Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0141

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
P10/00496
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Voor wat betreft de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting staat vast dat belanghebbende met de auto heeft gereden op de openbare weg tijdens een daarvoor geldende schorsingsregeling.

Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen. Er zijn geen redenen om de boete te matigen. Het Hof acht de boete passen en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1809
V-N 2011/42.17.17
FutD 2011-1663
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P10/00496

9 juni 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] te [X], belanghebbende,

gemachtigde: mr. J. Cortet

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 09/5597 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, de inspecteur,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 15 oktober 2009 aan belanghebbende voor het tijdvak van 25 april 2008 tot en met 24 april 2009, een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor een bedrag van € 930 alsmede een beschikking uitgereikt voor een verzuimboete, groot € 930.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 6 november 2009, de naheffingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 21 juni 2010 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 juli 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast.

2.2. Belanghebbende is vanaf 30 juni 2005 ingeschreven geweest in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, lid 1, aanhef en onderdeel, juncto artikel 42, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) als houder van het motorrijtuig met kenteken [nummer](hierna: de auto).

2.3. Belanghebbende heeft de geldigheid van het kentekenbewijs met toepassing van hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW voor de perioden van 25 april 2008 tot en met 1 juli 2008 en vanaf 9 september 2008 tot en met 7 april 2009 laten schorsen. Belanghebbende heeft de schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs met ingang van 8 april 2009 ongedaan gemaakt.

2.4. Op 7 april 2009, om 21.27 uur, is door middel van een controle vastgesteld dat op de [adres] gebruik werd gemaakt van de auto. Belanghebbende was op het moment van controle de bestuurder van de auto.

2.5. De naheffingsaanslag is vastgesteld naar aanleiding van de onder 2.4. vermelde controle. Bij de berekening van de verschuldigde belasting heeft de inspecteur op de voet van artikel 35, vijfde lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) de na te heffen belasting verminderd met de belasting die over de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft voor de auto is betaald. De inspecteur heeft daarbij tevens een verzuimboete opgelegd.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de motorrijtuigenbelasting op goede gronden is nageheven. Voorts is in geding de hoogte van de boete.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting.

4. De overwegingen van de rechtbank

De relevante overwegingen van de rechtbank, waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’, luiden als volgt:

“ 5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ( hierna: Wet MRB) wordt voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in Hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de wet MRB kan bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing de belasting worden nageheven. Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd.

6. Ingevolge artikel 5 van de WVW wordt verstaan onder weg: elke voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaande weg en elk zodanig pad, de in de weg of het pad liggende bruggen en duikers alsmede de tot de weg behorende paden en bermen of zijkanten.

7. De rechtbank is van oordeel dat met het motorrijtuig tijdens een daarvoor geldende schorsing van de geldigheid van het kenteken gebruik is gemaakt van de weg in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet MRB. Elk gebruik tijdens de schorsingsperiode, hoe kort ook, leidt tot naheffing van de ten onrechte niet betaalde belasting (zie arrest van de Hoge Raad van 5 januari 2000, nr. 35 076, BNB 2000/85). Voor matiging van het belastingbedrag vanwege het feit dat zeer kort tijdens de schorsing van de openbare weg gebruik is gemaakt, zoals eiser stelt, laat de wet geen ruimte. De naheffingsaanslag is dan ook terecht opgelegd.

8. Ingevolge artikel 37 van de Wet MRB in verbinding met artikel 67c van de AWR vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim terzake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete van ten hoogste € 4.537 kan opleggen. Ingevolge paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, onderdeel 2, bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.

9. Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. In dit geval heeft eiser niet aan de voorwaarden voor de schorsingsregeling voldaan. Het enkele niet daaraan voldoen rechtvaardigt in beginsel een verzuimboete van 100 procent. Factoren als de mate van schuld en opzet of de duur van het niet voldoen aan de schorsingsvoorwaarden spelen verder geen rol.

10. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat er sprake zou zijn van afwezigheid van alle schuld. Evenmin heeft eiser aangevoerd noch is anderszins aannemelijk geworden dat er sprake is van omstandigheden die aanleiding zijn tot matiging van de boete. De rechtbank is van oordeel dat de boete passend en geboden is.”

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank met betrekking tot de naheffingsaanslag op goede gronden een juiste beslissing genomen.

5.2. Met betrekking tot de opgelegde boete, overweegt het Hof, dat vaststaat dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voor de schorsingsregeling heeft voldaan. De inspecteur heeft, op grond van artikel 37 van de Wet MRB en met inachtneming van paragraaf 34, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, een verzuimboete van 100% opgelegd.

5.3. Indien en voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van de afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS) geldt het volgende. Belanghebbende is zèlf met de geschorste auto naar het postkantoor gereden, heeft zich vergist omtrent de openingstijden van het postkantoor en is vervolgens zèlf met de geschorste auto weer naar huis is gereden. Dergelijke omstandigheden kunnen niet leiden tot het oordeel dat sprake is van AVAS. Er is geen sprake van omstandigheden die zijn ontstaan buiten toedoen van belanghebbende waarop hij geen invloed kon uitoefenen.

5.4. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende, dat de boete hem onevenredig zwaar treft en dat matiging op zijn plaats is, overweegt het Hof dat het in de door partijen verstrekte informatie aangaande de inkomens- en vermogenspositie, waarbij belanghebbende het door de inspecteur genoemde belastbaar inkomen 2010 van belanghebbende en van diens partner niet heeft betwist, geen reden ziet om de boete te matigen. Deze gegevens zijn onvoldoende om te oordelen dat de opgelegde boete belanghebbende onevenredig treft.

5.5. De overige door belanghebbende aangevoerde omstandigheden, zoals het korte gebruik van de weg, acht het Hof evenmin voldoende om te komen tot matiging van de boete. Het Hof acht de opgelegde boete passend en geboden.

Slotsom

5.4. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, en E.M. Vrouwenvelder en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 9 juni 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.