Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
23-005597-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen, Bewijsoverweging, Veroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005597-08

datum uitspraak: 22 februari 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-529091-07 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

postadres: [adres], [woonplaats],

verblijfadres: [adres][woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 3 oktober 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 04 april 2007, te [woonplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van 170.980 euro voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit (enig) misdrijf;

feit 2:

hij op of omstreeks 04 april 2007 te [woonplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals/vervalst Engels rijbewijs, althans een rijbewijs van Groot-Brittannië, t.n.v. [naam] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat:

- het rijbewijs qua kleur, detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeenkomt met een origineel exemplaar en/of

- het rijbewijs op naam staat van [naam] en is voorzien van een foto van een persoon, terwijl die persoon niet [naam] (maar [naam2]) heet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt, reeds gelet op de in hoger beroep gevoerde verweren.

Gevoerde verweren

Ten aanzien van de rechtmatigheid van de doorzoeking.

De raadsman heeft, met een beroep op artikel 359a, eerste lid, sub b, Sv, bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde omdat de doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] onrechtmatig is geweest en de resultaten van deze doorzoeking dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt ten eerste aangevoerd dat in het dossier een vordering ex artikel 126nd Sv ontbreekt waarbij aan energiebedrijf Nuon is verzocht om gegevens te verstrekken omtrent de energielevering aan een woning aan de [adres] te [woonplaats].

Ten tweede ontbreken, in strijd met artikel 126 aa Sv, in het dossier de processen-verbaal en de andere voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend, die zijn verkregen door de uitoefening van één van de bevoegdheden genoemd in de titels IVA tot en met IVC Sv voor zover die voor het onderzoek van de zaak van betekenis zijn.

Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de van de Nuon afkomstige informatie onvolledig was en dat op het moment van aanvang van de doorzoeking het opsporingsteam ervan op de hoogte had moeten zijn dat de door de Nuon verstrekte informatie onjuist was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de vordering ex artikel 126nd Sv

In het kader van een opsporingsonderzoek genaamd "Ludovica" is, aan energiebedrijf Nuon (hierna: Nuon) verzocht gegevens te verstrekken over de energiecontracten van [naam3][naam][naam3] (hierna: [naam3]) en de energielevering aan de woning aan de [adres] te [woonplaats], omdat uit onderzoek was gebleken dat [naam3] op dat adres stond ingeschreven. De politie heeft van Nuon de informatie ontvangen dat [naam3] vanaf 23 mei 2005 vanaf haar girorekening maandelijks de energierekening betaalde voor het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. Het contract voor energielevering aan deze woning stond op naam van [verdachte]. Gerelateerd is voorts dat het verzoek aan Nuon op 30 maart 2007 is gedaan door twee vorderingen ex artikel 126nd Sv (proces-verbaal van aanvraag doorzoeking [adres] te [woonplaats], doorgenummerde pagina 16). De doorzoeking heeft plaatsgevonden op 4 april 2007 (proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina 19 e.v.).

Het hof overweegt dat uit het voorgaande blijkt dat de vorderingen ex 126nd Sv zijn gedaan in een opsporingsonderzoek dat was gericht op [naam3] [naam3]. Deze vorderingen bevinden zich niet in afschrift in het dossier betreffende de verdachte, zodat niet kan worden getoetst of deze vorderingen er zijn en of deze aan alle formaliteiten voldoen. Dat is een verzuim, dat mogelijk nog zou kunnen worden hersteld door het doen toevoegen daarvan aan het procesdossier. Het hof zal daar niet toe overgaan en aan dat verzuim geen consequenties verbinden, nu het belang dat artikel 126nd Sv in deze beoogt te beschermen, het belang is van [naam3] en niet dat van de verdachte. Het opsporingsonderzoek, waarbinnen de vorderingen ex artikel 126nd Sv zijn gedaan, was immers op [naam3] gericht en de vorderingen hebben betrekking op de woning die zij bewoonde en op de contracten die zij is aangegaan. De verdachte komt hier derhalve geen beroep toe op schending van rechtsnormen.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het argument van schending van artikel 126aa Sv

Het hof verwerpt dit argument omdat dit feitelijke grondslag ontbeert. Immers in het procesdossier is opgenomen het proces-verbaal " aanvraag doorzoeking woning [adres] te [woonplaats] " van 5 april 2007 dat gegevens bevat als bedoeld in artikel 126aa Sv.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de informatie voorafgaande aan de doorzoeking

