Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2589

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
200.071.250-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhaalsactie WAM-verzekeraar ex art. 13 WAM. Onvoldoende weersproken dat de auto van X, de ex-verzekerde, bij ongeval met fietser was betrokken. X mag er niet op terugkomen dat hij ter comparitie aansprakelijkheid voor 50% heeft erkend. X en fietser hebben gelijkelijk schuld aan aangeval. Toepassing van de billijkheidscorrectie (art. 6:101 lid 1 BW) leidt ertoe dat X geheel aansprakelijk is. Buitengerechtelijke incassokosten slechts beperkt toewijsbaar in verband met door verzekeraar overgelegde "Verklaring Buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ A ],

APPELLANT,

advocaat: mr. A.R. van Dolder te Heerhugowaard,

t e g e n

de naamloze vennootschap UNIGARANT N.V.,

gevestigd te ‘s Gravenhage,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. Schuring te Groningen.

De partijen worden hierna [ Appellant ] en Unigarant genoemd.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 19 april 2010 is [ Appellant ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar, onder zaak-/rolnummer 112757 / HA ZA 09-709 tussen [ Appellant ] als gedaagde en Unigarant als eiseres gewezen en uitgesproken op 20 januari 2010.

1.2 [ Appellant ] heeft bij memorie vier grieven geformuleerd en toegelicht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van Unigarant zal afwijzen, met veroordeling van Unigarant in de kosten van het geding in beide instanties.

1.3 Daarop heeft Unigarant geantwoord, een productie in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van [ Appellant ], naar het hof begrijpt, in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Ten slotte is arrest gevraagd op basis van de in beide instanties overgelegde stukken.

2. De feiten

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Aangezien deze feiten niet in geschil zijn, zal ook het hof daarvan uitgaan. Het gaat, mede gelet op hetgeen overigens uit de gedingstukken blijkt en niet of onvoldoende is weersproken, in deze zaak om het volgende.

(a) Op 5 oktober 2006 heeft te Alkmaar ter hoogte van de kruising van de Wildemanstraat met de Korte Vondelstraat een ongeval plaatsgevonden. Bij dit ongeval is een fietser aangereden door een auto. De bestuurder van de auto is na het ongeval doorgereden. De fietser heeft door het ongeval schade geleden.

(b) [ Appellant ] was op 5 oktober 2006 eigenaar van een [ automerk ] met het kenteken [ nummer ]. Voor de auto was op deze datum geen verzekering als bedoeld in artikel 2 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) afgesloten.

(c) Uit een proces-verbaal van verhoor van 10 oktober 2006 van de Politie Noord-Holland Noord blijkt dat de heer [ W ], voor zover hier van belang, de volgende verklaring heeft afgelegd: “ Op donderdag 5 oktober 2006 omstreeks 18.30 uur fietste ik over de Korte Vondelstraat in Alkmaar. (…) Toen ik net voor de kruising met de Baansingel was hoorde ik achter mij een auto hard remmen. (…) Toen ik omkeek zag ik nog net dat een lichtgrijze [ automerk ] een fietster schepte. Ik zag dat deze fietster op de motorkap van de [ automerk ] terecht kwam, dat de auto nog steeds remde, dat de fietster vervolgens van de motorkap afviel en op de weg terecht kwam. Vervolgens zag ik dat de auto hard achteruit ging, stopte en links om de fietster heen hard vooruit wegreed. Ik zag dat het kenteken van de [ automerk ] [ kentekennummer ] was.(…)”

