Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1222

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
08/00757 en 08/00758
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW4147, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW4147
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Let op: met partijen is afgesproken deze uitspraak niet te anonimiseren.

In geschil is of de heffingsambtenaar bevoegd is de navorderingsaanslagen op te leggen. Volgens belanghebbende is dit niet het geval omdat de eerder opgelegde waardebeschikkingen en aanslagen nog rechtskracht hebben. Het Hof komt echter tot de slotsom dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 18a
Wet waardering onroerende zaken 25
Wet waardering onroerende zaken 19
Wet waardering onroerende zaken 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1643
V-N Vandaag 2011/1859
Belastingblad 2011/1019 met annotatie van Van der Burg
FutD 2011-1704
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00757 en 08/00758

9 juni 2011

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap WTC Amsterdam Zuidplein te Amsterdam,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 07/3971 en 07/3972 van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 juli 2006 voor het jaar 2003 ter zake van de onroerende zaak in aanbouw Strawinskylaan 1999 + Zuidplein 12 t/m 218 even, een navorderingsaanslag onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) opgelegd ten bedrage van € 112.625,24 en een navorderingsaanslag onroerende-zaakbelastingen (gebruikersbelasting) ten bedrage van € 90.038,31.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaarschriften ingediend. Bij uitspraken van 10 mei 2007 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren gegrond verklaard en de aanslagen verminderd tot onderscheidenlijk € 106.197,00 en € 84.899,25.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 2 juni 2008 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 juli 2008 en aangevuld bij brief van 9 september 2008. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Partijen hebben verklaard in te stemmen met publicatie in ongeanonimiseerde vorm.

2. Feiten

2.1.1. De rechtbank heeft in onderdeel 2 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt door de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

2.1. Bij beschikkingen van 11 december 2005 heeft verweerder op grond van artikel 25 juncto 19, tweede lid, Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) met ingangsdatum 1 januari 2003 en naar waardepeildatum 1 januari 1999 de waarde vastgesteld van 27 door hem onderscheiden onroerende zaken in het (kantoor)gebouw in aanbouw aan de Strawinskylaan 1999 (laagbouw bouwlaag 1 t/m 6) en Zuidplein 12 en 28 t/m 218 (bouwlagen 0 t/m 26) te Amsterdam.

2.2. Bij gecombineerd aanslagbiljet met dagtekening 31 december 2005 heeft verweerder aan eiseres voor belastingjaar 2003 27 aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor de eigenaar en 27 aanslagen voor de gebruiker opgelegd.

2.3. Nadat eiseres tegen de beschikkingen en aanslagen bezwaar had gemaakt, heeft verweerder in de persoon van mr. B. Brekveld bij brief van 28 juni 2006 aan eiseres meegedeeld:

“(…). Een (kantoor)pand vormt voor de periode in aanbouw één zelfstandig WOZ-object. Als gevolg hiervan zal [verweerder] het bezwaarschrift van [eiseres] toewijzen. De waardebeschikkingen zullen worden vernietigd wegens foutieve objectafbakening. Nadien zal [verweerder] een nieuwe waardebeschikking per 1 januari 2003 vervaardigen. Hierbij zal één zelfstandig WOZ object worden afgebakend. (…) Voor de periode in aanbouw zal de eigenaar tevens worden aangemerkt als de gebruiker.(…).”

2.4. Bij brief van 30 juni 2006 met onderwerp “Uitspraak op bezwaarschrift kennisgeving waardebeschikking” heeft verweerder aan eiseres onder meer meegedeeld:

“(…).Onder verwijzing naar de brief van de heer mr. B. Brekveld aan uw gemachtigde (…) wordt uw bezwaarschrift tegen de objectafbakening toegewezen. Bijgaand treft u een exemplaar van deze brief aan.”

In de bijlage zijn de eerder afzonderlijk afgebakende onroerende zaken vermeld met daarachter de opmerking: “Soort bezwaar: Objectafbakening; Beslissing: Gegrond.”

2.5. Bij “Kennisgeving van ambtshalve vermindering Gecombineerd Aanslagbiljet 2003” met dagtekening 3 juli 2006 heeft verweerder de eerder opgelegde aanslagen voor de 27 onroerende zaken alle verminderd tot nihil.

