als gevolg van lekkages in het appartement van een van de eigenaren van de VvE op te lossen, tot op heden niets is terechtgekomen.

2.5. De VvE heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen hetgeen door [ Appellanten ] is gesteld.

2.6. Het hof wijst het verzoek van de VvE om [ Appellanten ] niet ontvankelijk in hun verzoek te verklaren af, nu zij geen gronden heeft aangevoerd die tot deze conclusie kunnen leiden.

2.7. Het hof is van oordeel dat de door [ Appellanten ] aangevoerde klachten, op grond waarvan het bestreden besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn en deswege vernietigbaar, niet opgaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

2.8. De aanleiding tot het bestreden besluit vormde de omstandigheid dat de in het eerste besluit beoogde externe bestuurder, de heer [ G ] te kennen had gegeven niet als bestuurder te willen fungeren en voorts dat de VvE in een slechte financiële situatie verkeerde. Aldus bleek het eerste besluit niet c.q. financieel bezwaarlijk uitvoerbaar. Dat vervolgens door een meerderheid van de vergadering het bestreden besluit het eerste (unaniem genomen) besluit tot het benoemen van de heer [ G ] als extern bestuurder terzijde is geschoven, maakt naar ’s hofs oordeel dan ook niet dat het bestreden besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid (tot stand gekomen) is. Hierbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat het bestreden besluit met 70% van de stemmen, derhalve een ruime meerderheid, door de vergadering van de VvE is aangenomen en dat tot op heden de vergadering niet tot een andersluidend besluit is gekomen. Aan het bovenstaande doet niet af het feit dat een zestal leden van de VvE destijds één van de stemgerechtigde leden, de heer [ D ], tot het uitbrengen van hun stem hebben gevolmachtigd. Evenmin doet hieraan af de klacht zijdens [ Appellanten ] dat onder leiding van de bij het bestreden besluit benoemde voorzitter [ J ], de gestelde (financiële) problemen tot op heden niet (alle) zijn opgelost. Het hof acht het in dat verband wel van belang op te merken dat het bestuur een belangrijke taak heeft bij het oplossen van geschillen binnen de VvE, waaraan de nodige prioriteit dient te worden gegeven.

De door [ Appellanten ] gestelde frequente afwezigheid van de heer [ J ] wettigt naar ’s hofs oordeel evenmin de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, reeds niet omdat uit de ingebrachte producties blijkt dat de heer [ J ] (per mail en telefonisch) bereikbaar is, hetgeen ook niet is betwist. Daarbij acht het hof van belang dat in het kader van het dagelijks beheer de heer [ G ] en aanwezig is, zodat het belang bij ook een frequente aanwezigheid van [ J ] ontbreekt. De klacht dat [ J ] geen bekend adres in Nederland heeft is tevergeefs voorgesteld, nu hij dit wél heeft.

Met het bovenstaande falen de klachten. Het verzoek om het bestreden besluit te vernietigen dient derhalve te worden afgewezen.

2.9. De conclusie luidt dat het verzoek moet worden afgewezen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Nu [ Appellanten ] in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij de kosten van de procedure in hoger beroep dienen te dragen.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

verwijst [ Appellanten ] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van VvE gevallen en tot op heden begroot op € 640,00 aan verschotten en € 1.788,00 aan salaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Noordhuizen, R.H. de Bock en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2011.