Bij de beoordeling van de vraag of rechtmatig is binnengetreden dient te worden gekeken naar de informatie die op het moment van binnentreden beschikbaar was. De informatie bij aanvang van de doorzoeking kwam uit betrouwbare bron en leverde, in samenhang met overige in het onderzoek "Ludovica" vergaarde informatie, het redelijke vermoeden op dat de woning aan de [adres] werd gebruikt als opslagplaats voor waardevolle goederen. Op basis van al de verkregen informatie kon rechtens, onder leiding van de rechter-commissaris, worden overgegaan tot doorzoeking van die woning. De enkele ontkenning van de verdachte [naam3], ten aanzien van de betaling van de energierekening voor de woning aan de [adres] te [woonplaats], behoefde naar het oordeel van het hof voor de politie geen aanleiding te zijn om aan te nemen dat de verkregen informatie niet juist zou zijn. Dat de informatie achteraf onjuist blijkt te zijn, maakt het binnentreden niet alsnog onrechtmatig. De stelling van de raadsman dat het opsporingsteam op het moment van aanvang van de doorzoeking op de hoogte had moeten zijn van het feit dat de verstrekte informatie onjuist was, treft gezien het hiervoor overwogene geen doel.

Het verweer wordt verworpen.

Verzochte onderzoeksmaatregelen

Het verzoek om te doen onderzoeken of de foto op het aangetroffen rijbewijs die van [naam4] is wordt afgewezen omdat zulks niet noodzakelijk is, nu het hof niet bewezen zal verklaren dat het ging om een foto van [naam2]

Het verzoek om na te laten gaan of [naam4] een persoon was met criminele antecedenten wordt afgewezen omdat zulks niet noodzakelijk is, nu het hof, ook indien dat zo zou zijn, op grond daarvan niet aannemelijker zou achten dat de verdachte geen relatie had tot de aangetroffen goederen en geld en voorts, anders dan door de raadsman betoogd, het hof geen termen aanwezig acht om indien zulks zou worden vastgesteld hiermee bij een strafoplegging rekening te houden. Dit zou anders kunnen zijn indien het door de verdachte aangevoerde toegang geven aan andere personen dan hemzelf tot diens woning door hem slechts zou zijn gebeurd na selectie omtrent de betrouwbaarheid in crimineel opzicht, hetgeen niet door hem is gesteld, en waarvan evenmin is gebleken.

Gevoerde bewijsverweren

Salduz verweer

De raadsman heeft betoogd, dat de door de verdachte bij de politie op 5 april 2007 afgelegde verklaring dat hij als enige de woning bewoont dient te worden uitgesloten van bewijs, nu hij deze heeft afgelegd zonder uitdrukkelijk te hebben afgezien van het recht op bijstand door een advocaat.

Nu het hof zal deze verklaring niet voor het bewijs zal gebruiken kan dit verweer verder onbesproken blijven.

Algemeen verweer inzake het bewijs

De raadsman heeft bepleit dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de verdachte op 4 april 2007 een geldbedrag van 170.980,00 euro en een vals rijbewijs voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte van het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet zonder meer kan blijken dat er een relatie is tussen enerzijds het aangetroffen geldbedrag en rijbewijs en anderzijds de verdachte, en dat het zeer wel mogelijk is dat het ten laste gelegde geldbedrag en rijbewijs aan een ander toebehoren en in de woning van de verdachte zijn achtergelaten zonder dat de verdachte daar wetenschap van heeft gehad.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte is (medeplegen van) witwassen van een zeer groot contant geldbedrag ten laste gelegd. Het hof moet de vraag onderzoeken of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag voorhanden heeft gehad en dat hij wist dat dit geldbedrag door misdrijf is verkregen. Het hof neemt hierbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

In een woning aan de [adres] te [woonplaats] is op 4 april 2007 een geldbedrag van 170.980,00 euro aangetroffen. De verdachte heeft zowel bij de politie (verklaring van 14 november 2007, dossierpagina 11 en verder) als bij de rechter-commissaris verklaard dat hij de bewoner is van deze woning.

De woning betreft een huurwoning die in opdracht van de verdachte voor een bedrag van 12.000 a 13.000 euro is verbouwd en - naar het oordeel van de politie uitzonderlijk goed - is beveiligd, met rolluiken en beveiligingscamera's.

Het geldbedrag is aangetroffen in twee plastic zakken in een lade van een bureau in het kantoor van de woning van de verdachte. Het geld was systematisch gebundeld, de bankbiljetten van vijftig euro waren doorgaans gebundeld tot een bedrag van 5.000 euro en de twintig eurobiljetten tot een bedrag van 2.000 euro. Bij deze biljetten bevonden zich 4 biljetten van 500 euro (doorgenummerde dossierpagina 20 en 21). In dat kantoor zijn tevens diverse administratieve bescheiden (waaronder een kopie van een paspoort, instapkaarten en afsprakenkaarten van het Slotervaartziekenhuis) op naam van de verdachte en/of diens toenmalige echtgenote [naam5] aangetroffen (dossierpagina 22).