2.6. Bij beschikkingen van 23 juli 2006 gericht aan eiseres als eigenaar en gebruiker heeft verweerder op grond van artikel 25 juncto 19, tweede lid, Wet WOZ met ingangsdatum 1 januari 2003 en naar waardepeildatum 1 januari 1999 de waarde vastgesteld van het als één onroerende zaak aangemerkte (kantoor)gebouw in aanbouw aan de Strawinskylaan 1999 plus Zuidplein 12 t/m 218 te Amsterdam.

2.7. Vervolgens zijn de thans in het geding zijnde aanslagen opgelegd.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is evenals bij de rechtbank in geschil of de heffingsambtenaar bevoegd is de navorderingsaanslagen op te leggen. In hoger beroep heeft belanghebbende de bij de rechtbank subsidiair aangevoerde stelling over de belastingplicht voor de gebruikersbelasting ingetrokken.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting.

4. Het oordeel van de rechtbank

Omtrent het geschil heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende overwogen (waarbij belanghebbende als eiseres en de heffingsambtenaar als verweerder is aangeduid):

4.1. Niet is in geschil dat de (navorderings)aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2003 voor het als één onroerende zaak afgebakende object zijn opgelegd meer dan drie jaren na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan en dat er geen nieuw feit is in de zin van artikel 16 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), dat navordering binnen de vijfjaarstermijn rechtvaardigt.

4.2. Verweerder heeft aangevoerd dat hij bevoegd is tot navordering over te gaan op grond van artikel 18a AWR en dat er daarom geen nieuw feit hoeft te zijn.

4.3. Eiseres voert aan dat het niet mogelijk is aan de hand van een beschikking op grond van artikel 25 Wet WOZ na te vorderen op grond van artikel 18a AWR. Zij stelt dat in de jurisprudentie en literatuur het andersluidend standpunt van verweerder meermalen is ontkracht. Zij verwijst naar de annotator Snoijink bij het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (BNB 2003/270; “Schiphol”). De annotator heeft, aldus eiseres, geschreven dat navordering op grond van een artikel 25 Wet WOZ-beschikking niet kan vallen onder artikel 18a AWR. In het zogenoemde Gemeentegrenscorrectiearrest (8 augustus 2003, BNB 2003/335), zo voert eiseres voorts aan, heeft de Hoge Raad overwogen dat de bevoegdheid tot het met inachtneming van een op grond van artikel 25 Wet WOZ gegeven beschikking vaststellen van een belastingaanslag is gebonden aan de vervaltermijnen van de artikelen 11 en 16 AWR. In de memorie van toelichting bij de Wet WOZ (kamerstukken II, 22.885) is ook overwogen dat artikel 18a AWR alleen van toepassing is, indien er sprake is van navordering op grond van een herzieningsbeschikking op grond van artikel 27 Wet WOZ of op grond van een (nieuwe) beschikking op grond van artikel 22 Wet WOZ, aldus eiseres.

4.4. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.5. Artikel 18a AWR luidde in 2007 als volgt:

“1. Indien een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling van de waarde, welke ingevolge een wettelijk voorschrift ten grondslag heeft gelegen aan de heffing van belasting, is herzien met als gevolg dat:

a. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, dan kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen;

b. een aanslag of navorderingsaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf ten onrechte niet of tot een te laag bedrag is verleend, dan vernietigt de inspecteur de ten onrechte vastgestelde aanslag of navorderingsaanslag dan wel vermindert hij de aanslag of navorderingsaanslag, onderscheidenlijk verleent hij alsnog de in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing of teruggaaf.

2. Het vaststellen van de navorderingsaanslag, onderscheidenlijk het nemen van de beschikking tot vernietiging, vermindering, ontheffing of teruggaaf op de voet van het eerste lid geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop de beschikking of uitspraak strekkende tot de herziene vaststelling van de waarde onherroepelijk is geworden. Eerstbedoelde beschikking is voor bezwaar vatbaar.

3. (…)

4. Indien aan de heffing van belasting een aan een onroerende zaak toegekende waarde ten grondslag ligt en met betrekking tot die onroerende zaak voor een voor die heffing van belang zijnd kalenderjaar een waarde wordt vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.”

Met ingang van 2007 is een nieuw derde lid, dat voor de onderhavige beoordeling niet van belang is, ingevoegd en is het voordien als 3 genummerde lid vernummerd tot vierde lid.