(d) Uit een proces-verbaal van verhoor van 18 oktober 2006 van de Politie Noord-Holland Noord blijkt dat de heer F ], voor zover van belang, de volgende verklaring heeft afgelegd: “ (…)Ik weet over welke auto u het heeft. Ik weet dat de eigenaar van deze auto, [ Appellant ] de auto net op zijn naam had staan, vanaf 2 oktober. (…) Ik kreeg de auto van [ D ] op 2 oktober 2006 om de auto op te knappen. (…) Ik had de auto bij mij thuis, in [ plaatsnaam ] staan. Hier heb ik auto gerepareerd. Nadat ik de auto gemaakt had heb ik de auto uitgeleend aan ene [ H ]. [ H ] wou de auto mogelijk kopen.(…) Volgens mij was het op woensdag 4 oktober dat ik de auto uitgeleend had aan [ H ], (…). Op woensdag 11 oktober heb ik de auto bij [ H ] weer opgehaald want hij kon het geld niet rond krijgen. (…) De auto is dus van woensdag 4 oktober tot en met woensdag 11 oktober bij [ H ] geweest. Tussen deze data heb ik de auto helemaal niet gezien. (…) U vertelt mij dat de auto op 7 oktober 2006 bij mijn vader op de hoek stond. Ik zeg je dat ik absoluut niet weet hoe dat kan. Ik blijf erbij dat (het hof leest:) ik tussen 4 oktober en 11 oktober 2006 de auto niet bij mij heb gehad. (…)”

(e) Unigarant heeft aan de fietser in totaal een bedrag van

€ 8.477,72 uitgekeerd, bestaande uit de buitengerechtelijke kosten van ARAG (€ 665,20) en van Jurilex (€ 2.312,52) en een slotuitkering aan de fietser (€ 5.500,=).

3. Beoordeling

3.1 In eerste aanleg heeft Unigarant het hierboven onder 2.1 (e) bedoelde bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2008, welke tot 15 juni 2009 door haar is gesteld op € 620,15, alsmede de door haarzelf gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 833,= van [ Appellant ] gevorderd. Zij heeft daartoe gesteld dat de auto van [ Appellant ] bij het ongeval met de fietser op

5 oktober 2006 was betrokken en dat [ Appellant ] als eigenaar van de auto volledig aansprakelijk is voor de door Unigarant ingevolge artikel 13 WAM (na-risico) aan de fietser vergoede schade. Nu [ Appellant ] verzuimd heeft een WA-verzekering af te sluiten is zij op grond van artikel 15 lid 1 van de WAM gerechtigd de door haar uitgekeerde schade op [ Appellant ] te verhalen, aldus Unigarant. [ Appellant ] heeft betwist dat zijn auto bij het ongeval op 5 oktober 2006 was betrokken; subsidiair heeft hij de omvang van zijn aansprakelijkheid betwist en meer subsidiair heeft hij de redelijkheid van de buitengerechtelijke (incasso)kosten betwist.

3.2 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat Unigarant gemotiveerd en onderbouwd heeft uiteengezet dat de toentertijd aan [ Appellant ] toebehorende auto bij het ongeval met de fietser betrokken is geweest. Tegen de achtergrond van de verklaring van [ W ], die zij betrouwbaar acht, is de rechtbank van oordeel dat de betwisting van [ Appellant ] dat zijn auto bij het ongeval was betrokken onvoldoende gemotiveerd is. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat, ook uitgaande van eigen schuld van de fietser, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW meebrengt dat [ Appellant ] de volledige schade dient te dragen. De rechtbank heeft dat oordeel daarop gebaseerd, dat de handelwijze van de bestuurder van de auto (hard wegrijden na het ongeval zonder zich het lot van de fietser aan te trekken) zo kwalijk is dat de billijkheid eist dat alle schade voor rekening van [ Appellant ] behoort te komen. Tot slot heeft de rechtbank [ Appellant ] ook aansprakelijk geacht voor alle gemaakte buitengerechtelijke (incasso) kosten van Arag, Jurilex en Unigarant, nu de oorzaken van de hoogte van deze kosten aan hem zijn toe te rekenen en (ten aanzien van Unigarant) gebleken is dat er voldoende werkzaamheden zijn verricht om een veroordeling te rechtvaardigen. Met veroordeling in de proceskosten heeft de rechtbank [ Appellant ] veroordeeld om aan Unigarant te betalen een bedrag van € 9.930,87 vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 8.477,72 vanaf 15 juni 2009 tot de dag van volledige betaling.