Tijdens de doorzoeking van de woning zijn ook aantekeningen en een 'kasboek' aangetroffen (dossierpagina 20). In het kasboek zijn kasstromen met zeer hoge geldbedragen -variërend van 17.500,- euro (minimum) tot 4.250.000 euro (maximum) - vermeld, met daarbij namen als "staartje", "joodj" en "grand h.". Voor het hof staat voldoende vast dat dit kasboek van de verdachte is, om de navolgende redenen. Het kasboek is aangetroffen in een woning die wordt gehuurd door de verdachte, en is aldaar aangetroffen op de eettafel. Op deze tafel zijn tevens diverse bescheiden met betrekking tot de verdachte aangetroffen, onder andere een vliegticket op naam van de verdachte en zijn toenmalige echtgenote, en een hotelrekening op naam van de verdachte en zijn toenmalige echtgenote voor een verblijf van 7 tot 10 februari 2007. De inhoud van het kasboek vermeldt voorts op meerdere plaatsen de voornaam van de toenmalige echtgenote van de verdachte (€ 1500 ticket [naam5], €10.000,- Dakar [naam5], pagina 124 dossier). Anders dan zijn verklaring in hoger beroep "daar weet ik niks van " heeft de verdachte nimmer weersproken dat het kasboek aan hem toebehoort.

Voorts is in een, op diezelfde tafel aangetroffen, notitie vermeld "plaats x was", "van loods naar x" en "moek naar x" met daarnaast geldbedragen met de tekst: "weg" dan wel: "is er nog"(dossierpagina 116 tot en met 118, 124 en 125). Op een notitie staat onder meer: "141 251 kleine bedragen" met voorts de tekst: "nu in kas € 292.500

buiten € 250.000" (dossierpagina 125).

De in het kasboek en in de notities vermelde bedragen staan in geen enkele verhouding tot de legale inkomsten van de verdachte, waaromtrent het hof het volgende heeft vastgesteld.

De verdachte heeft aan legale inkomsten volgens de belastingdienst in de jaren 2003 tot en met 2005 bedragen variërend van 5.800 tot 24.721,00 per jaar genoten. Uit informatie verkregen van de belastingdienst blijkt dat de verdachte twee bankrekeningnummers had. Het saldo van die rekeningen gezamenlijk varieerde van € 3.998 tot € 8.911 in 2006. Voorts had de verdachte nog twee bankrekeningen, met een saldo van € 3.925,08 respectievelijk € 7.446,13. De verdachte heeft ten aanzien van zijn inkomsten verklaard dat hij 1650 euro per maand verdiende toen hij werkte. Op het moment van verhoor, 14 november 2007, had hij geen werk.

Voorts acht het hof in het licht van zijn financiële situatie opmerkelijk dat de verdachte een aanzienlijk aantal auto's op zijn naam heeft gehad, en daarnaast ook nog auto's heeft gehuurd, dat er zijn vijftien telefoons en een semafoon in de woning zijn aangetroffen, dat de verdachte in korte tijd diverse vliegreizen heeft gemaakt en dat de verdachte op 8 november 2006 een auto heeft aangeschaft voor een bedrag van 14.500 euro, welk bedrag hij contant heeft betaald.

Er zijn vier uitdraaien met betrekking tot een cocaïnevangst in Kenia aangetroffen, hetgeen het hof relevant acht in verband met het feit dat de verdachte in het verleden een object heeft gehuurd en - naar zijn zeggen - onderverhuurd, dat als safehouse werd gebruikt. In deze woning is een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen.

Het hof stelt vast dat er geen direct bewijs is met betrekking tot de herkomst van het in de woning van de verdachte aangetroffen geld. De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn van dien aard, dat deze - in onderling verband beschouwd- zonder meer het vermoeden van witwassen door de verdachte rechtvaardigen. Gelet daarop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor het voorhanden zijn van het geld in zijn woning en voor de herkomst van het geld. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de bewoner is van het pand en dat hij niemand toestemming heeft gegeven om dat adres als postadres of anderszins te gebruiken. De verdachte heeft geen antwoord willen geven op de vragen waarom de woning zo goed beveiligd was, of hij wist dat er geld lag in de woning en wat de herkomst daarvan was. Eerst in hoger beroep heeft hij een verklaring afgelegd, inhoudende dat het geldbedrag er mogelijk door anderen buiten zijn medeweten is neergelegd en dat hij niets weet van de herkomst daarvan.

