Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
10-00503
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het gebruik maken van de openbare weg met een motorrijtuig zonder handelaarskentekenplaten. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat deze platen wel op de auto waren bevestigd.

Geen sprake van financiële omstandigheden die nopen tot strafvermindering. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank en acht de boete passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 3
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 1
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 69
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1808
V-N 2011/42.17.3
FutD 2011-1662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P10/00503

30 juni 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

gemachtigde R. Bakker (Administratiekantoor Rob Bakker te Andijk),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 09/6221 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie/Apeldoorn,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 19 oktober 2009 aan belanghebbende voor het tijdvak 14 juni 2008 tot en met 13 juni 2009 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend op € 376. Bij beschikking is een boete van € 376 opgelegd. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking bezwaar ingediend. Bij uitspraak van 27 november 2009 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 21 juni 2010, verzonden op 25 juni 2010, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 juli 2010, aangevuld bij brief van 7 augustus 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Het Hof neemt hier over hetgeen in de onderdelen 1 en 2 van de uitspraak van de rechtbank is vermeld:

“1. Eiser (Hof: belanghebbende) exploiteert een autobedrijf. De auto van het merk […], kenteken 00-00-00 (hierna: het motorrijtuig) is vanaf 28 april 2009 opgenomen geweest in de bedrijfsvoorraad van eiser.

2. Tot de gedingstukken behoort een controleformulier van 13 juni 2009, waarin onder meer is vermeld:

“(…)

Gegevens voertuig zoals bij controle vastgesteld

Motorrijtuig:

Kenteken 00-00-00

Gegevens controle

Controledatum: 13 juni 2009 Tijdstip 23.48 uur

Straat: RIJKSWEG A10 RECHTS, SECTIE 1

Plaats: Amsterdam

(…)” “

2.2. De in het geding zijnde naheffingsaanslag is opgelegd wegens het gebruik maken van de openbare weg met het motorrijtuig zonder handelaarskentekenplaten.

De inspecteur heeft de boete met inachtneming van de artikelen 37, 69 en 70 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en § 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 vastgesteld op 100 procent van de nageheven belasting.

2.3. Bij het hoger beroepschrift zijn overzichten van de maanden januari tot en met maart 2010 uit het in- en verkoopboek van A te Z, de onderneming van belanghebbende, gevoegd. De hierop vermelde totalen aan kosten en opbrengsten van het eerste kwartaal 2010 bedragen achtereenvolgens, exclusief omzetbelasting, € 12.346,74 en € 15.042,08.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“5. Ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) in samenhang gezien met artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994, artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 40, eerste lid, van de Wegenverkeerswet en artikel 7, eerste lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten, moet een handelaarskenteken zijn aangebracht aan de voor- en achterzijde van het motorrijtuig op de daartoe bestemde plaats.

6. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Wet MRB kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad zonder dat is voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet MRB gestelde voorwaarden, de belasting worden nageheven.

7. Ter zitting heeft verweerder (Hof: de inspecteur) medegedeeld dat in de praktijk geen naheffingsaanslag wordt opgelegd als wordt geconstateerd dat de twee handelaarskentekenplaten zijn bevestigd op het motorrijtuig. Dat de handelaarsketekenplaten dan wellicht niet op de juiste plaats zijn bevestigd is dan niet meer van belang. Verweerder heeft medegedeeld dat de constatering heeft plaatsgevonden door middel van een zogenaamde flitsfoto. Verweerder ontkent dat beide handelaarsketekenplaten op het motorrijtuig waren bevestigd. Op de foto is niet te zien dat een handelaarskentekenplaat achter de achterruit is bevestigd. Tevens is alleen de achterzijde van het motorrijtuig geflitst zodat sowieso niet kan worden gecontroleerd of beide handelaarskentekenplaten op het motorrijtuig waren bevestigd.