4.6. In zijn arrest van 9 mei 2003 (BNB 2003/270; “Schiphol”) heeft de Hoge Raad onder 3.7.2 overwogen:

"Voor het geval het verwijzingshof tot het oordeel komt dat bij het geven van de waardebeschikkingen is uitgegaan van een onjuiste objectafbakening in die zin dat ten onrechte verschillende objecten zijn onderscheiden voor elk waarvan een beschikking is gegeven, terwijl voor de toepassing van de Wet WOZ van één groter object had moeten worden uitgegaan, waarvoor één beschikking had moeten worden gegeven, heeft het volgende te gelden.

In deze situatie - welke verschilt van de situaties welke aan de orde waren in de arresten van de Hoge Raad van 27 september 2002, nrs. 34 927 en 34 928, BNB 2002/375 en 376, en van 8 november 2002, nr. 36 941, BNB 2003/46 - zal het verwijzingshof de afzonderlijke waardebeschikkingen moeten vernietigen.

In een dergelijk geval kan, anders dan in de gevallen waarop de evenvermelde arresten betrekking hebben, de onjuiste afbakening derhalve niet in bezwaar of beroep door de ambtenaar van de gemeente of de belastingrechter worden aangepast. De ambtenaar van de gemeente kan evenwel voor het juist afgebakende object een nieuwe waardebeschikking geven.

Aanslagen in de onroerendezaakbelastingen die zijn vastgesteld op basis van dergelijke onjuiste waardebeschikkingen - zodat ook daarbij van een onjuiste objectafbakening is uitgegaan -, gelden als ten onrechte vastgestelde aanslagen in de zin van artikel 18a, lid 1, van de AWR, en zullen door de ambtenaar van de gemeente binnen acht weken na de vernietiging van de desbetreffende waardebeschikkingen eveneens moeten worden vernietigd.

Binnen de termijn van artikel 11, lid 3, van de AWR kunnen - eventueel tot behoud van rechten, indien tegen de aanvankelijk gegeven beschikkingen een rechtsmiddel is aangewend - ter zake van het juist afgebakende object nieuwe aanslagen in de onroerendezaakbelastingen worden opgelegd (vgl. rechtsoverweging 3.4 van HR 8 juli 1992, nr. 28 262, BNB 1992/311), hetzij naar de bij een - eventueel al tot behoud van rechten gegeven - nieuwe waardebeschikking vastgestelde waarde, hetzij naar de met toepassing van artikel 220d, lid 4, van de Gemeentewet vastgestelde waarde.

Indien de termijn van artikel 11, lid 3, van de AWR is verstreken, kan naar aanleiding van een voor het juist afgebakende object gegeven nieuwe waardebeschikking op de voet van het bepaalde in artikel 18a, lid 3, van de AWR de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Daarbij is nog het volgende van belang. Uit artikel 18a, lid 2, van de AWR volgt dat de desbetreffende navorderingsaanslag moet worden opgelegd binnen acht weken nadat de nieuwe waardebeschikking onherroepelijk is geworden. In de wet is evenwel geen termijn opgenomen waarbinnen, op straffe van nietigheid van de nieuwe beschikking, van de bevoegdheid tot het geven van een nieuwe waardebeschikking gebruik moet worden gemaakt. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt echter mee dat de nieuwe beschikking moet worden gegeven binnen een redelijke termijn na de (onherroepelijke) vernietiging van de aanvankelijk gegeven waardebeschikkingen. Het bepaalde in de artikelen 4:13, lid 2, en 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht is hierbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder aanvrager de belanghebbende is te verstaan en onder de ontvangst van de aanvraag de vernietiging van de aanvankelijk gegeven waardebeschikkingen."

