Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1597

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
10-00601
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het kenteken van de auto was voor de periode 10 juli 2009 tot en met 1 november 2009 op naam van belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten onrechte en zonder zijn medeweten op zijn naam was gesteld.

De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd. Gelet op artikel 18 Wet MRB heeft de rechtbank de naheffingsaanslag ten onrechte verminderd.

Het Hof oordeelt dat er geen sprake is van omstandigheden die buiten toedoen van belanghebbende zijn ontstaan en waarop hij geen invloed kon uitoefenen: geen afwezigheid van alle schuld. Boete passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 1
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 6
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 7
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 10
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 14
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 15
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 18
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1905
V-N 2011/43.19.24
FutD 2011-1775
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P10/00601

7 juli 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie/Apeldoorn,

de inspecteur,

en op het incidenteel hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 10/174 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2009 aan belanghebbende voor het tijdvak 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend op € 380. Bij beschikking is een boete van € 45 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar ingediend. Bij uitspraak van 8 januari 2010 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 13 augustus 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd, de boete tot nihil verminderd, de naheffingsaanslag verminderd tot een berekend over de periode 26 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 23,26 en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 te vergoeden.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 7 september 2010. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende was blijkens de kentekenregistratie van 10 juli 2009 tot en met 1 november 2009 houder van een personenauto van het merk Peugeot met het kenteken 00-00-00 (hierna: de auto). Op 3 augustus 2009 is voor het tijdvak 10 juli 2009 tot en met 25 augustus 2009 motorrijtuigenbelasting voor de auto betaald.

2.2. De inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 25 augustus 2009 een rekening motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009 gestuurd. Omdat de op deze rekening vermelde belasting op 26 september 2009, de uiterste betaaldatum, niet was betaald is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.3. Ter zake van door belanghebbende voor zijn motor met het kenteken 00-00-01 verschuldigde motorrijtuigenbelasting waren aan belanghebbende op respectievelijk 21 oktober 2008, 27 januari 2009, 23 april 2009 en 21 juli 2009 naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting en boetebeschikkingen opgelegd.

2.4. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is met inachtneming van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna Awr) en §33 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna BBBB 1998) een verzuimboete opgelegd van € 45, voor niet tijdige betaling, waarbij is uitgegaan van de omstandigheid dat sprake is van een tweede of volgend verzuim.

2.5. De naheffingsaanslag is opgelegd over het tijdvak 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009. Bij beschikking van 19 november 2009 is teruggaaf verleend van € 102, zijnde de belasting over de periode 2 november 2009 tot en met 25 november 2009.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep gegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, het volgende heeft overwogen:

“4.2. Vaststaat dat eiser (Hof: belanghebbende) vanaf 10 juli 2009 tot en met 31 oktober 2009 kentekenhouder was van het motorrijtuig. Vast staat voorts dat eiser het belastingbedrag over de onderhavige periode niet (tijdig) heeft betaald. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd. Dat de garage eiser heeft laten inschrijven als houder van de auto terwijl hij geen eigenaar was doet daar niet aan af. Voor matiging van het belastingbedrag als coulance in verband met de bijzondere situatie, zoals door eiser gesteld, laat de wet geen ruimte.

4.3. De rechter constateert wel dat de naheffingsaanslag ziet op de periode 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009. Gelet op het feit dat eiser slechts tot en met 31 oktober 2009 houder was van het motorrijtuig is de periode waarover is nageheven niet juist. Het beroep is dan ook in zoverre gegrond.

4.4. Ingevolge artikel 14 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB) moet de motorrijtuigenbelasting op aangifte worden voldaan. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet MRB moet in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 1959 (de AWR) de belasting zijn betaald bij de aanvang van het tijdvak. Indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in samenhang met artikel 67c, eerste lid, van de AWR een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 33, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR, indien het bedrag niet uiterlijk op de uiterste betaaldatum is voldaan, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, respectievelijk vierde/volgend verzuim. Van een dergelijk verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, eerder in verzuim is geweest.

4.5. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven.

