Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
02/02606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geding is de navordering van douanerechten wegens een correctie van de aangegeven tariefpost. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW.

Het Hof overweegt dat belanghebbende, rekening houdend met de complexiteit van de vergissing, de beroepservaring van belanghebbende en de door haar betrachte zorgvuldigheid, de vergissing redelijkerwijs kon ontdekken. De inspecteur is derhalve niet gehouden om af te zien van de navordering. Het beroep is evenwel gegrond omdat de uitnodigingen tot betaling verminderd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 1674 met annotatie van Stuijt en Van Dam
FutD 2011-1650
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. P02/02606

de dato 9 juni 2011

1. De procedure

1.1. Op 25 april 2002 is bij het Hof een beroepschrift ingekomen van F.G. Abma RA van Daamen & Van Sluis Accountants te Capelle aan den IJssel, namens [A]B.V. te [X], belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane district Arnhem en van Belastingdienst/Douane district Rotterdam (hierna: de inspecteur) van 15 maart 2002, kenmerk [nummer] en [nummer], waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodigingen tot betaling, blijkens de daarop vermelde datumstempels gedagtekend 28 november 2001, met kenmerken [nummer 1] en [nummer 2] ten bedrage van f 170.370,10 (€ 77.310,58) en f 13.200,30 (€ 5.990,03) aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 218 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van het Hof van 2 maart 2004. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Een tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Naar aanleiding van deze zitting heeft belanghebbende een brief met bijlagen, gedagtekend 9 februari 2011, en een brief gedagtekend 2 maart 2011 aan het Hof gezonden. Op 31 maart 2011 heeft het Hof van de inspecteur een schriftelijke reactie op voormelde brieven ontvangen. Een afschrift daarvan is aan de gemachtigde gezonden.

Op 12 mei 2011 heeft een derde mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende, een toegelaten douane-expediteur, heeft in de jaren 1999 en 2000 op eigen naam en voor eigen rekening 96 aangiften ten invoer gedaan voor loempiavellen. Zij deed deze aangiften in opdracht van importeur [naam]. De producten werden aangegeven onder de postonderverdeling 1901 90 99 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). Deze indeling is door de douane aanvaard.

2.2. Bij een controle na de invoer over de jaren 1999 en 2000 van de administratie van [naam en woonplaats importeur] heeft de douane geconstateerd dat de ingevoerde goederen niet onder post 1901 maar onder post 1905 van de GN moeten worden ingedeeld. Tevens is vastgesteld dat de waarde van de goederen op document [nummer] moet worden gecorrigeerd van f. 33.655 naar f. 83.875. Naar aanleiding van deze constateringen zijn de onder 1.1. genoemde uitnodigingen tot betaling uitgereikt.

2.3. Bij brief van 4 januari 2002 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling. Bij uitspraken op bezwaar, gedagtekend 15 maart 2002, heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.4. Op 5 juli 2002 heeft de inspecteur naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende beroepschrift op de uitnodiging tot betaling met het kenmerk [nummer1] ambtshalve een terugbetaling verleend van ? 11.886,64. Op dezelfde datum heeft de inspecteur op de uitnodiging tot betaling met het kenmerk [nummer 2] ambtshalve een terugbetaling verleend van ? 1.516,40.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of op grond van het bepaalde in artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het Communautair Douanewetboek (CDW) geheel van navordering moet worden afgezien, hetgeen belanghebbende bepleit doch de inspecteur bestrijdt. In geval het gelijk aan belanghebbende is, dienen de uitnodigingen tot betaling te worden vernietigd.

Ingeval het gelijk aan de inspecteur is, is tussen partijen niet in geschil, dat de uitnodiging tot betaling met kenmerk [nummer 2] moet worden verminderd met € 1.516,40 tot € 4.473,63 en dat de uitnodiging tot betaling met kenmerk [nummer 1] moet worden verminderd met € 11.886,64 tot € 65.423,94. Tussen partijen is niet meer in geschil dat aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toekomt.

4. Rechtsoverwegingen

4.1. Op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, eerste alinea van het CDW, is de inspecteur gehouden af te zien van boeking achteraf (navordering) wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet is geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De wettelijk verschuldigde rechten zijn in het onderwerpelijke geval geboekt tot een te laag bedrag, omdat - naar tussen partijen niet in geschil is - in de aangiften een onjuiste tariefpost is aangegeven, welke tariefindeling in alle gevallen door de inspecteur is gevolgd.

4.2. De inspecteur heeft expliciet erkend dat, ten aanzien van alle aangiften waarop navordering heeft plaatsgevonden, sprake is van een vergissing in de zin artikel 220 CDW. Partijen houdt verdeeld of deze vergissing redelijkerwijs kon worden ontdekt.