4.7. De door de Hoge Raad gegeven uitleg - de rechtbank ziet geen grond de Hoge Raad niet te volgen - van 18a AWR geldt, anders dan eiseres heeft aangevoerd, ook voor de situatie waarin in eerste instantie op basis van artikel 25 juncto artikel 19, tweede lid, Wet WOZ, zoals die luidden voor het tijdvak 2001-2005, een of meer waardebeschikking(en) zijn afgegeven waarbij is uitgegaan van ten onrechte te klein afgebakende onroerende zaken, en waarop eerdere aanslagen waren gebaseerd. In artikel 18a, eerste lid, AWR wordt verwezen naar alle beschikkingen in hoofdstuk IV Wet WOZ en is geen onderscheid gemaakt tussen gevallen waarin de oorspronkelijke aanslag of aanslagen waren gebaseerd op een artikel 22-beschikking of een artikel 25-beschikking. De rechtbank ziet overigens ook geen rechtvaardiging voor een andere behandeling van aanslagen voor delen van tijdvakken waarin op grond van artikel 19, tweede lid, Wet WOZ een nieuwe beschikking ex artikel 25 Wet WOZ behoorde te worden en ook feitelijk is gegeven en aanslagen op basis van de waardebeschikking ex artikel 22 Wet WOZ. Niet valt immers in te zien dat in het geval een eerder gegeven artikel 25-beschikking in bezwaar of beroep wordt verminderd of met toepassing van artikel 27 Wet WOZ wordt aangepast, de voordien opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting, de waterschapsbelasting of onroerende-zaaksbelastingen niet zouden behoren te worden aangepast. Uit de aangehaalde passage uit het zogenoemde Grenscorrectiearrest valt niet af leiden dat de Hoge Raad een andere benadering voorstaat. Of de annotator Snoijink bij zijn kritisch en in wezen afwijzend commentaar op de hier aangehaalde onderdelen van het Schipholarrest ook doelt op een situatie als thans aan de orde, kan in het midden blijven. Verweerder heeft de navordering derhalve op artikel 18a AWR kunnen baseren.

4.8. Mede gelet op de hiervoor weergegeven uitleg van artikel 18a AWR voor een situatie als deze, waarin de termijn van artikel 11, derde lid, AWR reeds is verstreken, dient verweerder om op basis van artikel 18a AWR te kunnen navorderen binnen een redelijke termijn na onherroepelijke vernietiging van de onjuiste WOZ-beschikkingen een nieuwe WOZ-beschikking te geven.

4.9. Hoewel in de brief van 30 juni 2006 met onderwerp “Uitspraak op bezwaarschrift kennisgeving waardebeschikking” niet met zoveel woorden de eerdere waardebeschikkingen van 11 december 2005 worden vernietigd, maar alleen wordt gesproken van een “gegrond bezwaar”, kan dat besluit redelijkerwijs, zoals verweerder ter zitting ook heeft bevestigd, niet anders begrepen worden dan als vernietiging van de onjuiste waardebeschikkingen, al moet aan eiseres worden toegeven dat het aanbeveling verdient dat verweerder voor rechtshandelingen de formulering zou bezigen die uit de wet of de jurisprudentie voortvloeit, zodat daarover ook geen misverstand kan rijzen.

4.10. De nieuwe waardebeschikkingen (voor eigenaar en gebruiker) zijn kennisgegeven bij beschikking van 23 juli 2006 en derhalve binnen de in artikel 4:13, tweede lid, Awb genoemde redelijke termijn van 8 weken.

4.11. De vermindering tot nihil van de eerdere 54 belastingaanslagen bij “Kennisgeving van ambtshalve vermindering Gecombineerd Aanslagbiljet 2003” met dagtekening 3 juli 2006 moet worden aangemerkt als vernietiging van die aanslagen. Ook hierbij geldt dat het aanbeveling verdient dat verweerder voor rechtshandelingen de formulering zou bezigen die uit de wet of de jurisprudentie voortvloeit, zodat daarover ook geen misverstand kan rijzen, maar anders dan eiseres ter zitting nog heeft bepleit ziet de rechtbank geen aanleiding de vermindering tot nihil niet op één lijn te stellen met de in het Schipholarrest bedoelde, voorgeschreven vernietiging. Die vernietiging heeft derhalve tijdig plaatsgevonden.

4.12. De nieuwe aanslagen zijn vervolgens binnen de termijn van 8 weken na het geven van de nieuwe WOZ-beschikkingen en dus tijdig opgelegd. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder geen bevoegdheid tot navordering (meer) heeft, treft derhalve geen doel.”

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de in geschil zijnde navorderingsaanslagen van 28 juli 2006 niet had mogen opleggen omdat de oorspronkelijke 27 waardebeschikkingen niet zijn vernietigd en de daarop gebaseerde aanslagen evenmin. Volgens belanghebbende hebben de waardebeschikkingen en aanslagen nog rechtskracht zodat de heffingsambtenaar niet bevoegd was om nieuwe aanslagen (door belanghebbende aangeduid als tweede primitieve aanslagen) op te leggen.