4.6. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van avas. Een beroep op avas kan worden gehonoreerd als belanghebbende stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de Belastingdienst zou zijn bijgeschreven. De rechtbank acht eisers stelling, dat hij er niet van op de hoogte kon zijn dat hij motorrijtuigenbelasting moest voldoen omdat hij meende niet de houder te zijn van het betreffende motorrijtuig geloofwaardig. Daarmee is eisers stelling naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt. Dat eisers dochter een eerdere rekening motorrijtuigenbelasting voor het betreffende motorrijtuig heeft betaald leidt niet tot de conclusie dat eiser op de hoogte was van de belastingplicht. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van avas. De boete zal dan ook worden vernietigd.”

4. Geschil in hoger beroep en in incidenteel hoger beroep

4.1. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is verminderd. Voorts is in geschil of de boete terecht is verminderd tot nihil.

4.2. In incidenteel hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Toepasselijke regelgeving

6.1. Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet)

Artikel 1

1. Onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ wordt een belasting geheven ter zake van:

a. het houden van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel of een vrachtauto;

(…)

Artikel 6

De belasting voor een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel en een vrachtauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt.

Artikel 7

1. Een motorrijtuig - welk begrip in dit hoofdstuk uitsluitend omvat een motorrijtuig als bedoeld in artikel 6 - wordt gehouden door degene:

a. op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994;

(…)

Artikel 10

Het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald is drie maanden.

(…)

Artikel 18

1. Teruggaaf van belasting wordt verleend over het nog niet verstreken deel van het lopende tijdvak alsmede over de nog niet aangevangen tijdvakken op het tijdstip waarop het motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven van houder wisselt dan wel het houderschap daarvan wordt beëindigd.

(…)

4. De inspecteur stelt de teruggaaf vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

(…)

6. Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt een maand gesteld op dertig dagen.

6.2. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

i. kentekenregister: register, bedoeld in artikel 42;

(…)

Artikel 42

1. Er is een kentekenregister. Dit register is een basisregistratie.

2. De Dienst Wegverkeer is de beheerder van het kentekenregister en verantwoordelijke als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens.

3. In het kentekenregister verwerkt de Dienst Wegverkeer gegevens omtrent motorrijtuigen en aanhangwagens waarvoor een kenteken is opgegeven en de tenaamstelling van die kentekens, alsmede omtrent andere motorrijtuigen en aanhangwagens.

4. Het verzamelen van de gegevens, bedoeld in het derde lid, geschiedt voor de volgende doeleinden:

a. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens deze wet en voor de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften,

b. voor een goede uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (…) en voor de handhaving van het bepaalde bij of krachtens die wettelijke regelingen, en (…).

6.3. Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 67c

1. Indien de belastingplichtige (…) de belasting welke op aangifte moet worden voldaan (…), niet (…) heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen.

(…)

6.4. Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998

§ 33

1. Voor de motorrijtuigenbelasting wordt niet voor elk tijdvak afzonderlijk aangifte gedaan. De aanvraag voor afgifte van een kentekenbewijs dan wel om wijziging van de tenaamstelling van het motorrijtuig geldt als aangifte. Deze aangifte geldt, zolang het motorrijtuig niet van houder wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden.

Om aan de houder kenbaar te maken dat, hoeveel en voor welk tijdvak belasting voor het motorrijtuig verschuldigd is, zendt de inspecteur aan de houder een rekening met daarop het verschuldigde belastingbedrag. Op de rekening vermeldt de inspecteur een uiterste betaaldatum, waarop het bedrag moet zijn betaald. Deze datum kan liggen na de datum van aanvang van het tijdvak. Indien het verschuldigde bedrag geheel of gedeeltelijk niet op de betaaldatum is voldaan, is sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR.

2. In geval van een betalingsverzuim legt de inspecteur een boete op van één procent van het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest (…).

(…)

7. Beoordeling van het geschil

Vooraf

7.1. Belanghebbende heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld, welk incidenteel hoger beroep in eerste instantie door het Hof aanvankelijk niet is onderkend. De inspecteur is daardoor niet voorafgaand aan de zitting in de gelegenheid gesteld te reageren op dit incidenteel hoger beroep. Nu de inspecteur ter zitting uitgebreid de gelegenheid heeft gehad te reageren en verder gesteld noch gebleken is dat de inspecteur door deze gang van zaken in zijn procespositie is geschaad, zal het Hof aan deze procedurele tekortkoming voorbijgaan.

Met betrekking tot de naheffingsaanslag

7.2. Het Hof behandelt eerst het incidentele hoger beroep, omdat dit de juistheid van de naheffingsaanslag als zodanig betreft.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag niet terecht is, omdat hij nooit eigenaar van de auto is geweest.