3.3 Met de grieven 1 en 2 komt [ Appellant ] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zijn auto bij het ongeval op 5 oktober 2006 betrokken is geweest.

3.4 Deze grieven kunnen niet slagen. Ook naar het oordeel van het hof volgt uit de getuigenverklaring van [ E ] dat de aan [ Appellant ] toebehorende auto bij het ongeval op

5 oktober 2006 betrokken is geweest. De getuige geeft een gedetailleerde verklaring waarin hij verklaart dat hij zag dat een lichtgrijze [ automerk ] met het kenteken

[ nummer ] een fietser schepte. Deze gegevens stemmen overeen met de auto die toentertijd van [ Appellant ] was. Deze verklaring van een kennelijk belangeloze getuige is door [ Appellant ] niet voldoende weersproken. Anders dan [ Appellant ] aanvoert heeft deze getuige kennelijk al eerder dan

10 oktober 2006 met de politie contact gehad. [ Appellant ] verklaart immers zelf (zie productie 7 bij inleidende dagvaarding) dat er op 5 oktober 2006 een agent bij hem voor de deur stond in verband met een aanrijding, waarbij zijn auto betrokken zou zijn geweest. Bij gebreke van feiten die tot een ander oordeel nopen moet worden aangenomen dat de politie dus reeds kort na het ongeval contact met [ W ] heeft gehad. Niet gesteld of gebleken is immers dat de politie via een andere getuige aan de gegevens van [ Appellant ] is gekomen. Verder overweegt het hof dat, ook als er van zou moeten worden uitgegaan dat de auto geen sporen van schade vertoonde, zoals [ Appellant ] stelt, daarmee de verklaring van [ W ] niet is weerlegd. Bovendien stelt [ Appellant ] niet, noch is gebleken, dat het uitgesloten is dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden omdat er geen schade was.

3.5 Grief 3 klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van [ Appellant ] op eigen schuld faalt omdat de billijkheid eist dat alle schade voor zijn rekening dient te komen. Volgens [ Appellant ] is de rechtbank volledig voorbijgegaan aan zijn standpunt zoals verwoord in de conclusie van antwoord onder punt 2.2, dat de fietser (die geen voorrang gaf) voor 100% aansprakelijk is voor het ontstaan van het ongeval. Daarbij heeft de rechtbank artikel 6:101 lid 1 BW verkeerd toegepast door niet eerst de causaliteitsafweging te maken en pas daarna de billijkheidscorrectie bij haar oordeel te betrekken, aldus [ Appellant ].

3.6 Het hof overweegt dat (de advocaat van) [ Appellant ], in afwijking van hetgeen hij in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld, ter gelegenheid van de voor de rechtbank op 4 december 2009 gehouden comparitie van partijen het volgende heeft verklaard:“ (…)Als komt vast te staan dat het inderdaad de auto van [ Appellant ] is geweest, staat aansprakelijkheid voor 50% vast. Voor de resterende 50% is van belang dat de fietser voorrang had moeten verlenen.(…)” Het hof beschouwt deze uitlating ter zitting als een erkenning van aansprakelijkheid voor 50%, waarop [ Appellant ] (zonder nadere toelichting die ontbreekt) niet meer terug mag komen. Mede gelet op de overige omstandigheden van het geval (de fietser had voorrang moeten verlenen) gaat het hof er vanuit dat de gedragingen van de bestuurder van de auto van [ Appellant ] en de fietser in gelijke mate hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de schade. Unigarant heeft vervolgens een beroep gedaan op de billijkheidscorrectie daartoe stellende dat, gezien het door de fietser opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, volledige vergoeding van de schade op zijn plaats is. Het hof overweegt dat artikel 6:101 lid 1 BW de ruimte laat om tot een andere verdeling van de schade te komen, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Kennelijk heeft Unigarant een beroep gedaan op de laatstgenoemde correctiemogelijkheid in voormeld artikel. De rechtbank is daarin meegegaan met Unigarant. Ook het hof is van oordeel dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat [ Appellant ] volledig aansprakelijk is voor de door fietser geleden schade. Het onverzekerd besturen of laten besturen van zijn auto, die vervolgens betrokken is bij een ongeval, waarbij de bestuurder van de auto zich niet het lot aantrekt van de aangereden fietser, maar (kennelijk uit eigen belang) hard wegrijdt, is immers dermate onbehoorlijk dat de billijkheid eist dat alle schade voor rekening van [ Appellant ] behoort te komen. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van [ Appellant ] op eigen schuld (van de fietser) verworpen.