5.2. Voor het beoordelen van deze stelling neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende in eerste instantie heeft gesteld dat bij de 27 objecten in aanbouw sprake was van een foutieve objectafbakening, dat de heffingsambtenaar in zijn brief van 28 juni 2006 heeft vermeld dat de 27 waardebeschikkingen zullen worden vernietigd wegens foutieve objectafbakening en dat een nieuwe waardebeschikking zal worden genomen. Gedagtekend 30 juni 2006 heeft de heffingsambtenaar vervolgens de bezwaren gegrond verklaard. Onder deze omstandigheden kan er geen misverstand over bestaan dat de waardebeschikkingen van 11 december 2005 geen rechtskracht meer hebben.

Ook de klacht dat de aanslagen, die gebaseerd zijn op deze waardebeschikkingen, zijn verminderd tot nihil en niet zijn vernietigd, treft geen doel. De heffingsambtenaar heeft door de aanslagen te verminderen tot nihil op een juiste wijze uitspraak op bezwaar gedaan. Het Hof ziet geen redenen om aan de situatie waarin de heffingsambtenaar een aanslag heeft verminderd tot nihil andere rechtsgevolgen te verbinden dan aan die waarin een aanslag is vernietigd.

Het Hof is daarom van oordeel dat deze gang van zaken geen beletsel is voor de heffingsambtenaar om op basis van een juiste afbakening van het object nieuwe aanslagen dan wel (in dit geval) navorderingsaanslagen op te leggen.

5.3. Tussen partijen staat vast dat de in geding zijnde aanslagen zijn opgelegd buiten de termijn van artikel 11, derde lid, Awr en dat de navorderingsaanslagen niet zijn gebaseerd op artikel 16 Awr omdat geen sprake is van een nieuw feit. Beoordeeld dient te worden of de onderhavige navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd op basis van artikel 18a Awr.

5.4. Belanghebbende stelt dat artikel 18a Awr niet geldt voor een beschikking op basis van artikel 25 Wet WOZ en dat deze bepaling alleen toepassing vindt bij een artikel 27 Wet WOZ-beschikking.

5.5. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarbij artikel 18a Awr in de wet is opgenomen, bevat onder meer de volgende passage over artikel 18a, met cursivering van het Hof (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 037, nr. 3, blz. 35):

De strekking van dit artikel is dat in alle gevallen waarin, al dan niet opnieuw, met betrekking tot een onroerende zaak een waardevaststelling plaats vindt ingevolge de Wet WOZ en die WOZ-waardering krachtens wettelijk voorschrift ten grondslag moet worden gelegd aan de heffing van belasting, die waardevaststelling zijn doorwerking vindt in de belastingheffing. Het doel van de Wet WOZ is immers te komen tot een uniforme waarde die bindend is zowel voor de heffingsinstanties die afnemer zijn van het WOZ-waardegegeven als voor de belastingplichtigen in de door de wetgever daartoe aangewezen gevallen. De bestuurlijke taken inzake de waardebepaling en -vaststelling met betrekking tot onroerende zaken, met inbegrip van hetgeen voortvloeit uit de door belanghebbenden tegen die waardevaststelling uitgeoefende rechtsmiddelen, zijn geheel toegedeeld aan B en W. De heffingsinstanties zijn derhalve lijdelijk met betrekking tot het al dan niet totstandkomen van de WOZ-waarde en de wijze waarop die waarde tot stand komt. Ze zijn eveneens lijdelijk met betrekking tot de vraag of de WOZ-waarde al dan niet moet worden toegepast in hun heffingsproces. Ze zijn namelijk geheel gebonden aan de daartoe door de wet aangewezen gevallen. Dit impliceert dat ook elke herziening van de vastgestelde WOZ-waarde, hetzij neerwaarts bij uitspraak op bezwaar, ingevolge een rechterlijke beslissing, dan wel in de vorm van een ambtshalve vermindering, hetzij opwaarts op basis van artikel 27 van de Wet WOZ, indien dat consequenties heeft voor een juiste belastingheffing, dient te leiden tot overeenkomstige wijziging van de belastingaanslagen waaraan de oorspronkelijke WOZ-beschikking ten grondslag heeft gelegen. Hetzelfde dient te gelden indien aan de heffing niet, dan wel niet langer, een WOZ-beschikking ten grondslag ligt en alsnog een WOZ-beschikking met betrekking tot de desbetreffende onroerende zaak tot stand komt.

(….)