7.3. Dienaangaande is het Hof van oordeel dat, nu het kenteken van de auto voor de periode 10 juli 2009 tot en met 1 november 2009 op naam van belanghebbende was gesteld, de in het geding zijnde naheffingsaanslag op grond van het bepaalde in de artikelen 1, 6 en 7 van de Wet terecht aan belanghebbende is opgelegd.

7.4. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende, dat de garage waar hij de auto heeft gekocht de auto ten onrechte en zonder zijn medeweten op zijn naam heeft gesteld, geldt dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat een auto niet zonder machtiging van belanghebbende door de garagehouder op diens naam kan zijn gesteld. Deze stelling van belanghebbende faalt derhalve.

De stelling van belanghebbende dat de auto altijd heeft behoord tot de bedrijfsvoorraad van de garage waar hij de auto had gekocht heeft de inspecteur gemotiveerd weersproken. Uit de gegevens van de belastingdienst, afkomstig van de Dienst Wegverkeer (RDW), blijkt dat de auto eerst op 2 november 2009 wederom in de bedrijfsvoorraad van de garagehouder is opgenomen. Ook deze stelling kan belanghebbende daarom niet baten.

De stelling van belanghebbende dat hij, om de foutieve tenaamstelling te laten veranderen, op 25 augustus 2009 contact met de garage heeft opgenomen, leidt evenmin tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit contact niet valt te verifiëren geldt dat dit contact er niet in heeft geresulteerd dat belanghebbende niet langer als houder van de auto stond geregistreerd. Het Hof concludeert dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.

Met betrekking tot het tijdvak van de naheffingsaanslag

7.5. In hoger beroep stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de rechtbank de naheffingsaanslag ten onrechte heeft verminderd met de aan de periode 1 tot en met 25 november 2009 toe te rekenen belasting.

Vaststaat dat de naheffingsaanslag is opgelegd over het tijdvak 26 augustus 2009 tot en met 25 november 2009. Vanwege de beëindiging van het houderschap van belanghebbende per 2 november 2009 is bij beschikking van 19 november 2009 aan belanghebbende, op de voet van artikel 18 van de Wet, een teruggaaf van belasting ad € 102 verleend over het niet verstreken deel van het lopende tijdvak, te weten 2 november 2009 tot en met 25 november 2009. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dit bedrag van € 102 te hebben ontvangen.

7.6. Het onder 7.5. overwogene betekent dat het hoger beroep van de inspecteur in zoverre gegrond is. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voorziet de Wet niet in een wijziging van het tijdvak van de naheffingsaanslag, dat ingevolge artikel 10 van deze wet op drie maanden is bepaald. Artikel 18 voorziet in een teruggaaf voor het niet verstreken deel van een tijdvak en deze teruggaaf is verleend.

Met betrekking tot de boete

7.7. Vaststaat dat de belanghebbende de belasting niet heeft betaald. De inspecteur heeft wegens het niet betalen van de belasting een boetebeschikking op grond van artikel 67c van de Awr vastgesteld. Gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in het aan het onderhavige tijdvak voorafgaande jaar meerdere malen in verzuim is geweest, zoals door de inspecteur gemotiveerd is gesteld en het Hof aannemelijk acht, heeft de inspecteur, met inachtneming van paragraaf 33 van het BBBB 1998 een verzuimboete van € 45 opgelegd.

7.8. De inspecteur voert in hoger beroep aan dat de rechtbank de boetebeschikking ten onrechte heeft vernietigd omdat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld (AVAS).

7.9. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde stelling van de inspecteur dat medewerking van degene op wiens naam de auto wordt gesteld, nodig is voor de tenaamstelling, niet aannemelijk gemaakt dat geheel buiten hem om de auto op zijn naam is gesteld. Derhalve is er geen sprake van omstandigheden die buiten toedoen van belanghebbende zijn ontstaan en waarop hij geen invloed kon uitoefenen. Er is naar ’s Hofs oordeel geen sprake van AVAS. De inspecteur heeft de boetebeschikking terecht vastgesteld en het Hof acht de opgelegde boete passend en geboden.

Slotsom

7.10. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, dat het incidentele hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9 Beslissing

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep, zowel wat betreft de boetebeschikking als wat betreft de naheffingsaanslag, ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A.P.M. van Rijn, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 7 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.