3.7 Grief 3 faalt derhalve.

3.8 Grief 4 ten slotte richt zich tegen de volledige toerekening aan [ Appellant ] van de door Unigarant aan Arag en Jurilex vergoede buitengerechtelijke kosten. In essentie stelt [ Appellant ] dat de buitengerechtelijke kosten nauwelijks zijn veroorzaakt door het niet WA-verzekerd zijn van de auto en onevenredig hoog zijn ten opzichte van de aan fietser uitgekeerde schadevergoeding. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte deze kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets onderworpen en vervolgens afgewezen, aldus [ Appellant ].

3.9 Het hof overweegt dat Unigarant ter gelegenheid van de bij de rechtbank gehouden comparitie heeft verklaard dat de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke kosten is gebaseerd op tussen rechtsbijstandverzekeraars en WAM-verzekeraars gemaakte afspraken. Bij memorie van antwoord heeft Unigarant een “Verklaring Buitengerechtelijke kosten” (hierna: de verklaring) overgelegd, alsmede een specificatie van de kosten van Arag en Jurilex. In de verklaring waar Unigarant zich kennelijk op beroept, is te lezen dat indertijd tussen rechtsbijstandsverzekeraars en WAM-verzekeraars is afgesproken dat bij afwikkeling van een schade, waarbij er sprake is van letsel, een maximale vergoeding van € 1.663,= wordt betaald. Voorts volgt uit die verklaring dat, wanneer het slachtoffer tussentijds besluit om geen gebruik meer te maken van diensten van de rechtsbijstandverzekeraar en overstapt naar een andere belangenbehartiger, de rechtsbij-standverzekeraar recht heeft op 40% van het afgesproken bedrag. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat Unigarant als WAM-verzekeraar gehouden was om (in totaal) meer dan de maximale vergoeding aan buitengerechte-lijke kosten van € 1.663,= te vergoeden. De omstandigheid dat het slachtoffer van belangenbehartiger is veranderd en zich na Arag vervolgens door Jurilex heeft laten bijstaan maakt dit niet anders. Bovendien valt niet in te zien waarom een dergelijke wijziging voor rekening van de aansprakelijke persoon zou moeten komen. Het hof is dan ook van oordeel dat aan [ Appellant ] als redelijke kosten voor - als zodanig niet voldoende weersproken verrichte - buitengerechtelijke werkzaamheden van Arag en Jurilex slechts een bedrag van

€ 1.663,= valt toe te rekenen, waarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 27 maart 2008. In zoverre is grief 4 terecht opgeworpen. Voor het overige faalt hij.

4. Slotsom en kosten

Aangezien de grieven falen, behoudens grief 4, zal het hof het vonnis waarvan beroep slechts vernietigen voor zover aan buitengerechtelijke kosten van Arag en Jurilex (in totaal) meer is toegewezen dan € 1.663,= met de daarover verschuldigde wettelijke rente. Het vonnis zal voor het overige, dus ook ten aanzien van de proceskosten worden bekrachtigd. [ Appellant ] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij tevens worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten van Arag en Jurilex (in totaal) meer is toegewezen dan een bedrag van

€ 1.633,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 maart 2008 tot de dag der voldoening en, in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst het te dien aanzien meer of anders gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor al het overige;

verwijst [ Appellant ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Unigarant gevallen, op € 420,= voor verschotten en

€ 632,= voor salaris van de advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs R.J.M. Smit, S.F. Schütz en

J. Blokland en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2011.