Om te kunnen beoordelen of een vergissing van de douaneautoriteiten redelijkerwijs ontdekt had kunnen worden, moet volgens vaste rechtspraak met name rekening worden gehouden met de aard van de vergissing, de beroepservaring van de aangever en de door haar betrachte mate van zorgvuldigheid. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

4.3. De aard van de vergissing wordt vastgesteld aan de hand van de complexiteit van de betrokken regelgeving. In dit verband vormt de omstandigheid dat door de Europese Commissie een indelingsverordening is uitgevaardigd, een belangrijke aanwijzing dat het om een ingewikkelde indelingskwestie gaat (HvJ 1 april 1993, Hewlett Packard France, C-250/91, Jurispr. blz. I-1819, punt 23). In casu moet evenwel worden vastgesteld dat alle aangiften waarop de navorderingen betrekking hebben van na de inwerkingtreding van Verordening 1196/97 dateren en dat de bekendmaking van deze indelingsverordening een einde heeft gemaakt aan de eventuele complexiteit van de regeling (HvJ 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV, C-38/07 P, Jurispr. blz. I-8599, punt 43). De betrokken tariefregeling kan daarom niet als bijzonder ingewikkeld worden gekwalificeerd.

4.4. Ten aanzien van de beroepservaring volgt uit de stukken van het geding dat belanghebbende is toegelaten als douane-expediteur en dat zij beroepsmatig aangiften ten in- en uitvoer doet in opdracht van haar cliënten, waaronder [ naam importeur]. Aangiften voor de invoer van loempiavellen doet zij blijkens de stukken van het geding in elk geval reeds sinds 1998. De 96 aangiften waarop de navorderingen betrekking hebben zijn door belanghebbende gedaan in de periode van februari 1999 tot en met november 2000. Gelet op het vorenoverwogene dient belanghebbende als professionele marktdeelnemer te worden aangemerkt.

4.5. De op het gebied van het douanetarief toepasselijke communautaire voorschriften worden verplicht bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Vanaf die bekendmaking vormen zij het enig positieve recht ter zake, dat iedereen geacht wordt te kennen (HvJ 12 juli 1989, Binder, 161/88, Jurispr. blz. 2415, punt 19). In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1997, nr. L 170/13, is Verordening (EG) nr. 1196/97 van 27 juni 1997 gepubliceerd. Op grond van het bepaalde in deze verordening dient een voedselbereiding in de vorm van droge, doorschijnende vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water, welke meestal worden gebruikt om daarvan "wikkels" voor loempia 's en dergelijke te vervaardigen, met toepassing van indelingsregel 1 en 6 te worden ingedeeld onder GN-code 1905 90 20. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op deze indelingsverordening, ook de door belanghebbende aangegeven loempiavellen onder genoemde GN-code behoren te worden ingedeeld.

Gemachtigde heeft ter zitting verklaard niet te weten of belanghebbende ten tijde van het doen van de litigieuze aangiften op de hoogte was van het bestaan van Verordening 1196/97. Indien belanghebbende niet op de hoogte was van genoemde verordening heeft zij niet de vereiste zorgvuldigheid betracht. Volgens vaste rechtspraak wordt immers van een professionele marktdeelnemer verlangd dat deze zich door lezing van de desbetreffende Publicatiebladen vergewist van het gemeenschapsrecht dat op zijn transacties van toepassing is (reeds aangehaald arrest Binder, punt 22 en HvJ 28 juni 1990, Behn Verpackungsbedarf, C-80/89, Jurispr. blz. I-2659, punt 14). Indien belanghebbende wel op de hoogte was van het bestaan van Verordening 1196/97 heeft zij evenmin de vereiste zorgvuldigheid betracht, nu deze verordening expliciet en eenduidig de goederen omschrijft die in GN-code 1905 90 20 moeten worden ingedeeld en deze goederen overeenkomen met de door belanghebbende aangegeven goederen, zodat het belanghebbende niet vrijstond om door te gaan met de invoer van goederen onder een afwijkende GN-code, louter omdat deze indeling - in afwijking van de indelingsverordening - door de inspecteur werd aanvaard (reeds aangehaald arrest Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading BV, punt 62 en 64).

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.3, 4.4. en 4.5. is overwogen is het Hof van oordeel dat belanghebbende de vergissing van de inspecteur redelijkerwijs kon ontdekken, zodat de inspecteur niet gehouden is op grond van artikel 220 CDW af te zien van navordering.

Slotsom

Op grond van het vorenoverwogene komt het Hof tot het oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de uitnodigingen tot betaling moeten worden verminderd tot de sub 3 genoemde bedragen.

5. Proceskosten

Het Hof veroordeelt de inspecteur op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 3 (beroepschrift, verschijnen ter zitting en twee nadere zittingen) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 = € 966.

6. Beslissing

Het Hof :

- verklaart het beroep gegrond:

- vernietigt de uitspraken waarvan beroep;

- vermindert de uitnodiging tot betaling met nummer [2] met € 1.516,40 tot € 4.473,63;

- vermindert de uitnodiging tot betaling met nummer [1] met € 11.886,64 tot € 65.423,94;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 966;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 218 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, en B.A. van Brummelen en K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op 9 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.