Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1274

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
10/00680
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu niet is gebleken van een samenhangende zaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaat geen grond voor de door de rechtbank toegepaste halvering van voormeld bedrag.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 3, geldigheid: 2011-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 2130 met annotatie van Sitsen
FutD 2011-1705
V-N Vandaag 2011/1929
V-N 2011/50.7

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P10/00680

7 juli 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

A B.V., gevestigd te B, belanghebbende,

gemachtigde M,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 09/4270 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 28 augustus 2007 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tweede kwartaal van 2007 voor een bedrag van € 1.187. Tegelijkertijd is een boete vastgesteld van € 11.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 30 maart 2009 de aanslag vernietigd. Het verzoek van belanghebbende om toekenning van een kostenvergoeding voor de kosten van de bezwaarprocedure heeft de inspecteur afgewezen.

1.3. Bij uitspraak van 31 augustus 2010 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze ziet op de afwijzing van het verzoek om proceskosten,

de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de bezwaarprocedure van belanghebbende ten bedrage van € 161, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de beroepsprocedure van belanghebbende ten bedrage van € 322, en de Staat der Nederlanden gelast het betaalde griffierecht van € 297 te vergoeden.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 12 oktober 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof verwijst naar de door de rechtbank vastgestelde feiten.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft overwogen, voor zover hier van belang:

“De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder (Hof: de inspecteur) te veroordelen in de kos¬ten die eiseres (Hof: belanghebbende) in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op de helft van € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). “

4. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de proceskostenvergoeding door de rechtbank tot het juiste bedrag is vastgesteld.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Gelet op de verrichte proceshandelingen is de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand door de rechtbank met juistheid berekend op € 644.

6.2. Nu niet is gebleken van een samenhangende zaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaat geen grond voor de door de rechtbank toegepaste halvering van voormeld bedrag. Het Hof merkt daarbij op dat de zaak met rechtbanknummer AWB 09/906 niet als samenhangende zaak in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt, reeds omdat de rechtbank het beroep in die zaak ongegrond heeft verklaard en de regeling voor samenhangende zaken slechts toepassing kan vinden indien sprake is van meerdere zaken waarbij in elk van die zaken een vaststelling van kosten dient plaats te vinden (Hoge Raad 19 december 2008, nr. 44 041, LJN BG7294).

Slotsom

6.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover deze de proceskosten betreft.

7. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 (beroepschrift en zitting) x € 437 x 1 (wegingsfactor) = € 874.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de proceskosten betreft;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de procedure bij de rechtbank tot een bedrag van € 644;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de procedure bij het Hof tot een bedrag van € 874;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 448 te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 7 juli 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.