Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9738

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
200.071.997/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de Ondernemingskamer 16 juni 2011; VEB NCVB c.s./ Ageas N.V., voorheen Fortis N.V.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2011/102
JONDR 2011/19
JOR 2011/143
JIN 2011/627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.071.997/01 OK van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VEB NCVB,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. R. PHILIPS,

wonende te Cuijk,

3. W.J.C. MEINE JANSEN,

wonende te Ravenswaaij,

4. H.J.G. DE RUIJTER,

wonende te Maasmechelen, België,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLUVEZO B.V.,

gevestigd te Meerlo,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DAALVESTE PENSIOEN B.V.,

gevestigd te Valkenswaard,

7. J.A.M. VAN DAAL-DIELIS,

wonende te Valkenswaard,

8. W.J.J. VAN DAAL,

wonende te Valkenswaard,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff en mr. J.M.K.P. Cornegoor, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap

AGEAS N.V., voorheen FORTIS N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER,

advocaten: mr. H.J. de Kluiver en mr. M.F. Poot, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

de stichting STICHTING INVESTOR CLAIMS AGAINST FORTIS,

gevestigd te Amsterdam,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J.H.B. Crucq, kantoorhoudende te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

1.1 De Ondernemingskamer heeft in de met deze zaken samenhangende zaak met rekestnummer 200.015.810 OK beschikkingen gegeven op 24 november 2008, 5 december 2008, 9 februari 2009, 8 mei 2009, 26 november 2009, 18 mei 2010, 16 juni 2010 en 25 augustus 2010. In deze zaak heeft de Ondernemingskamer een beschikking gegeven op 16 maart 2011. Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer in de eerste plaats naar voormelde beschikkingen.

1.2 Bij de beschikking van 24 november 2008 heeft de Ondernemingskamer - voor zover hier van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V., gevestigd te Utrecht, thans Ageas N.V. geheten (hierna Fortis te noemen), over de periode vanaf 29 mei 2007. Bij de beschikking van 5 december 2008 heeft de Ondernemingskamer dr. F.J.G.M. Cremers, mr. C.E. Drion en drs. C.J.M. Scholtes aangewezen als onderzoekers.

1.3 Bij de beschikking van 16 juni 2010 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag van het in 1.2 bedoelde onderzoek, tezamen met de bijlagen C-97, C-98 en C 99 ter griffie van de Ondernemingskamer, ter inzage ligt voor een ieder en dat de overige bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage liggen voor belanghebbenden.

1.4 Verzoeksters (verder VEB c.s.) hebben bij op 17 augustus 2010 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties aan de Ondernemingskamer verzocht

a. te verstaan dat er bij Fortis in de periode vanaf 20 september 2007 tot en met 29 september 2008 sprake is geweest van wanbeleid zoals nader uiteengezet in het verzoekschrift,

b. bij wijze van voorziening te vernietigen het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van Fortis van 29 april 2008 tot het verlenen van décharge aan het bestuur voor het in 2007 gevoerde beleid en

c. Fortis te veroordelen in de kosten van het geding.

1.5 Fortis heeft bij op 24 januari 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties aan de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van VEB c.s. af te wijzen met veroordeling van hen in de kosten van het geding.

1.6 Bij de beschikking van 16 maart 2011 heeft de Ondernemingskamer Stichting Investor Claims Against Fortis, gevestigd te Amsterdam (verder Stichting Investor Claims), op haar verzoek onder meer ter zake van de onder 1.4 hiervoor weergegeven verzoeken van VEB c.s. als belanghebbende zoals in die beschikking onder 2.3 en 2.4 is overwogen, aangemerkt.

1.7 Stichting Investor Claims heeft bij op 7 april 2011 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift aan de Ondernemingskamer - zakelijk weergegeven - verzocht de verzoeken van VEB c.s. toe te wijzen met veroordeling van Fortis in de kosten van het geding.

1.8 De verzoeken van VEB c.s. zijn behandeld ter openbare terechtzitting van 26 en 28 april 2011. De Ondernemingskamer heeft vervolgens aangekondigd zo spoedig mogelijk uitspraak te zullen doen.

1.9 Bij fax van 15 juni 2011 met als bijlage “Verzoekschrift tot cassatie” heeft mr. De Kluiver de Ondernemingskamer onder meer het volgende geschreven:

“Voor het geval de Hoge Raad onverhoopt van oordeel zou zijn dat de Beschikking [van 16 maart 2011, Ondernemingskamer] dient te worden aangemerkt als een tussenbeschikking, verzoekt Ageas de Ondernemingskamer op de voet van artikel 426 Rv jo artikel 401a lid 2 Rv te bepalen dat tegen de Beschikking onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.”

2. De gronden van de beslissing

2.1 De Ondernemingskamer zal thans beslissen op het in 1.9 hiervoor weergegeven verzoek van Fortis en overweegt daartoe als volgt. De wet neemt tot uitgangspunt dat cassatie van tussenbeschikkingen slechts kan worden ingesteld tegelijkertijd met cassatie van de eindbeschikking (artikel 401a lid 3 jo 426 Rv) en wel met het oog op een zo vlot mogelijke behandeling van zaken. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding om ten aanzien van de hier aan de orde zijnde beschikking van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij neemt de Ondernemingskamer in aanmerking

- dat Fortis niet heeft toegelicht hoe haar verzoek zich verhoudt tot voormeld uitgangspunt en/of op grond van welke omstandigheden in deze zaak van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken,

- dat de mondelinge behandeling van de verzoeken ten gronde van VEB c.s. reeds heeft plaatsgevonden en deze zaak derhalve sinds 28 april 2011 in staat van wijzen is, en

- dat de Ondernemingskamer ook ambtshalve geen omstandigheden ziet die tot afwijking van het uitgangspunt aanleiding geven.

2.2 De Ondernemingskamer zal derhalve niet bepalen dat cassatie tegen de beschikking van 16 maart 2011 tussentijds kan worden ingesteld.

3. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het onder 1.9 weergegeven verzoek van Fortis af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. G.C. Makkink, raadsheren, E.R. Bunt en mr. J.G. Bax, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 16 juni 2011.