Onder omstandigheden is het denkbaar dat voor bepaalde objecten niet of niet tijdig een WOZ-beschikking wordt vastgesteld. Dat kan betekenen dat de heffende instantie tot het vaststellen van een belastingaanslagen moet overgaan zonder te beschikken over een ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde en derhalve zelf de waarde van de onroerende zaak dient te bepalen, dan wel – indien het een belasting betreft waarvoor aangifte van onder meer de waarde van de eigen woning moet worden gedaan – de juistheid van de door de belastingplichtige aangegeven waarde dient te beoordelen. Indien vervolgens alsnog een WOZ-beschikking met betrekking tot die onroerende zaak ter beschikking komt waarop een andere waarde is vermeld dan die waarvan de heffende instantie is uitgegaan, wordt die WOZ-beschikking ingevolge het derde lid behandeld als ware deze beschikking een herziening in op- of neerwaartse richting als bedoeld in het eerste lid. Om dezelfde reden ziet het derde lid eveneens op gevallen waarin heffing van belasting heeft plaatsgevonden op grond van een WOZ-beschikking die – vanwege daaraan klevende gebreken – alsnog wordt vernietigd.

Samenvattend: het eerste lid van artikel 18a van de AWR leidt tot doorwerking van de herziening van de oorspronkelijk ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde in de belastingheffing van de afnemers, terwijl het derde lid zorgt voor doorwerking van de ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde in de belastingheffing van de afnemers in de gevallen dat ten tijde van de heffing geen WOZ-waarde beschikbaar was dan wel later is komen te ontbreken doordat de oorspronkelijke WOZ-beschikking is vernietigd.”

5.6. Uit de wettekst en het hiervoor opgenomen gedeelte van de wetsgeschiedenis bij artikel 18a Awr leidt het Hof af dat deze bepaling ook van toepassing is bij een beschikking op grond van artikel 25 Wet WOZ. Weliswaar is in de tekst van artikel 18a Awr het woord ‘herzien’ vermeld, maar een expliciete verwijzing naar artikel 27 Wet WOZ ontbreekt. Aan het enkele gebruik van het woord ‘herzien’ in de wettekst mag daarom niet de conclusie worden verbonden dat artikel 18a Awr uitsluitend ziet op artikel 27 Wet WOZ-beschikkingen. In het eerste lid van artikel 18a AWR wordt immers verwezen naar de ‘op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking’. De onderhavige beschikking, die is gebaseerd op artikel 25 Wet WOZ, is opgenomen in hoofdstuk IV en valt daarom naar het oordeel van het Hof onder de werking van artikel 18a Awr. Deze uitleg vindt steun in het hiervoor opgenomen gedeelte van de wetsgeschiedenis bij artikel 18a Awr waarin met zo veel woorden is vermeld dat de strekking van deze bepaling is dat in alle gevallen waarin, al dan niet opnieuw, met betrekking tot een onroerende zaak een waardevaststelling plaatsvindt ingevolge de Wet WOZ, die waardevaststelling zijn doorwerking vindt in de belastingheffing.

5.7. Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 18a Awr van toepassing is op basis van het Schipholarrest (HR 9 mei 2003, nr 35 987, BNB 2003/270). Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Evenals in het Schipholarrest is in het onderhavige geval sprake van een door de heffingsambtenaar gemaakte fout in de objectafbakening. De heffingsambtenaar is er immers aanvankelijk ten onrechte van uitgegaan dat voor de onroerende zaak in aanbouw moest worden uitgegaan van 27 afzonderlijke objecten, terwijl uitgegaan moest worden van één object. Het Hof ziet daarom in de feiten van het onderhavige geval geen reden om het Schipholarrest niet te volgen.

5.8. Anders dan belanghebbende voorstaat, kan op basis van het zogenoemde grenscorrectie-arrest, HR 8 augustus 2003, nr. 37 718, LJN:AI0922, BNB 2003/335 evenmin worden aangenomen dat artikel 18a Awr niet van toepassing is. Anders dan belanghebbende veronderstelt valt uit het verwijzen door de Hoge Raad naar de artikelen 11 en 16 van de Awr (en niet naar artikel 18a) niet af te leiden dat artikel 18a niet evenzeer van toepassing kan zijn, zij het dat de heffingsambtenaar de wettelijke termijnen voor het opleggen van aanslagen en navorderingsaanslagen in acht dient te nemen.

5.9. Ook hetgeen overigens door belanghebbende is aangevoerd, kan niet tot het oordeel leiden dat de navorderingsaanslagen niet terecht zijn opgelegd.

Slotsom

5.10. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, A.P.M. van Rijn en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 9 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.