Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1936

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
200.075.289/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding. Gerechtvaardigd belang dat kennis niet ten voordele van concurrenten zou worden aangewend. Voldoende concrete aanwijzingen dat verplichtingen uit vaststellingsovereenkomst zijn geschonden. Ontbinding overeenkomst niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.075.289/01 SKG

8 maart 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. R.G. Snouckaert van Schauburg te Den Haag,

t e g e n

1. de vennootschap naar Duits recht MISCEA GMBH,

gevestigd te Augsburg, Duitsland,

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [woonplaats] , [land],

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. H.M. Rovers te Rotterdam.

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd en geïntimeerden gezamen-lijk Miscea c.s. en afzonderlijk Miscea, [geïntimeerde sub 2] en [ge-intimeerde sub 3].

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 6 oktober 2010 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank te Am-sterdam onder zaaknummer/rolnummer 464036 /KG ZA 10-1306 tussen hem als eiser en Miscea c.s. als gedaagde gewezen en op 9 september 2010 uitgesproken vonnis. De dagvaarding bevat de grieven.

[appellant] heeft tegen het vonnis één grief aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zijn vorderingen als verwoord in het slot van de appeldagvaarding alsnog zal toewijzen, met ver-oordeling van Miscea c.s. in de kosten van beide instanties.

Bij memorie hebben Miscea c.s. de grief bestreden, producties overge-legd en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Partijen hebben ter terechtzitting van 2 februari 2011 hun zaak mon-deling door hun advocaat doen toelichten, waarbij beide advocaten zich hebben bediend van aan het hof overgelegde pleitnotities.

Ten slotte hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen.

2. Feiten

De voorzieningenrechter heeft de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.15 opgesomde feiten in deze zaak tot uitgangspunt genomen. Omtrent deze feiten bestaat geen geschil, zodat zij ook het hof tot uitgangspunt zullen dienen.

3. Beoordeling

3.1. Kort weergegeven gaat deze zaak om het volgende:

(i) [appellant] heeft de Alfa innovations kraan ontwikkeld. In 2005 heeft hij deze kraan ondergebracht in Alfa Innovations GmbH, een door [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] gefinancierde vennoot-schap.

(ii) [appellant] heeft op 1 juni 2007 de intellectuele eigendomsrech-ten van de Alfa innovations kraan overgedragen aan Miscea (door naams-wijziging dezelfde rechtspersoon als Alfa Innovations GmbH, althans haar rechtsopvolger).

(iii) Op 18 juli 2007 hebben onder meer [appellant] en Miscea c.s. ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil een vaststellingsover-eenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst), die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

(..)

Artikel 2 Vergoedingen/betalingen

2.1 Miscea levert aan [appellant] de bestaande voorraad van het oude model inclusief alle onderdelen. Het betreft circa 350 gemonteerde kranen van type 2200, 2350 en 2250. [appellan] kan deze kranen voor eigen opbrengst en risico verkopen aan derden.

(..)

2.5 [appellant] ontvangt gedurende een periode van vijf jaar (60 maanden) beginnend 30 juni 2007,31 juli 2007,30 augustus 2007, enz. een vast bedrag van € 6.000 per maand. Alle mogelijke kosten en/of belastingen zijn voor rekening van [appellant]/[F.] (een besloten vennootschap van [appellant], hof).

(..)

Artikel 3 Intellectuele eigendom

3.1 De patenten, intellectuele eigendomsrechten, documenten en/of andere zaken die betrekking hebben op alfa innovations, Miscea en dochteronderne-mingen, voor zover op 1 juni 2007 op naam of in eigendom van [F.] of [ap-pellant]- worden door hen onvoorwaardelijk en onherroepelijk overgedragen aan Miscea GmbH bij ondertekening van deze overeenkomst.

3.2 Met betrekking tot de [in] artikel 2.1 benoemde kranen en onderdelen krijgt [appellant] het recht tot het gebruik van het beeldmerk en de han-delsnaam.

(..)

Artikel 4 Non-concurrentie

4.1 Het is [F.] en [appellant] niet toegestaan om direct of indirect, fi-nancieel of anderszins betrokken te zijn bij de fabricage van en/of de handel in de Alfa innovations / Miscea kranen, met uitzondering van de in artikel 2.1 benoemde 350 kranen, tenzij daartoe voorafgaande schriftelijke toestemming van Miscea is verkregen.