8. De rechtbank stelt vast dat op de tot het dossier behorende foto is te zien dat op de daarvoor bestemde plaats aan de achterzijde van het motorrijtuig geen handelaarskenteken-plaat was aangebracht. Op de foto is niet te zien of een handelaarskentekenplaat is bevestigd achter de achterruit. Voorts is alleen een foto aanwezig van de achterzijde van het motorrijtuig. Gelet hierop en de door verweerder gerelateerde werkwijze, welke door eiser (Hof: belanghebbende) niet is weersproken, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

9. Dat eiser niet de beschikking heeft gekregen over de originele flitsfotos, doet niet ter zake, omdat slechts flitsfoto’s van de achterzijde van het motorrijtuig zijn genomen en derhalve niet kan worden gecontroleerd of beide handelaarskentekenplaten op het motorrijtuig waren bevestigd. Dat eiser daardoor niet kan aantonen dat de handelaarskentekenplaten op het motorrijtuig waren bevestigd dient voor rekening en risico van eiser te blijven omdat hij de handelaarskentekenplaten, niet op de voorgeschreven wijze heeft bevestigd.

10. Ingevolge artikel 70 van de Wet MRB is artikel 37 van de Wet MRB van toepassing. Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, onderdeel 2, bedraagt de verzuimboete maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald. De opgelegde boete is aldus op het juiste bedrag vastgesteld.

11. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. In dit geval heeft eiser niet aan de voorwaarden voor de regeling bedrijfsvoorraad voldaan. Het enkele niet daaraan voldoen, rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete van 100%. Factoren als de mate van schuld of opzet of de duur van het niet voldoen aan de voorwaarden spelen zijn niet relevant.

12. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld. Eiser heeft aangevoerd dat zijn bedrijf door de recessie in de problemen verkeert, en dat de boete in die zin een extra druk voor zijn bedrijf is. De rechtbank is van oordeel dat dit geen bijzondere omstandigheid voor eiser vormt die leidt tot matiging van de boete. Immers ter zitting heeft eiser medegedeeld dat hij ten tijde van de zitting € 3.000 tot € 5.000 besteedbaar inkomen uit zijn bedrijf per maand ontvangt. Dat impliceert dat (Hof: bedoeld zal zijn: niet) direct aannemelijk is dat eiser door de boete van € 376 in financiële moeilijkheden zal komen te verkeren. Gelet hierop acht de rechtbank geen omstandigheden voor matiging van de boete aanwezig.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is de hoogte van de boete, gelet op belanghebbendes financiële omstandigheden.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij de beoordeling van de hoogte van de boete van een onjuist inkomen is uitgegaan. Blijkens de bij het hoger-beroepschrift gevoegde bijlagen bedraagt het inkomen in de maanden januari tot en met maart 2010 volgens belanghebbende plus minus € 900 per maand, terwijl belanghebbende voor het gehele jaar 2010 niet veel verbetering verwacht.

De inspecteur stelt hiertegenover dat het inkoop- en het verkoopboek slechts een deel van de boekhouding vormen en daarom niet toereikend zijn voor een juist en volledig beeld van het inkomen van belanghebbende. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan toegevoegd dat hem – na onderzoek van de hem ter beschikking staande registers – geen gegevens omtrent belanghebbendes inkomens van 2009, 2010 en 2011 bekend zijn geworden, nu de aangiften voor de jaren 2009 en 2010 nog niet zijn ingediend en geen loon-/uitkeringgegevens van belanghebbende beschikbaar zijn.

6.2. Naar het oordeel van het Hof kan uit de door belanghebbende in hoger beroep overgelegde gegevens niet worden afgeleid wat het besteedbare inkomen van belanghebbende was in de jaren 2009 en 2010 en in het lopende jaar 2011. Nu ook anderszins geen gegevens ter beschikking zijn gekomen, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is financiële omstandigheden die nopen tot strafvermindering.

Het oordeel van de rechtbank dat zij geen gronden voor matiging van de boete aanwezig acht, dient naar ’s Hofs oordeel te worden gevolgd. De opgelegde boete is in casu passend en geboden.

6.3. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A.P.M. van Rijn, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 30 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.