Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2604

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
200.061.903
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag bij beëindiging bedrijfsvoering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.061.903

(zaaknummer rechtbank 624389)

arrest van de vijfde civiele kamer van 8 maart 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Huize Galesloot B.V.,

gevestigd te Zeist,

appellante,

advocaat: mr. H.E. Sluis,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. van Andel.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 13 mei 2009 en 18 november 2009 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellante (hierna ook te noemen: Huize Galesloot) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiseres heeft gewezen; van het vonnis van 18 november 2009 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Huize Galesloot heeft bij exploot van 24 december 2009 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 18 november 2009 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Huize Galesloot één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

1. voor recht zal verklaren dat de opzegging van destijds niet kennelijk onredelijk is;

2. de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen;

3. [geïntimeerde] zal veroordelen om al hetgeen Huize Galesloot ter uitvoering van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan (te weten € 19.000,00 bruto resulterend in een netto-equivalent van € 11.020,00 aan ‘kennelijk-onredelijk-ontslag-vergoeding’, € 611,12 aan wettelijke rente en € 893,98 aan proceskosten) aan Huize Galesloot terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling (24 november 2009) door Huize Galesloot tot aan de dag van volledige terugbetaling door [geïntimeerde];

4. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van zowel de eerste als tweede aanleg/instantie en de nakosten; een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest; en voor het geval kosten en/of nakosten niet binnen genoemde termijn zijn betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf het einde van genoemde termijn.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grief bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en vier producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep, zal bekrachtigen, Huize Galesloot in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel aan haar haar vorderingen zal ontzeggen, alles met veroordeling van Huize Galesloot in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Door de kantonrechter zijn onder het kopje ‘De vaststaande feiten’ feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen het tussenvonnis van 13 mei 2009 zijn geen grieven aangevoerd, zodat Huize Galesloot in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

4.2 In deze procedure gaat het, kort gezegd, om het volgende. [geïntimeerde] is op 1 oktober 1999 in dienst getreden van Huize Galesloot, een speciaalzaak in gebak, chocolade en bonbons, als verkoopster. De winkel waar [geïntimeerde] haar werkzaamheden verrichtte is op 11 juni 2008 gesloten, de verkoop zou in een ander pand worden voortgezet. Vanaf voornoemde datum is [geïntimeerde] vrijgesteld van het verrichten van arbeid, met behoud van salaris. Na op 14 oktober 2008 verkregen toestemming van de Raad van Bestuur van de CWI heeft Huize Galesloot het dienstverband met [geïntimeerde] per 1 december 2008 opgezegd.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de opzegging kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Huize Galesloot als werkgeefster bij de opzegging. [geïntimeerde] heeft in de procedure in eerste aanleg gevorderd dat Huize Galesloot wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Huize Galesloot betwist dat het ontslag van [geïntimeerde] kennelijk onredelijk is. Vanwege diverse omstandigheden is besloten geen winkel in een ander pand te openen, daarnaast zouden de gevolgen voor [geïntimeerde] – gelet op haar omstandigheden – niet te ernstig zijn.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat Huize Galesloot zich het belang van [geïntimeerde] meer had moeten aantrekken dan zij heeft gedaan en het ontslag aldus kennelijk onredelijk geoordeeld. De door Huize Galesloot aan [geïntimeerde] te betalen vergoeding heeft de kantonrechter daarbij, met toepassing van de kantonrechtersformule, op € 19.000,- bruto bepaald. Tegen dit oordeel van de kantonrechter richt zich de grief van Huize Galesloot.

4.3 In artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen.

4.4 Aan de orde is de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [geïntimeerde] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Huize Galesloot bij de opzegging, mede in aanmerking genomen de voor [geïntimeerde] getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden (artikel 7:681 lid 2 sub b BW), waarbij alle feiten en omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang in aanmerking moeten worden genomen. Met de kennelijkheid is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld dat de onredelijkheid voor iedereen duidelijk moet zijn. De enkele omstandigheid dat is opgezegd zonder toekenning van een beëindigingsvergoeding, maakt de opzegging nog niet kennelijk onredelijk. Pas indien is geoordeeld dat de opzegging kennelijk onredelijk is, komt de schadevergoeding aan de orde. De gevolgen van de opzegging moeten worden beoordeeld naar het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde, en dus op grond van de situatie zoals deze was op 1 december 2008. Na de ingangsdatum van het ontslag voorgevallen feiten en omstandigheden kunnen bijdragen tot het inzicht in de op de ingangsdatum bestaande toestand.

4.5 De kantonrechter heeft bij het vaststellen van de vergoeding aansluiting gezocht bij de zgn. kantonrechtersformule zoals deze vóór 1 januari 2009 gold. Mede gelet op de arresten van de Hoge Raad van 27 november 2009 (LJN: BJ6596) en 12 februari 2010 (LJN: BK4472) is deze door de kantonrechter gehanteerde methode tot het vaststellen van de schadevergoeding niet juist. De hoogte van een vergoeding wordt in een kennelijk onredelijk ontslag procedure vastgesteld aan de hand van door de rechter op basis van de aangevoerde stellingen vast te stellen feiten en na een afweging van de omstandigheden aan de zijde van beide partijen, waarbij de gewone regels omtrent de begroting van schade(vergoeding) van toepassing zijn. De rechter dient de vergoeding te relateren aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en aan de daaruit voor de werknemer voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen. Dit laat onverlet dat artikel 6:97 BW de rechter vrij laat de hoogte van de vergoeding uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten.

4.6 Indien het hof zal oordelen dat het ontslag van [geïntimeerde] kennelijk onredelijk is, zal de schadevergoeding aan de hand van voornoemde uitgangpunten moeten worden vastgesteld.

4.7 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de afwezigheid van een financiële voorziening, alsmede haar leeftijd, de duur van haar dienstverband (9 jaren), het feit dat Huize Galesloot steeds (zéér) tevreden is geweest over haar functioneren en de wijze waarop haar arbeidsplaats is komen te vervallen, maken dat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Huize Galesloot als werkgeefster bij de opzegging.

Huize Galesloot betwist dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De kansen van [geïntimeerde] op de arbeidsmarkt waren aan het einde van het dienstverband goed, hetgeen ook is gebleken omdat [geïntimeerde] snel een andere baan heeft gevonden. Daarnaast zou haar financiële positie zodanig zijn dat zij niet afhankelijk is van haar inkomsten.

4.8 Omdat het hof behoefte heeft aan nadere inlichtingen, onder meer over de huidige werksituatie van [geïntimeerde] en de gang van zaken voorafgaand aan de aanvraag van de ontslagvergunning bij de CWI, zal een comparitie van partijen worden bepaald. Daarbij kan tevens onderzocht worden of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

Slotsom

Het hof zal een comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen als overwogen in rechtsoverweging 4.8 en voor het beproeven van een minnelijke regeling. Een partij die bij gelegenheid van die comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, dient ervoor te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.

Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, [geïntimeerde] in persoon en Huize Galesloot vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W. Duitemeijer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder rechtsoverweging 4.8 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen hun verhinderdagen en die van hun advocaten in de maanden april, mei en juni 2011 zullen opgeven op de roldatum 22 maart 2011, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en W. Duitemeijer, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. E.B. Knottnerus en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2011.