(iii) Op 20 januari 2009 heeft [appellant] de restvoorraad Alfa inno-vations kranen en onderdelen verkocht en geleverd aan Talpo Beheer B.V. (hierna: Talpo), die deze vervolgens heeft doorverkocht aan Alfa HygiCare B.V. (hierna: HygiCare). [M.] heeft een belang in deze beide vennootschappen.

(iv) Bij brief van 3 juni 2010 heeft (de advocaat van) Miscea c.s. de vaststellingsovereenkomst partieel (onder meer voor wat betreft de verplichtingen uit artikel 2.1 en 2.5) ontbonden op de gronden dat [appellant] handelt in strijd met artikel 4 daarvan en dat hij inbreuk maakt op de intellectuele eigendomsrechten inzake de Miscea-kranen. Miscea heeft daarna de maandelijkse betalingen aan [appellant] van € 6.000,- gestaakt.

(v) In het onderhavige kort geding vordert [appellant], samengevat, nakoming door Miscea c.s. met betrekking tot de in artikel 2.5 over-eengekomen maandelijkse betalingen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen op de grond dat verdere vast-stelling van de feiten in ieder geval noodzakelijk is met betrekking tot de vraag in hoeverre [appellant] bij de overdracht van oude kranen en voorraad onderdelen aan Talpo (en HygiCare) voldoende maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat deze vennootschappen, al dan niet met bijstand van [appellant], meer oude kranen op de markt zullen brengen dan de voorraad oude kranen, wellicht aangevuld met kranen die nog uit de oude voorraad onderdelen zouden kunnen worden samengesteld, en dat, zonder verdere kennis van de feiten, niet kan worden vastge-steld tot welke omvang van de betalingsverplichtingen Miscea na de ge-deeltelijke ontbinding van de overeenkomst gehouden is. Aan de aan toewijzing van een geldvordering in kort geding te stellen eisen is daarom, aldus de voorzieningenrechter, niet voldaan.

3.2. In de door hem aangevoerde grief bestrijdt [appellant], samenge-vat, dat hij het concurrentieverbod heeft overtreden en voert hij aan dat (in ieder geval) de partiële ontbinding naar zijn aard in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW en met het proportionaliteitsbeginsel als neergelegd in artikel 6:270 BW. Volgens [appellant] moet een belangenafweging tussen partij-en ertoe leiden dat zijn vorderingen in kort geding worden toegewezen.

3.3. Nu in dit geding de spoedeisendheid van de vordering vaststaat (onvoldoende is bestreden dat [appellant] in zijn inkomen afhanke-lijk is van de maandelijkse betalingen) en een eventueel restitutie-risico geen rol van betekenis speelt, staat ter beoordeling of de vordering van [appellant] tot betaling van de maandelijkse betalin-gen voldoende aannemelijk is. Dit zal het geval zijn wanneer naar het oordeel van het hof de kans dat Miscea c.s. in de bodemprocedure erin zal slagen aan te tonen dat zij de vaststellingsovereenkomst terecht (partieel) heeft ontbonden, zo gering is dat voorshands vol-doende aannemelijk is dat de rechter in die procedure tot het oor-deel zal komen dat [appellant] terecht aanspraak gemaakt op doorbe-taling van het bedrag van € 6.000,- per maand.

3.4. Naar het oordeel van het hof is de kans dat de partiële ontbin-ding door Miscea c.s. in een bodemprocedure stand zal houden stellig niet gering te achten. Het hof neemt daarbij de volgende voorshands voldoende gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking:

- Alfa HygiCare (die, zoals ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken, deze naam, inclusief het bestanddeel Alfa, draagt na de overdracht van de Alfa innovations kranen door [appellant] aan Talpo/HygiCare) produceert zelf al een kraan die zo goed als hetzelfde uiterlijk heeft als de Alfa innovations kraan (productie 4 Miscea c.s.);

- de domeinnaam www.alfa-hygicare.com is geregistreerd op naam van [appellant] (productie 9 Miscea). Op de desbetreffende website wordt de sterk op de Alfa innovations kraan gelijkende Alfa-kraan aangebo-den;

- bij e-mail van 25 mei 2010 heeft [M.] aan [geïntimeerde sub 3], voor zover van belang, het volgende geschreven:

“In navolging van ons telefonische gesprek bevestig ik hierbij dat ik en-kel kranen van de heer [appellant] gekocht heb. Verder heb ik met de heer [appellant] niets van doen enkel dat ik hem af en toe benader voor ad-vies.”