Deze, in een laat stadium van de strafzaak afgelegde, verklaring behelst naar het oordeel van het hof geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring. Degene aan wie de verdachte een sleutel zou hebben gegeven, [naam4], is inmiddels om het leven gebracht, terwijl de verdachte de naam van de andere persoon aan wie hij een sleutel zou hebben gegeven niet wil noemen. Nu de verdachte geen duidelijke en - min of meer- verifieerbare stelling heeft ingenomen omtrent de herkomst van het in zijn woning aangetroffen geld kan geen nader onderzoek worden verricht. Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is geenszins aannemelijk geworden dat de verdachte niets heeft geweten van het aangetroffen geldbedrag en de herkomst daarvan. Het hof is dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat het geldbedrag in zijn woning was en dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dienaangaande minst genomen in voorwaardelijke zin - opzettelijk heeft gehandeld.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan het ook niet anders zijn dan dat de verdachte weet had van het in de woning van de verdachte op de eettafel aangetroffen valse rijbewijs (dossierpagina 20).

Het verweer van de raadsman wordt, gelet op het bovenstaande, verworpen.

Voorts overweegt het hof nog het volgende:

Daar waar de raadsman heeft gesteld dat het merkwaardig is dat in het relaas proces-verbaal met betrekking tot het onderzoek naar de woning aan de [adres] te [woonplaats] als data is genoemd, 29 maart 2007 en 2, 3 en 4 maart 2007, merkt het hof op dat hier, gezien de overige stukken van het dossier, kennelijk sprake is van een schrijffout en dat evident is dat wordt bedoeld 29 maart 2007 en 2, 3 en 4 april 2007.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde -

hij op 4 april 2007 te [woonplaats] een geldbedrag van 170.980 euro voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde -

hij op 4 april 2007 te [woonplaats] opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals rijbewijs van Groot-Brittannië, t.n.v. [naam] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij, verdachte, wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande de valsheid of vervalsing hierin dat:

- het rijbewijs qua kleur, detaillering, gebruikt basismateriaal en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeenkomt met een origineel exemplaar en

- het rijbewijs op naam staat van [naam] en is voorzien van een foto van een persoon, terwijl die persoon niet [naam] heet.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde -

witwassen;

- ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde -

valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, en met verbeurd verklaring van een geldbedrag van in totaal 170.980,- euro.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met verbeurd verklaring van geldbedragen genoemd onder de nummers 1, 2 en 5A van de beslaglijst.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft een niet onaanzienlijk geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken.

De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een rijbewijs, waarvan hij wist dat het vals was. Hierdoor wordt het vertrouwen, dat in het bijzonder moet kunnen worden gesteld in van overheidswege verstrekte documenten, geschonden.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 januari 2011 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden alleszins passend. Gelet echter op het feit dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in de appèlfase, zal het hof deze straf matigen, rekening houdend met de mate van deze termijnoverschrijding.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf, waarvan een gedeelte voorwaardelijk, van na te melden duur passend en geboden. Het hof zal een kleiner gedeelte voorwaardelijk opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd, gelet op de ernst van - in het bijzonder - het onder 1 bewezen verklaarde.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen geldbedragen, die verdachte geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 bewezen verklaarde met betrekking tot die geldbedragen is begaan.

Het hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerp, dat aan verdachte toebehoort en bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, terwijl het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van

soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing van soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 225 en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

10 - 1.00 STK Rijbewijs 2004 3056515 serienr.83746118, Engels, tnv [naam] .

Verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten:

1 - Geld Nederlands 2x20,16x50, 5x100, 1x500, (3057021),

2 - Geld Nederlands 2x10, 90x20, (3057005),

5A - Geld Nederlands 167.320,00 euro (3057479).

Gelast de teruggave aan uitgevende instantie van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

9 - 1.00 STK Paspoort Kl: rood [documentnummer] serienr. [documentnummer], Iers, tnv [naam2], 25 - 1.00 STK Creditcard regnr. [rekeningnummer], tnv [naam5].

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3 - 1.00 DVS Papier 3056709 K03 div. bescheiden tnv [verdachte]/[naam5],

4 - 1.00 DVS Papier 3056716 K04 div. bescheiden/kopie paspoorten,

11 - 1.00 STK Papier 3056545,

12 - 1.00 STK Papier 3056548,

13 - 2.00 STK Papier 3056556,

14 - 4.00 STK Papier 3056562 W05 notities hotel Senegal/rekeningen a4 bladen,

15 - 2.00 STK Niet te definiëren goederen 3056564 Film/fotomateriaal/optiek,

26 - 1.00 STK Computer Kl: zwart SONY Vaio 3057069 en beeldscherm geïntegreerd W01.

Dit arrest is gewezen door de twaalfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.J. Bronkhorst en mr. C.N. Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. B. van der Werf, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 februari 2011.

Mr. C.N. Dalebout is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[verdachte], F.H. /23-005597-08 - 10 -