Het hof concludeert hieruit dat [appellant] als adviseur voor HygiCare optreedt. Oncontroleerbaar is of deze advisering slechts betrekking heeft op de restvoorraad kranen/onderdelen dan wel een ruimere omvang heeft;

- [appellant] heeft (naar het hof uit de overgelegde e-mails begrijpt: in het voorjaar 2010) met [M.] een zakenreis naar de Verenigde Staten gemaakt. Uit de overgelegde e-mails van [X] en [M.] (producties 13 en 14 Miscea) valt op te maken dat [appellant] zich daar direct bezig heeft gehouden met de verkoop van kranen. Op vragen van het hof tij-dens het pleidooi heeft [appellant] mede als achtergrond van zijn reis met [M.] naar Amerika gegeven dat de octrooirechten daar ‘abandoned’ waren, hetgeen doet vermoeden dat hij daar activiteiten heeft ontwik-keld die strijdig zijn met de nog bestaande en aan Miscea toebehorende (niet meer in Amerika geldende maar wel onder de vaststellingsovereen-komst vallende) octrooirechten;

- een e-mail van [B.](productie 6 Miscea), van het bedrijf Primofol dat, zoals het hof heeft begrepen, op enige wijze bij de assemblage van de Alfa innovations kranen is betrokken, vermeldt het volgende:

Ongeveer een half jaar geleden werd ik door [appellant] benaderd. Hij vertelde me: “we gaan de kraan weer maken “ (..) “Verder vroeg hij mij of ik nog tekeningen had van de alfakraan omdat mijn eigen tekeningen-pakket incompleet is.”

Deze aankondiging doet vermoeden dat [appellant] direct of indirect is betrokken bij de productie door HygiCare van Alfa-kranen hetgeen hem op grond van het concurrentiebeding is verboden. Wat betreft de teke-ningen moet worden geconstateerd dat [appellant] aan Miscea een on-juiste voorstelling van zaken heeft gegeven. In zijn e-mail aan [geïn-timeerde sub 2] van 14 maart 2008 (productie 2 Miscea) heeft [appel-lant] immers geschreven: “Ik heb alles nog eens goed nagekeken maar ik heb geen tekeningen (..) in mijn bezit, mochten deze op een of andere manier toch nog opduiken dan draag ik deze meteen aan je over”;

- terecht heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het, bij de overdracht van de restvoorraad aan Talpo/HygiCare, op de weg van [ap-pellant] had gelegen om erop toe te zien dat de verkrijger zijn/haar activiteiten zou beperken slechts tot die kranen/onderdelen. Deze ver-plichting vloeit voort uit het in artikel 6:248 lid 1 BW bepaalde. Dat [appellant] zich aan deze verplichting heeft gehouden is op geen enke-le wijze gebleken.

- op zichzelf is juist dat Miscea c.s. niet altijd even duidelijk is geweest ten aanzien van hetgeen [appellant] met betrekking tot de aan hem overgedragen 350 kranen met onderdelen was toegestaan. Desondanks moet [appellant] zich ervan bewust zijn geweest dat zijn bemoeiingen met de activiteiten van Talpo/HygiCare, een onmiskenbare concurrent van Miscea, gelet op het bepaalde in artikel 4 van de vaststellings-overeenkomst, de toets der kritiek niet kon doorstaan.

3.5. Naar het oordeel van het hof bestaan aldus voldoende concrete aanwijzingen dat [appellant] zijn verplichtingen uit de vaststellings-overeenkomst zodanig heeft geschonden dat Miscea c.s. daarop een par-tiële ontbinding kunnen gronden. Er bestaat onvoldoende grond om te oordelen dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, het beroep op de ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard-baar is dan wel dat de ontbinding niet proportioneel zou zijn. Met het concurrentiebeding heeft Miscea haar gerechtvaardigd belang willen be-schermen dat de kennis van [appellant] met betrekking tot het onderha-vige type van kranen niet ten voordele van concurrenten van Miscea zou worden aangewend. Daarmee is het recht op ontbinding, bij niet nakomen van deze verplichting, in beginsel gegeven. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel.

3.6. De grief treft derhalve geen doel. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant], als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger be-roep en begroot deze tot aan deze uitspraak aan de zijde van Miscea c.s. op € 314,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, E.E. van Tuyll van Se-rooskerken-Röell en J.H. Huijzer en in het openbaar door de rolraads-heer uitgesproken op 8 maart 2011.